De Kinkerbuurt vóór de Vooruitgang

2In de jaren vijftig was de Kinkerbuurt weliswaar verkrot, maar ook levendig en gemoedelijk, weet Hans Broekhuijsen (geb. 1945) nog goed.

De Kinkerstraat van de jaren vijftig heeft kleine woningen met grote gezinnen: heel veel babyboomertjes, ik ben er zelf een van. Ze leven opeengepakt in kleine kamertjes en slapen in opklapbedden. ’s Zomers hangen er vrouwen uit de ramen, ze zitten op hun knieën voor de lage vensterbank, een kussen als steuntje onder de armen zoals ook in de Jordaan de gewoonte is.

Ze roepen naar hun kinderen dat ze “motte uitkijke voor de tram die d’r ankomt” en dat ze “mekaar niet zo motte peste.” De winkels zijn nog niet van ketens, maar van hardwerkende middenstanders. Zoals de comestibleszaak van Koreman, waar mijn moeder bijna dagelijks komt voor broodbeleg: ontbijtspek, komijnekaas of gekookte worst, ’s winters zuurkool uit een houten vat. Er is de vishandel van Schindeler, waarboven in zo’n klein ‘revolutiebouw-driekamer-woninkje’ op driehoog mijn moeder in 1917 geboren werd. Met aan de overkant de bloemenwinkel van Grauw en daarnaast banketbakker Reijne, die eendeneieren verwerkte in z’n taarten en gebak.
Om de hoek, in de Lootsstraat werd ik geboren, een half jaar na de bevrijding. Het is maar een kort straatje, met twee ‘melkboeren’ (De Jong en Andringa) en de kolenhandel van Van Donselaar, die overigens ook ‘boer’ genoemd wordt, slager Berkhoff, met een mooie dochter, en bakker Blanke van wie de vrouw verre van blank is: ze kwam uit ‘Ons Indië’. Op de hoek van de Borgerstraat is een bakker die Bakker heet, de zaak ‘BBBB’. “Bakker Bakker bakt beter” of zo. Maar er gaan ook andere verklaringen rond voor die vier B’s: “bakt ze bruiner” wellicht, en natuurlijk iets met “blotebillenbrood” of wat ook maar in het brein van ons straatschoffies opkomt.
Op de hoek Lootsstraat/Kinkerstraat is “het kleine winkeltje” van Awick. Moeder koopt er al haar naaibenodigdheden, garen en naalden, breipennen, afzetband, knopen enz. Verderop in de Kinkerstraat zijn veel sigarenwinkels. Van der Werf in de bocht naar de Kinkerbrug, aan de overkant bij de hoek van de “Jan Piet”, zoals mijn vader zei (de Jan Pieter Heijestraat), een zaakje met automaten voor de ramen. Daar staat ’s avonds een man met een geldtas op z’n buik: hij wisselt als je geen muntgeld hebt. En daartussenin nóg een sigarenwinkeltje, waar een klein ‘eeuwig gasvlammetje’ brandde om meteen je net gekochte sigaar of sigaret aan te steken.
In de Ten Katestraat is de markt. Op zaterdagmiddag staat mijn neef Herman hier op de hoek van de Kinkerstraat en brengt De Waarheid aan de man. Hij is overtuigd communist. Moeder ook, maar iets minder overtuigd.
De andere kant op ligt aan het eind van de Kinkerstraat de Kostverlorenvaart, een drukke scheepvaartroute van het IJ naar het Nieuwe Meer en verder naar Zuid-Holland. In het najaar zien we er schepen met suikerbieten op weg naar de CSM-fabriek (Centrale Suiker Maatschappij) te Halfweg.
Mijn jonge jaren waren de wederopbouwjaren. Het was een tijd van optimisme en vooruitzien, van op naar een betere toekomst en nooit meer oorlog – maar ook van het afscheid van de Kinkerbuurt zoals die was.

Hans Broekhuijsen

Juni 2010