Dick Bos en Glenn Miller in de Roerstraat

OAM_11_2010-cover-145x212Elf jaar oud verhuisde Martin Koomen van Schiedam naar Amsterdam-Zuid. Dat was erg wennen. Maar mede dankzij de voormalige juf van Anne Frank wist hij zijn draai te vinden.

Eind 1950 kwam ik met mijn ouders, broer en zus op Roerstraat 73, tweehoog wonen. De herinnering aan de bezettingstijd was nog heel levendig. De Rivierenbuurt was een van de drie joodse wijken en iedereen wist precies wie er ‘fout’ was geweest. Betrof het winkeliers, dan kochten we daar niets.


Mijn ouders – vader was journalist – hadden hun vroegere huis in Schiedam geruild met de vorige bewoners van deze woning. Vóór zijn vertrek leidde de heer des huizes vader rond. Mijn broertje en ik scharrelden mee. “En nu heb ik nog iets bijzonders”, zei meneer Van der Zwaan. “Hier in de kast. Kijk.” Hij trok de deur van een muurkast open, hurkte neer en toonde hoe je enkele vloerplanken kon verleggen, waardoor onderin de kast een gapende opening ontstond. “Om in onder te duiken, als er weer oorlog komt.” Mijn broer Robbie, twee jaar ouder en bijdehanter dan ik, maakte al aanstalten zich in het gat te laten zakken, maar dit werd hem verboden. Later gebruikte ik het schuilhol als onderkomen van een pluchen ezel die Pollie heette.
Aanvankelijk hadden Robbie en ik enige moeite ons thuis te voelen in Amsterdam, waar de mensen deftiger praatten dan in Schiedam. Kaakjes heetten hier ‘biscuitjes’ en kroten waren ‘bietjes’. Het was erg wennen op onze nieuwe scholen. Tijdens een korte periode als leerling van de Vondelschool (Jekerstraat) lag ik veelal thuis ziek. Op de sofa droomde ik weg bij het geroep van straatverkopers. Het ijscomannetje liet de s-klank achterwege: “IJ met gokolade! Vami-roomij! De verkoper van hoedendozen schreeuwde drie keer crescendo de naam uit, gevolgd door “in alle maten!” En er was de scharensliep.
Na enige tijd belandde ik in de Niersstraat op de Montessorischool in de klas van mevrouw Kuperus. Ze was eerder de onderwijzeres van Anne Frank en komt voor in Anne’s dagboek. Daar ging het veel beter, zodat mijn raadselachtige buikpijnen verdwenen. Met andere kinderen uit de buurt trokken we vaak naar ‘het landje’, een groot en leeg terrein op wat toen het Scheldeplein was (nu het Europaplein).
In de Roerstraat woonde schuin beneden ons de acteur Rob de Vries, die bij het verzet was geweest en later in de film De overval alles nog eens overdeed. Wij kinderen vonden hem een Held. Mijn rode vader waarschijnlijk ook. Op 1 mei kocht vader onveranderlijk een rode tulp voor in zijn knoopsgat bij een kraam in de Churchilllaan, naast de kiosk waar wij Dick Bos-boekjes aanschaften.
Schuin boven ons woonde Frits Braakensiek, familie van de beroemde tekenaar. Frits leende ons grammofoonplaten van het toen nog steeds populaire Glenn Miller-orkest. De moeilijke eerste maten van In the Mood werden het herkenningsfluitje waarmee wij onze komst bij het huis van kameraden aankondigden.
Ik had uiteindelijk een plezierige jeugd in de Rivierenbuurt. Pas heel veel later kwam ik er via de website joodsmonument.nl achter dat vóór de oorlog in onze Roerstraat zo ongeveer huis aan huis joden woonden. Verreweg de meesten zijn door de Duitsers ‘opgehaald’, zoals de ellendige term luidt. Dat was een ontdekking die mij behoorlijk schokte.

Martin Koomen
November-December 2010