Mijn Amsterdam EXTRA: Oorlogsjaren in Nieuw-West

J. Verkruisen was tien jaar toen de Duitsers ons land binnenvielen. Vanaf driehoog in de Postjesbuurt, aan de stadsrand, was hij ooggetuige van de bombardementen op Schiphol.

(Dit verhaal werd niet eerder gepubliceerd.)

`Nieuw-West`, zo heette de buurt waar ik woonde destijds. In de Curaçaostraat. Achter de Postjeskade hield de wereld op. Vanaf driehoog kon je in de verte het sihouet van de Sint-Bavokerk in Haarlem zien. Schiphol was betrekkelijk dichtbij en dat hebben wij, in de meidagen van 1940, dan ook wel gemerkt. Op Amsterdam zelf zijn per saldo heel weinig bommen gevallen (en steeds bij – akelige – vergissing), maar het vliegveld was wel herhaaldelijk bewust doelwit; eerst van de Duitsers, later van de Engelsen. Voor een jongen van bijna tien jaar was de oorlog een opwindende tijd. Wij namen er dan ook actief aan deel. Overdag speelden wij oorlogje, in eindeloze varianten, op straat, voor en na schooltijd. `s Avonds in bed ging de een met een speelgoedvliegtuigje in zijn hand door de lucht, terwijl de ander dat met zijn zaklantaarn moest zien op te sporen teneinde het neer te kunnen schieten. Had je succes, dan werden de rollen verwisseld. Als zulke taferelen zich daadwerkelijk, buiten, afspeelden en het afweergeschut (overwegend rond Schiphol opgesteld) zijn geblaf liet horen, wisten wij, dat het de volgende ochtend granaatscherven zoeken betekende. Wie het vroegst buiten kwam vond de mooiste brokken. Eenmaal dreigde het mis te gaan. In de zomer van 1940 vonden er geregeld luchtgevechten boven en in de buurt van Nieuw West plaats, doordat Engelse vliegtuigen weer eens bommen op Schiphol, intussen in Fliegerhorst veranderd, probeerden te gooien en de Duitse jagers jacht op hen maakten. Bij zo`n gelegenheid moest een Engelsman, tijdens een nachtelijke aanval, boven de stad zijn brandbommen lozen, waarvan er één tegen het kozijn van onze voordeur aankwam. Die bom ketste terug en viel op het trottoir viel, waar zij, sissend, voortbrandde en een hel licht in de donkere nacht verspreidde. Het was of de voorkamer in lichterlaaie stond. `O jee, m`n goudvis`, was dan ook het eerste wat ik dacht, toen ik wakker werd, want het was nog niet precies tot mij doorgedrongen, wat er aan de hand was. Onze vader, die lid was van de bedrijfsluchtbescherming bij het GEB in de Tesselschadestraat, zou ons wel even laten zien hoe je zo`n varkentje moest wassen. Hij zag kans de inmiddels tot de helft verbrande helse machine naar de keuken te brengen en onder de kraan te blussen. Het ding heeft tot jaren na de oorlog deel uitgemaakt van de schoenendoos vol oorlogsparafernalia. In een periodieke opruimingsdrift, veel later, na de oorlog, heeft onze moeder al onze granaatscherven, distributiebonnen, winterhulpspeldjes en overige souvenirs in de vuilnisbak gedeponeerd. Mijn broer heeft mij nog geen half jaar geleden verteld dat het brandspoor op de betontegel nog steeds te zien zou zijn. Had hij gelijk? Gaat u maar kijken: Curaçaostraat 60 … Misschien stond het wel in verband met deze nacht (dat weet ik niet meer), maar op het Paramariboplein, niet ver weg dus, was een blindganger neergekomen. In dit geval echter betrof het een brisantbom, wel even wat linker dus. Die zou op zekere avond tot ontploffing gebracht worden. Alle buurtbewoners, zo ook wij, hadden het advies gekregen, alle ramen open te zetten, om te voorkomen dat het glas, als gevolg van de luchtdruk, zou springen. Over dit voorval is elders al eerder (zelfs in boekvorm) geschreven, dus dit zullen wij verder maar met rust laten. Dat Schiphol zo dichtbij lag kon je al merken aan het feit, dat er relatief veel luchtmachtpersoneel in de stad ingekwartierd was. Een gevolg was, dat schoolgebouwen tot kazerne getransformeerd werden. Dat lot trof ook de Hoofdwegschool, waar ik op zat; net als de belendende Corantijnschool en de tegenoverliggende Montessorischool. Wij werden ondergebracht in het (voorlopige) gebouw van de Pro Regeschool op het Surinameplein. Waar de hervormde kindertjes nu heen moesten, weet ik niet; we zaten elkaar in ieder geval niet in de weg. Het