'Gorren' met de 'looien draaier'

Goed, er was (bij buren) televisie, maar verder moest de Moderne Tijd nog doorbreken in eerste tien levensjaren (1948-1958) in de Oosterparkbuurt van Jos Mol, nu oud-hoogleraar Moleculaire Genetica aan de Vrije Universiteit.

Ons huis in de Tweede Boerhaavestraat bestond uit een huiskamer met opklapbed en één slaapkamer voor vier jongens. In de huiskamer stond een met antraciet gestookte kachel. Het toilet was in de gang en zodra het vroor was het weer afwachten of de waterleiding het hield. Muziek in het huis bestond uit een kastje met drie of vier vaste zenders. Soms was er even geen licht. Dan moest moeder naar de petroleumwinkel in de Andreas Bonnstraat om een elektriciteitsmuntje te kopen.
Auto’s waren er nauwelijks. Aart Boender had een DKW met (gedeeltelijk) houten carrosserie. Die moest geregeld worden aangeduwd door de straatjeugd. Dan was er meneer Klaver, die regelmatig zijn auto in een andere kleur spoot. Er woonden nogal wat joodse mensen in de straat, zoals meneer Van Moppes, die in knopen handelde en in een Peugeot reed. En er was nog de heer Geervliet die in gehoortoestellen handelde en een grote Citroën Traction Avant had. Meneer Koopman haalde schroot en andere ijzerwaren op. Hij had met mijn vader afgesproken dat hij onderdelen apart zou houden om er later een heuse fiets uit samen te stellen. Toen ik net op verhuizen stond, was de fiets klaar. (Een groter bezit kun je je niet voorstellen!) De enige winkel in de straat was op de hoek van het Oosterpark, waar de comestibleszaak van De Wilde zat. Destijds kwamen er nog weinig mensen met koopwaar aan de deur. Hij had een bord op zijn wagen waarop stond “vleeschkar voor honden en katten”. Die kar stonk een uur in de wind.
De televisie was net in opkomst. Er waren maar twee of drie gezinnen met zo’n toestel. Bij uitzondering mochten we méékijken (bijvoorbeeld naar De Verrekijker). Als je te laat kwam, mocht je er niet meer in en je had dan zó de ziekte in dat alle veters van de schoenen voor de deur aan elkaar geknoopt werden. Als er gestemd werd in het schoolgebouw, mocht je vaak voor vijf cent op de fiets passen. Er waren altijd lui van wie dat niet mocht. Daarvan werd dan het celluloid, dat op het stuur zat, met een vergrootglas in de hens gestoken.
In de vakanties stroopten we altijd de garages af in de Oosterparkstraten. Of ze nog oude kogellagers hadden? Dan kon je er een karretje van maken waarmee je lekker kon ‘rijden’. In  bepaalde tijd van het jaar liep iedereen met een priktol. Ik herinner me levendig dat zo’n ding op mijn hoofd terecht kwam!
Ook knikkeren was populair. Tien centimeter van elkaar werden de  knikkers in de goot ‘opgezet’. Wie het verst weg ging staan mocht als eerste met een ‘looien daaier' (loden kogel) gooien. Dat heette ‘gorren’. Eén keer per jaar werden de putten schoon gemaakt met een grote zuigauto. In de prut werd dan uitvoerig gezocht naar knikkers en looien daaiers.

Jos Mol
Februari 2010