Daar komt de poepdoos, denk ik

Dinsdagavond is lekker rustig. Na het eten gaat vader weg. De distributieradio staat aan. Moeder strijkt alleen in de woonkamer als vader de deur uit is, want daar heeft hij een hekel aan. We zitten bij elkaar, met thee. We horen liedjes van vroeger die moeder woord voor woord kan meezingen. En ze kan prachtig vertellen. Ze geeft ons een stroopwafel. “Jullie hebben het maar goed”, zucht ze. “Dat was vroeger wel anders.” Ik hoop dat ze weer over de poepdoos begint. Ze begint over haar vader, opa Freek, die in de jaren twintig geen vast werk had, die zo streng was en al te graag een borreltje lustte. Hij had losse handjes, was ongeschoold en werkte al toen hij negen was. Met vrouw en zes kinderen woonde hij op een halve bovenwoning in de Bloemstraat.
“Drie hoog. Met het stilletje in de keuken!”, zegt moeder. Daar komt de poepdoos, denk ik. “We hadden net gas en elektra. Hartstikke duur was het. Soms was het afgesloten. We woonden zo klein. Er waren twee alkoven, met bedsteden. Drie meisjes boven, drie jongens beneden. Ik lag in het midden en Bep vooraan, want die ging er het eerst  uit. We sliepen in ons ondergoed. Er waren geen pyjama’s. En op zaterdag allemaal in bad.”
Ik kijk naar onze gezellige woonkamer met de serre aan de tuin. Onze nieuwe zilveren gashaard die op een kerk lijkt. Wat een luxe. We hebben een ruim huis, ook al staat het in West. Ik speel vaak in de diepe kelder, waar vaders voorraad ligt. Ik heb een pyjama en een eigen bed. Ik heb mijn kamertje aan de tuin. De WC is op de gang. Die hoef je niet te legen. We hebben een hete douche met boiler. Ik mag elke dag als ik wil. 
“Maar een keer in de week!”, vraag ik. “Stonk je niet?” “Dat was heel gewoon in die tijd”, zegt moeder. “En allemaal in hetzelfde water. De vieste het laatst. Jantje dus. Oma Bet waste op zaterdagavond, dan hing het ’s nachts te drogen en konden we zondag schoon goed aan. Een groot gezin had het zwaar.” Ik denk aan al het ondergoed in onze kelder. Vaders zaak heet ‘textiel-engros.’ Dat staat op het emaillen bord op de deur. Iedereen zegt “en gros”. Vader zegt het op zijn Frans, “ankroo”. Dat past beter bij de Ruysdaelkade, vindt hij. De Ruysdaelkade is een dure gracht bij het Rijksmuseum in Zuid, waar belangrijke mensen wonen in grote huizen met marmer en glas-in-lood. Vader wil daar een huis kopen.
Nu wil ik alles van de poepdoos weten. Moeder neemt gelukkig de tijd. “Een smerige houten ton was het met een rond deksel. Die werd twee keer per week geleegd. In de Boldootkar, die de stront kwam ophalen.” Ik geniet van het idee. Klotseklots, drie trappen omlaag. “Er liep een paard voor en een man met een ratel. De lege poepemmers werden schoongemaakt aan de stoeprand. Ik ruik nog die stank”, zegt ze. “Dat nam niet weg dat wij er toch lekker achter gingen hangen als ie wegreed.”

Hans Trompetter
Juli/augustus 2013