Duitse koe op Joodse begraafplaats Zeeburg

Wil Wickel (1923) kwam als jonge ventje in de jaren twintig met zijn moeder en broer vanuit Berlijn naar Amsterdam. Hun eerste vaste adres was in de Indische Buurt, anderhalf kamertje in onderhuur, vlakbij het ‘Jodenmanussie’, de Joodse begraafplaats.
Zijn herinneringen hieraan zijn opgetekend door Frits Slicht in Verteld om niet te vergeten.

Er stond een hek bij de ingang van het Jodenmanussie aan de Zeeburgerdijk. Je kon niet zomaar naar binnen lopen. Je moest je bij het huis van de beheerder melden. Het toegangshek was ruim genoeg voor een paard en rijtuig. Daarna werd bij een begrafenis de overledene verder gedragen, over het verharde gedeelte, een smal klinkerpad.
’s Winters, als het maar een beetje bevroren had, kon je trouwens gewoon over het ijs van de slootjes die om de begraafplaats liepen, de begraafplaats oplopen. Als de waterstand erg laag was, kon dat ook. Je sprong dan eenvoudig over het slootje.
Overigens bevroor het ijs in die slootjes maar moeilijk. Ik weet niet waarom dat zo was. Het ijs zag er altijd wat smoezelig uit. Voor anderen, voor een bepaald soort mensen, hing er een soort cowboyachtige sfeer. Dat hing waarschijnlijk samen met het feit dat je je op het terrein van de begraafplaats achter de grafzerken kon verschuilen. Al waren er in de periode kort voor de oorlog niet zo veel grafzerken meer zichtbaar.
Met de tijd waren de meeste grafstenen omgevallen of weggezakt in de zachte veenbodem. Die grafstenen waren van een soort hardsteen en soms van marmer. Er waren trouwens ook veel houten grafmonumenten, gemaakt naar het voorbeeld van stenen zerken. Die zijn allemaal verrot of vermolmd. Ik heb die eigenlijk nooit zo goed kunnen bekijken. Ik heb dat niet gewild ook trouwens, zoveel interesse had ik er nu ook weer niet voor.
Er werd gespeeld door de kinderen uit de buurt, maar je moet het niet overdrijven. Natuurlijk heb ik ze ook wel zien rotzooien met boeken die door het grondwater omhoog waren gedrukt. Misschien dat de bemaling toen niet optimaal was of het was een natte periode.
Toen we in 1937 naar het Javaplantsoen waren verhuisd, heb ik meerdere Joodse begrafenissen gezien, grote en kleine. We hadden ‘directe smoel’ op een flink deel van de begraafplaats. Voorop de dragers met de kist, daarachter de begrafenisstoet. Echt grote groepen waren het nooit. Voor de oorlog waren er trouwens al niet veel begrafenissen meer.
Dat kwam ook omdat veel Joden het langzamerhand wat beter kregen. Deze begraafplaats bij Zeeburg was toch vooral een begraafplaats voor de armen. De wat beter gesitueerde Joden gingen voor een begrafenis naar Muiderberg of Diemen. Wat ook meespeelde is dat de begraafplaats praktisch vol was. De enkele begrafenis die er nog was, moet haast wel van een ‘mesjoggene’ zijn geweest.
Van bewoners op de Kramatweg heb ik een bijzonder verhaal gehoord over een Rijksduitser (die hier al vóór de oorlog woonde) die tijdens de bezetting een koe op de begraafplaats zou hebben gehad. Ik heb het niet ogen gezien, want ik was eind 1942 op gewelddadige wijze op mijn werk opgepakt en op transport gesteld naar Duitsland. Dat was in de nasleep van de Februaristaking van 1941. Ik werd als ‘zijnde medeplichtig’ opgepakt.
Deze Duitser liet de koe op het middengedeelte grazen. Hij moet de sleutels hebben gehad van de hekken, waar volgens mij het Hekkepoortje is gebouwd (op 27 augustus 1938, red.). Die koe is toen door buurtbewoners gestolen, illegaal geslacht en onder de deelnemers verdeeld. Mijn stiefvader (inmiddels was mijn moeder hertrouwd) heeft in dit verhaal ook zijn aandeel geleverd. Ik draag zijn achternaam. Mijn echte naam was Pools-Joods. Zonder zijn naam had ik de oorlog waarschijnlijk niet overleefd.

UIT: VERTELD OM NIET TE VERGETEN. HERINNERINGEN AAN JOODSE BEWONERS VAN AMSTERDAM-OOST/TRANSVAALBUURT, FRITS SLICHT, 2014.
OOK VERSCHEEN VORIG JAAR ZEEBURG. GESCHIEDENIS VAN EEN JOODSE BEGRAAFPLAATS 1714-2014 DOOR BART WALLET.