Zwemmen in het Sportfondsenbad

Zwemles in het Sportfondsenbad
Willy van der Plas–Gerritzen (geb. 1936) woonde met haar ouders, broertje en zusje tot 1948 aan de rand van de Transvaalbuurt. Om precies te zijn: Linnaeusstraat 215 driehoog, tegenover de Pretoriusstraat. In 1999 schreef zij haar jeugdherinneringen op, onder meer over het zwembad achter haar huis.

Bij ons achter het huizenblok was het Sportfondsenbad–Oost, dat bestaat nu nog. Badmeester De Vries was een aardige, donkere en knappe man, altijd een lachend gezicht en lief voor ons toch wel bange kinderen, niet wetend wat ons te wachten stond. Ik kreeg zwemles toen ik vijf jaar was, samen met mijn nichtje Liesje.
Pappa ging elke ochtend mee, we waren de eersten voor de les van zeven uur, voordat we naar school gingen, dus. De griezelig haak die door bandjes van achteren door m’n zwempak werd gestoken, het steeds weer scheef liggen in het water, als de dood om te zinken, de koude kurken naderhand, wanneer je al wat verder was, om je lijf. Soms mocht er één kurk af van de vijf waarmee je begon totdat er geen een meer overbleef. Dan het moment van ‘zonder iets te water’.  De bodem die zo diep en ver weg was, de angst om daar te komen liggen!
Het afzwemfeest kwam snel. Er werd in die tijd een feestelijk programma van gemaakt, waarbij de ouders en familieleden op de tribunes het afzwemgroepje konden gadeslaan. Het was niet zomaar laten zien wat je kon, na afloop was er ook het verplicht gekostumeerd theater: prachtig!
Thuis ging dan de lappenmand open, er werd iets voor je gemaakt. Mamma naaide een zigeunerpakje voor me in elkaar. Een jakje en rok met bellen en kwastje, grote gordijnringen met lusjes aan m’n oren, wat lippenstift en rode wangetjes. Voor Liesje was de keuze gevallen op wat overgebleven witte gordijnstof, van dat dunne spul, waarvan mama een beeldend jurkje naaide, want ze werd elfje. Vleugeltjes van papier en ene kroontje op haar hoofd. Wat een werk voor een kort moment!
Bij het te water springen gebeurde natuurlijk wat je kon verwachte: Liesjes vleugeltjes dreven alras ergens anders, haar bolle rokje zat over haar gezichtje en er moest hulp komen, want ze kon geen meter meer vooruit. Groot gelach op de tribune: dat was nog eens leuk! We hadden in ieder geval diploma A op zak.
Op mijn zwempak had mama goedbedoeld de letters W.G. geborduurd: Willy Gerritzen. Die G werd al gauw een C, misschien omdat hetniet goed had afgehecht. W.C. stond er nu op mijn borst – vreselijk. M’n vriendinnetjes vroegen me waar het toilet was! De volgende dag kreeg ik natuurlijk een nieuw zwempakje, na het hele relaas verteld te hebben.
Er waren twee zwemclubs in het Sportfondsenbad–Oost. Het Y  en De Meeuwen. Grote rivalen. Nel van Vliet, een bekend zwemster uit die tijd, woonde bij ons om de hoek. Harry Vriend, later sportverslaggever van waterpolowedstrijden, zat bij me in de klas. Zijn vader had een slager in de Pretoriusstraat.

UIT: WILLY VAN DER PLAS, HERINNERINGEN AAN MIJN JEUGD. AMSTERDAM–OOST, 1939-1948, 1999.