De allerlaatste rit van lijn 25

Op 15 december 2013 was Ulli d’Oliveira (1933; oud-hoogleraar migratierecht UvA; oud-redacteur Propria Cures en Tirade) getuige van een Historisch Moment: de allerlaatste rit van tram 25. Oude herinneringen kwamen boven.

Op het Stationsplein word ik opeens een tijdmachine in gesleurd: een heel oude uitvoering van lijn 25 sukkelt naderbij. Vandaag is de laatste dag dat hij zal rijden – opgeofferd aan de fata morgana van de Noord/Zuidlijn. Lijn 25 was eigenlijk zelf ruim 80 jaar de Noord/Zuidlijn, van het CS naar de Rivierenbuurt.
In mij staat een stout jongetje op. Ik moet en zal op die laatste rit zwartrijden, net als in de jaren veertig. Ik ga zitten op het stalen achterbumpertje van de bijwagen, zoek houvast aan de klep van de rode brievenbus. Laat me een stukje voortrijden, tot ik eraf hups. Zo reed ik indertijd vorstelijk vanaf het Daniël Willinkplein vlakbij de Wolkenkrabber naar school. Eerst tot de Maasstraat naar de Dintelschool. Daar was mijn Meerhuizenschool ingekwartierd, omdat die omstreeks 1943 gevorderd was door de Wehrmacht. Na de oorlog een halte verder, naar het Vossius Gymnasium tot de halte Scheldestraat, waar de tram naar het noorden afboog. Laatste stukje hollen, want ik was altijd laat.
Lijn 25 was nuttig, maar gevaarlijk. Het type dat in de oorlog reed had een bijwagen met verlaagd middenbalkon. Aan de zijkanten daarvan klapdeuren met aan de buitenkant een hekje, om te zorgen dat de passagiers niet aan de verkeerde kant uitstapten. Ideaal om je aan vast te houden bij het meeliften.
Op een keer stond ik daar met Sjorsie Smit, een uit de kluiten gewassen klasgenoot, die niet alleen ouder en dommer was dan ik, maar bovendien lid van de Jeugdstorm. Regelmatig verscheen hij in uniform in de klas en zó ging hij zelfs eens in gevecht met de meester. Dat gaf hem een op angst gebouwde status. De verhoudingen raakten zoek, maar dat kenden we eigenlijk al uit de grotere wereld.
De tram was in volle vaart tussen Waalstraat en Rijnstraat toen de conducteur ons ontdekte en de klapdeuren opende. Sjors sprong van de tram – dacht hij. Zijn hand bleef tussen twee spijlen steken en zo werd hij meegesleurd. Ik maakte zijn hand los. Hij verdween naast de tramrails uit het zicht. De conducteur keek mij verbouwereerd en sprakeloos aan. Bij de halte stapte ik af en keerde terug naar mijn lichtgehavende klasgenoot.
Een paar jaar later was ik aan de beurt. Op de Churchilllaan was de verkeerssituatie destijds nogal onoverzichtelijk. Terwijl ik fietsend overstak, zag ik opeens uit mijn rechterooghoek lijn 25 in volle vaart. Ik trapte in een reflex keihard op de pedaal en dook over mijn fiets heen. Een salto vitale. De fiets werd verfrommeld, ik was puntgaaf gebleven. Ik heb, denk ik nu triomfantelijk, lijn 25 zeker twee keer overleefd. Zal ik de nieuwe Noord/Zuidlijn nog beleven?