Tante Marie

Eindelijk hadden Jaap Nieuwenhuis (geb. 1927) en zijn vrouw Paula in 1947 een eigen huisje. Dat stond op het Oudekerksplein, hoek Enge Kerksteeg. Er gingen nieuwe werelden open voor de jonggehuwden.

TEKST: Jaap Nieuwenhuis

We moesten er wel even aan wennen in ons nieuwe huisje dat bijna alle buren met prostitutie de kost verdienden.
Naast mijn studie aan de de Rijksacademie voor Beeldende Kunnsten volgde ik ook nog een zangopleiding aan het Amsterdams Muzieklyceum. Op de tweede verdieping van ons huis stond een huurpiano en daaraan studeerde ik ijverig het romantische liederenrepertoire met teksten van Goethe, Heine, Eichendorf, enzovoorts, waarin de liefde op de meest verheven manier werd bezongen – dit in tegenstelling tot wat er zich buiten afspeelde.
Het was 1947. Na een eindeloos strenge winter begon het te dooien. Er volgde een prachtig voorjaar en een lange, hete zomer. We waren meestal op de bovenste verdieping. Aan de kant van het Oudekerksplein waren twee openslaande ramen van waaruit we de kerk en een groot gedeelte van het plein konden zien.
Links op de hoek van de steeg stond tante Marie in haar trapgat, gekleed in een zeer kort en zeer laag uitgesneden blauwzijden jurkje met volants. Ze werd ook wel Mae West genoemd, maar wij hielden het op tante Marie. Haar leeftijd schatten we op ruim 60 jaar. Ze stond daar op klanten te wachten. Als ze ‘beet’ had, konden we dat horen aan de klap waarmee ze de deur achter zich dicht trok.
Soms leek het lange staan haar te vervelen en gilde ze plotseling heel hard: “ALI BABA……!” Of ze ging een gesprek aan met haar buurvrouw, tante Dientje, die een trapgat verderop stond, altijd gewapend met een bezem, die ze ongewenste klanten in het gezicht duwde. Of als hij buitenstond met ome Gerrit, onze buurman aan de rechterkant die ook in het vak zat. Het gesprek ging meestal over eten. “Wat eet jij vanavond, Ger?” “Nou, Marie, ik denk dat ik maar een biefstukje bak, lekker makkelijk.”
Ome Gerrit had altijd op z’n radio de ‘Arbeidsvitaminen’ aan. Gelukkig niet te hard, zodat wij er geen last van hadden. Maar soms moest hij, op verzoek van de dames, de radio op vol volume zetten als het Nonnenkoor uit Casanova of het duet uit De Parelvissers of het Slavenkoor uit Nabucco weerklonk. Tante Marie kreeg daar een brok in haar keel van. “Oh, wat is dat toch mooi hè!”, riep ze dan na afloop met een gebroken stem.
Het gebeurde wel dat opgeschoten jongens door onze ramen probeerden te gluren. Tante Marie schreeuwde dan: “Maak dat je wegkomt, daar wonen fatsoenlijke mensen.” Als ze soms (om voor ons onduidelijke redenen) kerels weg wilde jagen, riep ze: “Mieter op. Ga naar die lellebellen van de Achterburgwal, die dragen bustehouwers!”
Op zondag werkte ze niet. Dan was ze volkomen onherkenbaar gekleed in een keurige zwarte mantel met bijpassende hoed en een bril op met heel dikke glazen. “Ik gaan koffie drinken bij me soon”, zei ze dan tegen ons. “Die woont bij de rijkdom in de Vondelstraat.” Onder haar arm hield ze haar tas geklemd, waarin de opbrengst van de week. Daar kon zoonlief zijn huur van betalen.


Naar verwachting verschijnt medio september van Jaap Nieuwenhuis Het Oudekerksplein 1947-1952. Herinneringen – met een inleiding van Annemarie de Wildt, conservator van het Amsterdam Museum – bij Uitgeverij Tienstuks (Info: http://jaapnieuwenhuis.reinder.nu/).