'Die verhalen hang je thuis maar op!'

Kunstschilder Henk Huig (1934), die al eerder tragikomische oorlogsherinneringen inzond, herinnert zich nóg een navrant verhaal over zijn schooljaren in Amsterdam-Oost tijdens de oorlogsjaren. Over een gekrenkte Duitse soldaat, geschrokken schooljongens en een bange bovenmeester.

In 1944 zat ik op de Lorentzschool in de Copernicusstraat in de Watergraafsmeer. Een solide roodstenen gebouw, waar ook de Van der Waalsschool gevestigd was. Later werd het vervangen door het lelijke witte moderne gebouw dat er nu nog staat, meer een badhuis dan een school. 
Ons schoolhoofd mijnheer Hovink – hij verving de door ziekte getroffen meester Zwart – had ons zojuist toestemming gegeven om de school te verlaten. Het luchtalarm was net afgelopen. Zoals voorgeschreven waren wij tussen de jassen aan de kapstokken in de gang gaan schuilen tegen eventueel rondvliegende granaatscherven. Baldadig geworden na het gedwongen hurken, renden wij de straat op om naar huis te gaan. 
De meeste kinderen van onze klas kwamen uit de onmiddellijke omgeving (de Watergraafsmeer), maar enkelen, zoals ik, woonden in de Indische Buurt. Lawaaimakend en kletsend liepen wij onder het spoorwegviaduct door de Molukkenstraat in, over het kale stuk naar de brug over de Ringvaart. Rechts in de diepte lagen verwaarloosde volkstuinen en links was een driehoekige onbebouwde stuk land verworden tot een smeulende en stinkende vuilnisbelt. Daar probeerden wij soms met een katapult kraaien te schieten ter aanvulling op de dunne volksgaarkeukensoep. 
Omkijkend zagen wij op het viaduct waar wij zojuist onderdoor waren gelopen een Duitse soldaat. Hij stond op wacht, met het geweer over de schouder, en keek ons na. Overmoedig geworden door de afstand van zo’n 150 meter, trokken wij lange neuzen en maakten potsierlijke sprongen in zijn richting. Alweer snel afgeleid, liepen wij lawaaiïg verder. 
Plotseling uitte Jopie Eychelberg een kreet, gevolgd door een krachtige vloek. Die was voor mij bedoeld. Ik liep vlak achter hem en hij dacht dat ik hem een schop tegen zijn dijbeen had gegeven. Maar hij bloedde! De soldaat op het viaduct was verdwenen. Wij liepen bleekjes naar huis. Jopie hinkte met zijn hand op de wond de Sumatrastraat in. 
De volgende dag in de klas toonde Jopie, met een verband om zijn dijbeen en luidruchtig door ons omringd, triomfantelijk de door de huisdokter verwijderde geweerkogel aan meester Hovink. Kribbig vroeg die wat er was. Zenuwachtig lachend, begon Jopie over de kogel in zijn been. Wij reageerden met verontwaardigde uitroepen over de laffe daad. Dat maakte Hovink kennelijk nerveus. Niet zonder reden, bedenk ik nu: wij hadden namelijk een kind uit een beruchte SS-familie in onze klas. Tot onze verontwaardiging viel de meester uit: “Die verhalen hang je thuis maar op, hoor je! Of er al niet genoeg ellende is!” Verbijsterd moesten we toezien dat hij Jopie de hoek instuurde met de dreiging van erger als het niet uít was met die vervelende grappen.
Sprakeloos gingen wij zitten. En de Watergraafsmeerse meisjes in de klas smaalden: “Die jongens uit de Indische Buurt ook altijd!” 

Henk Huig
Mei 2013