Twee winters in ons volkstuinhuisje

Nog meer dan nu hadden jonge stellen vlak na de oorlog moeite een eigen woning te vinden. De volkstuin kon dan uitkomst bieden, schreef Ch.J. Kamps-Post, geboren in 1922, ons kort voor haar overlijden in 2009.

Amsterdam heeft nog 28 volkstuincomplexen, dus de volkstuinbeweging leeft nog! Bij ons thuis begon het tuinieren in oorlogstijd. Mijn vader kon een tuin huren en verbouwde daar aardappelen en groente toen de winkels niet veel meer te bieden hadden. Voor mijzelf bracht het complex zelfs onderdak. Dat begon in 1949. Mijn aanstaande en ik wilden trouwen, maar wij slaagden er niet in een betaalbare huurwoning of kamer te vinden.
Wij huurden een volkstuin en kochten het huisje dat erop stond. Nu konden wij van mei tot oktober daarin wonen. Dat had wel zijn beperkingen toen. Water moest in emmers gehaald worden. Er was geen riolering. De poepdoos moest geregeld geleegd worden. Butagas in flessen werd gekocht bij De Inkoop. Die winkel werd door een paar tuinders beheerd. Uiteraard was er geen elektriciteit, maar er waren batterijen voor de radio en een gaslamp voor licht. Koken deden we op gas, want van kinds af aan haatte ik de geur van petroleum.
Bij het onderhoud van de tuin verdeelden mijn man en ik de taken. Hij deed de heg, maaide het gras en deed de slootkant, ik de rest. Dat vond ik heerlijk en mijn man noemde mij ‘de mol’. We bestreden de muizen, mollen en konijnen. Maar toen ik eens vanuit het huisje een paard op ons gazon zag staan, wist ik dáár even geen raad mee, want van die dieren had ik geen verstand. En alle mannen in ons laantje waren naar hun werk. Met de aanwezige buurvrouwen slaagde ik erin een touw met een lus over zijn hoofd te gooien. Zo wisten wij hem door de heg op het paadje te krijgen. Meteen draafde het paard weg.
De echte woning liet op zich wachten. Daarom hebben wij daar in ons volkstuinhuisje ook twee winters gewoond. Dat mocht eigenlijk niet, maar we hadden geen keus. Het eerste jaar was heerlijk. Veel ijs en sneeuw: we voelden ons in Canada. De tweede winter was naar: veel regen en mist. Één keer die winter kwam mijn man helemaal ontdaan thuis: door de enorme storm was er een paal pal achter hem omgevallen. Zelf had ik de lamp in het huisje uit gelaten, omdat ik dacht dat het houten huisje het niet zou houden. Het zou in brand kunnen vliegen als ik de gaslamp aan hield. Wat moest ik dan met de twee kleintjes?
Eindelijk kregen we dan toch een woning, maar we hielden de tuin aan. Na achttien jaar kregen we er waterleiding en nog later ook riolering. Die laatste dankzij wethouder Jan Schaefer, die het bij ons maar een zootje vond...
Twee van mijn zonen hebben ook een tuin genomen. Toen ze nog jong waren, vroegen ze op de eerste lentedag al: “Wanneer gaan we naar de tuin?” Ze hadden daar de ruimte en veel vrienden. Laatst vertelde mijn schoondochter dat mijn zoon nog altijd heel vroeg in de lente vraagt: “Wanneer gaan we op de tuin wonen?”
Ch.J. Kamps-Post