Met opa door het Rijksmuseum

Als scholiere leerde Wil van Raalte (geboren 1940) het Rijksmuseum van buiten én van binnen kennen. Want haar opa was er suppoost.

Over het heropende Rijksmuseum en zijn onderdoorgang raken de kranten maar niet uitgeschreven. Herinneringen uit mijn jeugd in Amsterdam komen dan steeds boven, de ene na de andere.
In mijn schooljaren vanaf 1946 ben ik duizenden keren via de museumtuin of onder het museum door gegaan. Jaar in, jaar uit, vanaf ons huis op de Vijzelgracht naar de Van der Veldestraat en de Jan Luijkenstraat, waar mijn school (het protestantse Instituut Schreuder) zijn beide vestigingen had.
Mijn opa (Jaap Keizer) was na zijn pensioen als suppoost aan de slag gegaan in het Rijksmuseum. Oorspronkelijk was hij politieagent in Amsterdam. Tussen de middag kon ik hem altijd even gedag zeggen, omdat er dan geluncht werd in de kantine onder het museum, grenzend aan de tuin aan de westzijde. Allemaal oude mannen in uniform, die lachend zwaaiden en mijn opa erop attent maakten dat zijn kleindochter achter het raam stond. Daarna nam ik de trap in de tuin naar boven.
Als het niet druk was in het museum, mocht ik met hem mee naar binnen: poppenhuizen bekijken, de pracht en praal van de Amsterdamse grachtenhuizen. Of hij leidde mij door de enorme zalen met veel donkere schilderijen uit vervlogen tijden. Toen zeiden ze me niet nog niet zo veel.
De vijver aan de voorzijde kant oefende altijd aantrekkingskracht op me uit, vooral als het gevroren had. Dan kon ik niet zien of het ijs al een beetje hield. Even proberen! Dat duurde totdat ik een keer zo vreselijk was uitgegleden dat ik een fikse hersenschudding opliep. De weg onder het museum door was spannend. Donker, met zo nu en dan een fietser. Mijn vriendinnetjes en ik meenden altijd ‘enge mannen’ te zien. Op een dag liep er werkelijk een zogeheten potloodventer. Aan de kant van de kantine was onder het museum ook een klein politiebureautje gevestigd. Daar gingen wij schuchter en lacherig naartoe om dit te vertellen. Of er iets mee gedaan is, weet ik niet meer.
Na mijn schooltijd (in 1956 deed ik eindexamen; mijn opa was inmiddels definitief gepensioneerd) ben ik niet zo vaak meer naar het Rijksmuseum geweest. Ik was inmiddels elders in het land gaan wonen en andere dingen eisten mijn aandacht op. Of mijn regelmatige jeugdige bezoek aan het museum veel heeft bijgedragen aan mijn interesse in schilderijen, architectuur en kunst in het algemeen, durf ik niet al te stellig te zeggen. Maar het zal vast wel mijn drempelvrees verminderd hebben. Het heeft er ongetwijfeld toe bijgedragen dat ik graag en veel in musea vertoef.
Als de stormloop op het nieuwe Rijksmuseum wat is geluwd, kom ik zeker weer naar Amsterdam om op m’n gemak alle pracht en praal van het verbouwde museum te bekijken. Dat zal de moeite waard zijn, dat weet ik zeker. En in mijn gedachten zal mijn opa naast mij lopen.

Wil Wolf-Van Raalte
Februari 2014