Het gebeurde heel dichtbij

Willem Pieneman, geboren in 1941, heeft nog talloze eigen herinneringen aan zijn jeugd in de oostelijke binnenstad. Maar één pijnlijke gebeurtenis uit zijn vroegste jaren hoorde hij pas veel later.

In de Stads-Rietlanden, omgeven door rangeerterreinen en kolenloodsen, stonden in 1941 zo’n twaalf houten huisjes voor arbeiders die bij de spoorwegen werkten. Mijn vader was rijtuigpoetser en woonde op nummer 57. Daar ben ik geboren. Mijn opoe uit Baambrugge was de vroedvrouw en twee maanden later ben ik gedoopt in de Oosterkerk. In mijn herinnering was het rond die huisjes erg smerig: overal lag kolengruis en afval. Maar fijn spelen kon je er wel.
Nadat wij naar de Nieuwe Achtergracht verhuisden, konden we gelukkig nog wel op sommige zondagen naar een oom en tante die in de Rietlanden waren achtergebleven: ‘diefie-met-verlos’, veel voetballen in onze OVVO-outfit en daarna heel erg vies weer terugfietsen via Van Gend & Loos, de molen, de Oranje-Nassaukazerne, Valckenierstraat en Roetersstraat. Schoon werden we weer zittend op het aanrecht, met onze voeten in de gootsteen in een sopje van Sunlight-zeep.
Dat was op nummer 148 eenhoog van de Nieuwe Achtergracht, onze tweede woning op die gracht: over de eerste dadelijk meer. We woonden boven een kruidenier (Karlsbeek), maar daar waren we geen klant; moeder ging liever naar de VANA op de Plantage Middenlaan, een paar huizen verder dan de Hollandsche Schouwburg.
Op onze Nieuwe Achtergracht was ook het Leger des Heils, waar ik tafeltenniste en cornet leerde spelen. Als je ’s winters over de gracht schaatste, moest je uitkijken voor de wakken. Door de kleine raampjes van het souterrain zag je de diamantslijpers aan het werk in hun fabrieken.
Ook aan de Roetersstraat heb ik veel herinneringen: het koffiehuis, de tramremise, de bakfietsenverhuurder, de melkwinkel. En natuurlijk aan de Lepelstraat: daar woonde mijn eerste vriendinnetje. Dat was een straat waarvan de bewoners beneden onze stand waren – dat vonden althans de mensen van de gracht. Er woonden veel joden in de buurt. Op zaterdag (hun rustdag) deden we bij onze joodse buren de lichten aan en uit. En op zondag gingen we naar de kosjere bakker in de Weesperstraat.
Bovenstaande flarden, die ik als 67-jarige reeds lang geëmigreerde Amsterdammer uit mijn geheugen peur, worden overschaduwd door een veel latere ervaring. Ongeveer vijftien of twintig jaar geleden, tijdens familiebezoek in Canada, lieten twee oudere nichten, die tijdens en vlak na de oorlog verpleegster waren in Amsterdam, me erg schrikken.
Ze hadden in de oorlog geholpen bij onze verhuizing van de Rietlanden naar ons eerste huis op de Nieuwe Achtergracht (154, dus) en zij herinnerden zich dat zij samen met mijn ouders op de walkant meubels hadden verbrand, opdat de woning betrokken kon worden, “want ‘ze’ kwamen toch niet meer terug.” Ik was verbijsterd. Ik wist natuurlijk dat dit soort dingen gebeurd waren, ik had gelezen over ‘pulsen’ en roof van joods bezit. Maar zo dichtbij, dat had ik nooit gedacht, niet door mijn verwanten.
En ik schaam me nog steeds. Misschien ten onrechte, maar toch…

Willem Pieneman
Januari 2010