Surinameplein was destijds overigens een open vlakte, een prachtig voetbalveld voor de schooljeugd. Tramlijn 17 had hier haar eindpunt (`keerlus` in vakjargon). De lege boekjes van de tramkaartjes gooiden de conducteurs daar achteloos op de grond, in de wagen zelf of op het plein, waarschijnlijk in de wetenschap, dat het begeerde objecten voor ons waren; zo konden wij later, thuis, zelf ook voor conducteurtje spelen. Wij bleven, buiten schooltijd, niettemin op ons `eigen` schoolplein, in de Corantijnstraat spelen. Vóór het prachtige smeedijzeren hek met de gemetselde, centrale, zuil, waarop afbeeldingen uit de fabels van De la Fontaine in haut-reliëf gebeiteld stonden. Ik herinner mij de reiger, die probeerde soep uit een bord te eten. Waarom is dit schoons in godsnaam gesloopt en waar is het gebleven? Hetzelfde geldt voor de toenmalige ambachtsschool aan de Postjesweg. Ook hier is het schitterende hek gesloopt en daarmee het architectonische evenwicht van het gebouw om zeep gebracht; het staat er nu een beetje huiverend bij … Voor het hek van het scholenpaar in de Corantijnstraat stond in de oorlog een gewapende schildwacht. Vooral het periodieke aflossen van de wacht vonden wij prachtig om naar te kijken; dat ging heel Pruisisch, martiaal, met veel hakkengeklak. Soms werden wij, stiekem, terwijl de wacht schichtig achterom keek, gewenkt naderbij te komen. Dan haalde hij een bescheiden distributiebonkaart, tezamen met wat geld, uit zijn zak, en gebaarde, dat wij, bij de kruidenier om de hoek op de Hoofdweg, de aangegeven levensmiddelen moesten gaan kopen. Ik herinner mij dat dat doorgaans broodbeleg was. IJverig en rechtschapen als wij waren, holden wij daarop meteen naar de aangegeven winkel, waarna wij de goederen, net zo vlijtig, aan de man overhandigden. De beloning bestond, strijk en zet, uit een dubbeltje, een heel bedrag in die tijd. In de pruimentijd moesten wij naar de groenteboer op de Hoofdweg, hoek Marowijnestraat; voor pruimen dus, tegen eenzelfde beloning. Helaas, mijn vader kwam eens toevallig (?) langs, die mij meteen naar huis stuurde. Noch onderweg, noch thuis heeft hij iets gezegd. Maar ik voelde wel aan waar `m de schoen wrong – en de boodschap was duidelijk. Mijn moeder was milder. (Welke moeder niet?) Zij prentte haar beide kinderen in, dat zij nooit `lelijk` tegen de Duitse soldaten mochten doen. ‘Zij moeten ook – voor hun `nummer` -en waren liever bij hun moeder thuisgebleven …`, aldus haar levensles. Het brood (die typisch Duitse, compacte, zwarte broden) werd dagelijks door iemand van de Wehrmacht in een open, bespannen, wagen, in de Montessorischool bezorgd. Ik denk, dat de voerman zo een vast aantal adressen afwerkte. Politiek was taboe in die tijd, want je wist nooit, wie te vertrouwen was. Des te opmerkelijker dus, dat wij, kinderen, onbevangener waren. Mijn boezemvriendje, Rudi, met wie ik dan ook de schoolbank deelde, was het kind van een NSB`er uit de Van Walbeeckstraat. Wíj praatten wél over politiek. Toen wij samen eens over de Amstelveenseweg langs het Vondelpark liepen, ontspon zich tussen ons, jongetjes van elf, twaalf jaar, een heftige discussie naar aanleiding van het bord aan de ingang van het park, met de tekst: `Voor Joden verboden`. Maar het was evident, dat ieder zijn eigen vader napraatte – en zo hoort het ook. Minder evident maar des te ontroerender, was het feit, dat het dispuut niet tot verwijdering leidde, noch tot vervelende consequenties voor mijn vader! Ik vraag mij intussen af, wat wij daar op de Amstelveenseweg deden. Als wij naar het park gingen, gebeurde dat via het `Kattenlaantje` (Kattenlaan) op de Overtoom. Het zou best kunnen zijn, dat wij naar `Gebr.Winter`, onze favoriete zaak voor schrijf- en tekenspullen, verderop op de Amstelveenseweg, onderweg waren. Dat deze jongen het op school moeilijk gehad zou moeten hebben, zoals je in de oorlogsliteratuur nogal eens leest, daarvan heb ik niets bespeurd; integendeel, hij was een vrolijke, blijmoedige, knaap. Na de bevrijding daarentegen moet hij het niet makkelijk gekregen hebben – en dat is wel het laatste wat ik hem zou hebben gegund …

J. Verkruisen