Mijn Amsterdam EXTRA: Het bootje van Boekel

Theo Bakker (1941) ging als negen-, tienjarige regelmatig op stap met zijn opa, een voormalige winkelier met rode sympathieen. Hoogtepunt was de overtocht naar Noord met het 'bootje van Boekel'.

Ik was verzot op m’n opa! Het was een ondernemende man, vroeger altijd geweest met ‘buurtwinkels’ en als opa nog steeds door me op de zondagse bezoekjes te laten spelen met wat attributen die hij uit zijn voormalige kruidenierswinkel gered had. Dat was bijvoorbeeld en blok met kleine gewichtjes, niet het soort kilogewichten dat de groenteboer gebruikte, maar hele kleintjes voor het precisiewerk. Ik kan niemand meer vragen voor welke handelswaar mijn opa die gewichtjes nodig had…

Bij mooi weer ging hij met me wandelen en eigenlijk was dat altijd dezelfde wandeling. Van de Vinkenstraat liep hij eerst via een omweg naar de Brouwersgracht om me het ijkkantoor aan te wijzen waar zijn gewichten regelmatig opnieuw geijkt moesten worden. Dan naar het Haarlemmerplein met toen nog de paardendrinkbak en onderin de hondendrinkbak. Omdat hij het zei dronk ik niet van het water van de fontein, maar snappen deed ik dat niet. Het Haarlemmerplein was na de oorlog nog steeds een druk vervoerscentrum en alle motorvrachtwagens waren vast wel geconfisqueerd. Vandaar dat de paardendrinkbak nog geregeld gebruikt werd. Dan door de Willemspoort, door Amsterdammers steevast Haarlemmerpoort genoemd. Of liever langs die poort; tussen de zuilenrij kwam je niet, zelfs opa niet. Misschien wel omdat in één helft van het poortgebouw een politiepost zat? Zou opa ook niet zoveel met de politie opgehad hebben? Hij was actief geweest tijdens het Aardappeloproer van 1917, maar ik hoorde veel later pas hoe hij de soldaten geprovoceerd had.

De voorlopige eindbestemming van de wandeling lag achter de poort, aan het water van het Westerkanaal, alhoewel geen hond ooit van het Westerkanaal had gehoord en het gewoon over de Nassaukade en de Houtmankade had. Achter de poort was de steiger van het “bootje van Boekel” en volgens mij was die boot van opa want hij hoefde immers nooit te betalen?!

Ik werd in het vooronder geloodst en opa ging even de kapitein gedag zeggen. Daar kocht hij vast de kaartjes en als de conducteur langs kwam om de ritprijs te incasseren hoefde mijn opa nooit te betalen. Man, had ik ontzag voor ‘m. Hoe dat precies in z’n werk ging hoorde ik ook weer veel later pas.

Het “bootje van Boekel” was een particulier overzetveer naar Amsterdam-Noord. De rederij was al in de jaren derig begonnen met dat overzetveer, dat waarschijnlijk opgezet was voor de grote hoeveelheid industrieën in Noord. De belangrijkste aan de Distelweg waren de Nederlandse Plantenboterfabriek, de Hollandse Beton Maatschappij en Electrozuur. Aan de Asterweg waren nog de British American Tobacco Company, de Noord-Amsterdamse Machinefabriek het IJ en de fabricage van industriële verpakkingen van Van Leer. In de Spaarndammerbuurt ging het slecht met de Westersuikerfabriek en veel personeel zocht elders werk.

Het vertrekpunt was van de Willemspoort. De veerboootjes waren lage scheepjes met passagiersaccommodatie in het ruim met wat ramen net boven het gangboord. De lucht benedendeks zit nog in m’n neus; die van door gelekte dieselolie verziekt afvalwater dat al maandenlang in de kiel van het schip heen en weer klotste. Met de harde houten banken was kajuit zeer zeker een te riante benaming. Als het niet al te slecht weer was bleef je aan dek, tenzij je door de bemanning naar beneden gejaagd werd. Of omdat er geen plaats was, want iedereen wilde liever buiten blijven staan. Nou was dat dek niet direct open lucht, eerder een overdekt platform met trappen naar het voor- en achtercompartiment, waar zich middenin ook nog de stuurstand bevond.

Op die zondagen was er natuurlijk geen of weinig werkvolk aan boord. Die plaatsen werden dan ingenomen door supporters van De Volewijckers, dat wil zeggen: als ze die zondag speelden op het Mosveld. Het heeft heel wat jaren geduurd tot ik begreep wat de Staatslieden-, Spaarndammer- en Zeeheldenbuurt toch met De Volewijckers hadden, dat ze zulke reizen door Amsterdam maakten om hun club te bezoeken. En dat terwijl er toch een eersteklasser aan de Spaarndammerdijk speelde: DWS. Maar zodra je leert hoe rood deze hoek van Amsterdam was en hoe rood De Volwijckers waren begrijp je het wel.

Kort voor en in de oorlog maakten de broers Douwe en Gerben Wagenaar het bestuur van De Volewijckers uit. Gerben had zelf nog in het eerste elftal gestaan. Gedreven door de onverzettelijkheid van de Wagenaars was de club in de oorlogsjaren doorgestoten van de derde divisie naar de eerste en werd in het seizoen 1943-’44 zelfs landskampioen, ten koste van het grote Ajax en in de slotronde Heerenveen met zijn coryfee Abe Lenstra. Deze achtergrond maakte De Volewijckers ongemeen populair, iets dat waarschijnlijk maar tot het schisma in de CPN geduurd heeft. Dat was mogelijk ook een gevolg van de hetze tegen de communisten begin 50-er jaren of het feit dat De Volewijckers nooit meer het peil van die oorlogsjaren bereikt hebben. Maar toen was het allang gedaan met de ritjes met Boekel. Opa werd te oud voor die fratsen en ik – als puber - te oud voor die adoratie van mijn grootvader. Mijn grootouders haalden nog wel de krant, toen ze in 1966 65 jaar getrouwd waren. Daar werd als bijzonderheid verteld dat het echtpaar dit heugelijke feit vierde met hun 75 kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen. Daar was ik er één van.

Theo Bakker