Zaanstraat. Welzalig hij, die in der bozen raad'

Henny (vroeger Heintje) IJlst (1941) groeide op in de Zaanstraat in een gereformeerd gezin met elf kinderen.  ‘Gereformeerd-vrijgemaakt’ om precies te zijn – nog veel strenger in de leer dan ‘gewone’ gereformeerden.  Maar ja, op straat waren de goddelozen niet te ontwijken.


Ik groeide op in een ‘vrijgemaakt’ gezin. Dat betekende dat mijn vader en moeder in 1944 de gereformeerde kerk hadden verlaten. Dat gebeurde onder leiding van dominee Klaas Schilder, hoogleraar aan de theologische hogeschool in Kampen.
De scheuring gaf verdriet in vele families, velen bleven gewoon gereformeerd. Wij noemden hen synodaal. Vrijgemaakten waren overtuigd van hun geloofsgelijk. Ook bij ons thuis was dat zo. Tegen mijn vriendinnetje, dat synodaal was, zei ik: “Je moet aan je vader of moeder vragen of je ook vrijgemaakt wordt, anders kom je niet in de hemel…”
In onze buurt woonden bijna uitsluitend protestanten. Achter ons was een blok huizen met communisten, daarnaast een blok roomsen. Regelmatig vochten deze groepen met elkaar. Als wij naar school gingen, liepen wij veilig aan de rechterkant van de weg en de roomsen aan de linkerkant. Wanneer de communisten met de roomsen ruzie hadden, hielpen wij de roomsen. Dat was wederzijds. De communisten moesten hun eigen boontjes doppen. Dat konden ze heel goed.
Zondags trokken wij op! Dan liepen wij protestanten de lange straat uit om ter kerke te gaan. Al was het niet allemaal naar dezelfde… Onderweg kwamen wij de roomsen tegen. Zij waren naar de vroegmis geweest en hadden de hele dag nog voor zich. Velen van hen gingen net als de ‘rooien’ naar DWS om voetbal te kijken. Daar speelde ook Tonny Bruins Slot, onze buurman. Vaak heb ik op zijn zoontje Tonny gepast, die later de assistent werd van Johan Cruijff.
Er woonden in onze ‘Patrimoniumwijk’ veel gereformeerden van allerlei soort. Wij vrijgemaakten werden natuurlijk ‘de vromen’ genoemd. Maar allemaal spraken we dezelfde taal, de tale Kanaäns: goed is goed en kwaad is kwaad. Wij ‘vromen’ waren streng voor onszelf en voor anderen. Als iemand vroeg waar je woonde, kon het heel goed gebeuren dat je zei: “Zaanstraat. Welzalig hij, die in der bozen raad.” [Psalm 1, vers 1 uit het Boek der Psalmen – red.]. Die ander wist dan dat je op nummer 1 woonde. Die psalmen kenden wij goed, want iedere maandagochtend moest je voor de klas een psalmversje opzeggen.
In onze ogen leefden de roomsen er maar op los. Ze gingen naar de bioscoop en dansten en een leugentje om bestwil was geen zonde. Ze hadden immers de biecht, dan waren ze weer van alles af. Anders dan wij hadden ze dus geen last van schuldgevoelens, althans dat dachten wij. De rooien waren ook streng en vooral bezig met de ‘waarheid’. Zo heette zelfs hun lijfblad. Net als bij ons stond het woord rechtvaardigheid hoog in hun vaandel geschreven; ze kwamen op voor de kleine man.
Is het toeval dat in de oorlog communisten en gereformeerden elkaar in het verzet vonden?

UIT: HENNY IJLST, HEINTJE VERTELT. TE KOOP (VOOR € 18,95) IN O.A. DE STADSBOEKWINKEL (VIJZELSTRAAT 32) OF VIA INTERNET BIJ UITGEVERIJ TOTEMBOEK.