Opkrabbelen in de Weesperstraat

Annie Zwart was zes jaar, toen haar ouders in oktober 1944 hun groentewinkel van Oostenburg verplaatsten naar de Weesperstraat, waar ‘door omstandigheden’ veel meer ruimte was. Er hing daar een nogal onwezenlijke sfeer.

De oorlog was afgelopen, maar de winkels waren nog leeg. Ik woonde in de Weesperstraat op nummer 14, waar mijn ouders een groentewinkel hadden. Daar was vroeger de bakkerij van de familie Vuijsje. Het huis was helemaal leeggehaald. Er stond niets meer. Wel dacht ik zelf soms: misschien zit er een schat onder de trap! Maar dat was niet zo.
Er heerste nog grote schaarste, dus als er zowaar weer een portie aardappelen of groenten binnenkwam, mochten er maar drie klanten tegelijk naar binnen. Buiten stond een lange rij. Zo kon mijn vader goed overzicht houden of er niets gepikt werd.
De mensen waren heel mager en hadden oude kleren aan, na de Hongerwinter. Mijn moeder schilde elke dag aardappels, een zinken emmer vol, en daar stampte ze wat rode of witte kool doorheen. Het totaal werd op een potkachel achter de winkel gekookt. Ome Kok, de oude winkelbediende, en een paar andere oudjes mochten mee eten.
Na een paar maanden begon er weer fruit te komen: manden met aardbeien of kersen. Er was nog geen pakpapier, dus de klanten kwamen met emmers voor de aardappels en groenten en schaaltjes voor het zachte fruit.
Ook begonnen de weinige Joodse oud-bewoners die de oorlog hadden overleefd terug te komen in de straat. Vaak waren hun winkels en huizen inmiddels verhuurd aan niet-Joden. Die hadden ook de achtergelaten kasten en vloerkleden in gebruik genomen en soms weigerden ze die terug te geven.
Toen de Joodse kinderen terugkwamen van hun onderduikadressen was er geen Joodse school. Alle kinderen uit de buurt gingen nu naar de Frederiksschool op het Weesperplein. Die was veel te klein. Zelf ging ik half augustus naar de eerste klas: we zaten met zijn drieën in de bank. We hadden 54 kinderen in de klas. Mijn klasgenootjes zagen er nog erg slonzig uit, met kleding die niet paste en soms zelfs verschillende schoenen.
Over de oorlog werd nauwelijks gesproken door de kinderen. Soms onder het spelen door zei Clara wel dat ze haar moeder miste. Die was omgekomen in het concentratiekamp. Dan zei je: “Zielig, hè?” en ging je weer door met touwtjespringen of knikkeren.
Jopie Kuiper was mijn vriendin. Kuiper was de naam van haar pleegouders,die dachten dat zij niet wist dat ze aangenomen was. Maar Jopie vertelde ons op school dat ze toen ze klein was op een avond in een zak was gestopt en naar de buren was gebracht. En ze wist dat ze ook nog een babybroertje had. Maar daarover durfde ze bij haar nieuwe thuis niet te praten.
Toen mijn moeder een tekening zag van een concentratiekamp, met uitgemergelde mensen in drie stapelbedden boven elkaar met mensen erin, kon ze niet geloven dat het zo erg was geweest. Niemand praatte daarover.

Annie Claassen-Zwart
Juni 2013