Het plein van Jack Maandag (en mijn eerste fiets)

Laatst kocht ik een nieuwe fiets. Het ging me aan het hart, want de vorige had me twintig jaar gediend. Maar ja, op een gegeven moment blijf  je repareren. Toch sloeg weemoed toe. En prompt dacht ik terug aan mijn allereerste fiets. Dat was geen nieuwe geweest, maar eentje van het Waterlooplein. Mijn vader en ik gingen er in zijn autootje heen. Ik was tien, geloof ik; het zal dus in 1958 zijn geweest.
Dat Waterlooplein was een openbaring: een enorme oppervlakte met honderden kramen. Bijna niets was geprijsd; het was een spel van loven en bieden. Behalve in de kramen stond de handelswaar in de paar nog niet gesloopte panden waar later de Stopera zou komen.  Zo ook het ‘autokerkhof’ van Jack Maandag. Deze legendarische koopman verkocht tweedehands auto-onderdelen, meestal van Amerikaanse auto’s. Rijdende slagschepen waren het, met veel chroom en ronkende motoren.
Jack zat meestal op een stoel in het zonnetje voor zijn pand, want aan bewegen had hij een hekel en dat was hem aan te zien. Als je een versnellingsbak of een differentieel zocht, vertelde Jack op welke verdieping en op welke plank in welke hoek het gewenste exemplaar lag. De olie droop er aan alle kanten uit, maar over het milieu had men het nog niet.
Terug naar mijn eerste fiets! Overdonderd door dat immense Waterlooplein, kwam ik pas bij mijn positieven toen ik mijn vader hoorde roepen: “Wat, f 35,-? ’n Geeltje (f 25,-) kun je krijgen!!” Daarmee was de koop gesloten en ik keek om. Mijn vader hield een zwaar verroest exemplaar met platte banden omhoog. Ojee! Moest dát mijn fiets worden?!
Het vehikel  werd in de auto geladen en wij gingen op weg naar huis. Na het eten werd er in de winkel (mijn vader was melkboer) een groot stuk karton op de vloer gelegd en hij begon tussen de bedrijven door met grof geweld te demonteren, totdat er een kaal frame overbleef. Dat werd keurig geschilderd met fietslak die hij nog in de schuur had staan. Er gingen nieuwe banden op, de verlichting werd weer brandend gemaakt en de pedalen werden vervangen. Zelf moest ik met een pot autocleaner de velgen en het stuur van alle roest ontdoen. Na ruim een week avondlijk ploeteren was mijn fiets een juweeltje! Dolblij wilde ik mijn eerste ritje gaan maken. Maar dat ging niet zomaar. Toen ik wilde wegrijden, greep mijn vader me in mijn nekvel en zei: “Jij denkt toch zeker niet dat ik jouw lekke banden ga plakken? Want daar heb ik geen tijd voor!” Hij zette de fiets op zijn kop en stak tot mijn schrik met een priem de achterband lek…
Meteen daarna volgde een aanschouwelijke les. Handige repareerde vader het gat, elke handeling uitvoerig toelichtend. Weer wilde ik enthousiast wegrijden, maar hij zei: “Oho! Nu is het jouw beurt.” En zette zijn priem in de voorband.
Een harde leerschool vond ik dat toen. Maar ik ben mijn vader er nog steeds dankbaar voor.

Jos Witteman

Oktober 2011