Hansop met klep

Ron Peeters (geb. 1940) schreef voor zijn familie zijn Amsterdamse jeugdherinneringen op.  Omstreeks 1952 verhuisde hij van de Kinkerbuurt naar de Pijp en ging hij van de lagere school naar de hbs.

Onze verhuizing naar de Eerste Jan van der Heijdenstraat valt samen met mijn vertrek van de lagere school. Volgens meester Kruidenier is het jammer om mij naar de ambachtschool of mulo te sturen en ben ik meer op mijn plaats op de hbs. Ik word ingeschreven bij de hbs in de Zocherstraat, het toelatingsexamen verloopt goed en mijn examencijfers zijn hoog genoeg om gratis boeken te krijgen uit het schoolfonds.
Dat is maar goed ook, want geld om boeken te kopen is er niet. Er is geen broer Joop meer die op vrijdag huishoudgeld afgeeft, en Andries, de nieuwe vlam van mijn moeder, is werkloos. Geld voor een schooltas is er ook niet. De eerste schooldag draag ik mijn boeken en schriften in een oude handtas van mijn moeder en hou die zó onder m’n arm dat er zo min mogelijk van te zien is. En ik draag ‘krijgertjes’.
Normaal rondlopen in afdankertjes gaat wel, maar uitkleden voor gymnastiek is heel iets anders. Ik simuleer een blessure om niet aan de gymnastiekles te hoeven meedoen. Misschien zou ik ’t nog wel durven als mijn ondergoed en schoenen bij het omkleden niet te voorschijn zouden komen. Maar de gedachte dat de jongens uit mijn klas zouden zien dat ik op het Waterlooplein gekochte rijglaarsen met veters tot m’n knieën draag en een hansop met klep aan de achterkant, is genoeg om mijn moeder te bewegen een briefje voor school te schrijven “dat ten gevolge van een val tijdens de vacantie hij voorlopig niet aan gymnastiek kan meedoen”.
Pas na de eerste twee maanden is er genoeg geld gespaard om het gymnastiekuniform van de school – blauwe sportbroek en wit shirt met schoolembleem – bij de sportwinkel in de Roelof Hartstraat te kopen
De werkweek op Texel aan het begin van het schooljaar maak ik niet mee. Die is bedoeld om leraren en leerlingen kennis met elkaar te laten maken, maar omdat we het niet kunnen betalen blijf ik ‘ziek’ thuis. Dat ik enige weken later blozend van schaamte te midden van de leerlingen van de klassenleraar te horen krijg dat “m’n ouders de rekening van de werkweek nog moeten betalen”, is een van die momenten dat ik wens dat ik me onzichtbaar kan maken. Na een gesprek tussen m’n moeder en de schooldirecteur hoeft de rekening niet te worden betaald.
Op een zaterdagmiddag aan het eind van het eerste schoolkwartaal, na een ruzie met Andries over geld, neemt mijn moeder me een kwartier voor sluitingstijd mee naar een schoenenwinkel. Die maandag lijkt het of de ‘indianenpas’ op mijn nieuwe schoenen me veel sneller dan anders naar school brengt. De indianenpas – twintig passen gewoon en twintig passen hardlopen – heb ik opgepikt uit een cowboyboek.

Ron Peeters