Koeienpaadje of parallelweg?

Koeienpaadje of parallelweg?

De Schellingwouderbrug was de eerste vaste oeververbinding van Amsterdam-Noord naar de stad en werd op 30 november 1957 geopend door minister J. Algera van Verkeer en Waterstaat. De 4de, 5de en 6de klassers van de scholen in Schellingwoude en Nieuwendam gingen er in optocht heen om de gebeurtenis met gezang op te vrolijken. De ‘kleintjes’ mochten niet mee.
Daar was mijn broer Albert, geboren begin 1952 en dus bijna zes jaar oud, erg boos over. Geen wonder. Hij had de aanleg twee jaar lang dag in dag uit gevolgd. Elke vrije minuut was hij op de bouwplaats; alle werklui kenden hem en hij mocht overal bij helpen. Mijn moeder kon hem vanuit huis goed in de gaten houden, want wij woonden in het allerlaatste huis aan de oostkant van Schellingwoude. Elke avond vertelde broerlief aan tafel wat de vorderingen waren. In het weekend bewaakten we (ik ook) samen met achterneef Jan Jong de brug. Jan was de wacht en leerde ons tussendoor klaverjassen.
Voorjaar 1957 werd er tussen ons huis en de brug in aanbouw een noodgebouwtje neergezet met een vlaggenmast ernaast. Het comité Schellingwouderbrug van dorpsnotabelen richtten in die keet een tentoonstelling in over de bouw (open zaterdagmiddag en zondag). Wij waren bij de eerste bezoekers. Albert kon binnen de kortste keren het hele verhaal vertellen.
Na twee weken rende hij voor de eerste keer op zaterdag na schooltijd (dat was toen nog van half negen tot twaalf uur) naar huis en werd zijn snoet gewassen, het haar netjes in de plooi gelegd, een schone korte broek en bloes aangetrokken, en daar ging hij, naar zijn werk. Als hij wat laat was (tijd voor een boterham had hij eigenlijk niet), kwam een comitélid hem roepen: “Kom nou, je moet de vlag hijsen.” De rest van het weekend gaf hij rondleidingen – brilletje op de punt van de neus, aanwijsstok in de hand. En wie het waagde om een parallelweg een koeienpaadje te noemen, werd terecht gewezen. Hij was best streng.
Gelukkig mocht hij later wel met het comité mee voor een bezoek aan de machinekamer van de brug. Onder schooltijd, dat mocht van juf! Zo kwam het toch nog goed.
Met ons huis ging het minder goed, want door het uitzuigen van het tracé met een cutterzuiger kwamen er enorme veenbulten omhoog, stond het erf vaak blank en verzakte het huis. Het verschil tussen de voor- en achterkant was twaalf centimeter. Wij vertrokken in 1967 naar het dorp en twee jaar later werd het oude huis afgebroken.
De brug, met in elke richting één rijstrook en aan weerskanten een fietspad, zat al in het eerste jaar regelmatig verstopt met verkeer. Zeker in de zomermaanden als er schepen doorheen moesten op weg naar de Oranjesluizen of richting IJsselmeer. Voor negenen ging de brug trouwens niet open. Dus moesten de laatste vissersschepen van het dorp (er waren nog vier IJsselmeervissers, onder wie mijn opa, vader en oom) worden ontdaan van de masten om voor dag en dauw te kunnen vertrekken naar zee. Dat was geen gezicht.

Alie Rommers-Jong