Bekakt jongetje op de Wallen

Friso Henstra (1928), nu een gelauwerd illustrator, verhuisde vlak voor de oorlog van Zuid naar de rosse buurt. Dat was wel even wennen…

In 1938 verhuisden wij van Amsterdam-Zuid naar de Wallen. Een hele verandering! Zuid was doorgaans stil en uitgestorven. Vooral als de scholen ‘aan’ waren. Dan gebeurde er helemaal niks op straat. Hoogstens was ergens in een zijstraat het droeve geluid van een trombone te zien of zag men een schaduw van de snoepman.
De snoepman zei nooit iets; ik heb hem zelfs nooit iets zien verkopen. Stil ging hij door de straten. Hij keek niet links, hij keek niet rechts. Hij reed op een driewieler met slappe veren. De driewieler was net iets breder dan een bakfiets. Hij was een heer en droeg boven zijn kostuum een hoed met een spekrandje. Alleen een witje jasje verried dat hij een kleine neringdoende was. Achter zijn rug had hij op de bagagedrager een wit kastje met ruitjes. Daar zaten de duurdere snoepartikelen in, zoals oranje koningsbrood met kokos. Aan de voorkant was een glazen kast met allerlei zaligheden voor slechts een halve tot twee cent.
In onze nieuwe buurt was heel wat meer te beleven. Ik kwam als bekakt jongetje op de Oudezijds Voorburgwal terecht, midden in de warme buurt. Ik viel meteen op door mijn kleding. Mijn schoenen glommen, ik had geblokte kousen met een groen kwastje en droeg een rijbroek. Mijn stropdas was gehaakt.
De eerste dag al had ik twee jouwende schoffies achter me aan. Gelukkig was ik dicht bij mijn nieuwe huis en kon ik tijdig naar binnen glippen. Maar de volgende dag was het weer raak, opnieuw dicht bij huis.
Ons huis had een gebeeldhouwde groene deur. Die was loodzwaar: ze ging net zo makkelijk open als een sluisdeur. Beneden was een groothandel in schoenen en om de cliëntèle te gerieven had men hoog in de deursponning een leren kussentje opgehangen zodat de deur niet in het slot kon vallen. Achter de deur lag een koele, hoge marmeren gang. Op het plafond waren ooit cherubijnen aan het stoeien, maar door het veelvuldig witten waren het nu onduidelijke knollen.
Ik waande me veilig in die gang, maar op dat kussentje had ik niet gerekend. De twee jongens kwamen achter me aan de gang in en riepen: “We moeten jou nog hebben van gisteren!” Ik werd in mijn eigen gang afgetuigd. Een soort inwijdingsrite.
Bij ons om de hoek woonde in de Stoofsteeg een deftige hoer. Eigenlijk waren alle hoeren deftig. Ze droegen een lange pyjama en rookten vaak een sigaret uit een pijpje. Die in de Stoofsteeg droeg een zijden pyjama en had nota bene een klein handwerkje op schoot. Naast haar stond een kleine schemerlamp, waar een pierrot tegenaan leunde. Het bezoek bestond vooral uit heren die een hoed droegen. Ze kwamen aan het einde van de middag aangesneld. Schichtig vonden ze via de Warmoesstraat en de Sint Jansstraat de krocht van de Stoofsteeg.
Ik denk nu dat het tijdstip van die bezoeken iets met de beurstijden te maken had. Hoe dan ook: zij was een gravin die een kusje verkocht voor een kwartje. Toen kwam de oorlog en veranderde alles.