1940-1950

Zwemmen in het Sportfondsenbad

Zwemles in het Sportfondsenbad
Willy van der Plas–Gerritzen (geb. 1936) woonde met haar ouders, broertje en zusje tot 1948 aan de rand van de Transvaalbuurt. Om precies te zijn: Linnaeusstraat 215 driehoog, tegenover de Pretoriusstraat. In 1999 schreef zij haar jeugdherinneringen op, onder meer over het zwembad achter haar huis.

Bij ons achter het huizenblok was het Sportfondsenbad–Oost, dat bestaat nu nog. Badmeester De Vries was een aardige, donkere en knappe man, altijd een lachend gezicht en lief voor ons toch wel bange kinderen, niet wetend wat ons te wachten stond. Ik kreeg zwemles toen ik vijf jaar was, samen met mijn nichtje Liesje.
Pappa ging elke ochtend mee, we waren de eersten voor de les van zeven uur, voordat we naar school gingen, dus. De griezelig haak die door bandjes van achteren door m’n zwempak werd gestoken, het steeds weer scheef liggen in het water, als de dood om te zinken, de koude kurken naderhand, wanneer je al wat verder was, om je lijf. Soms mocht er één kurk af van de vijf waarmee je begon totdat er geen een meer overbleef. Dan het moment van ‘zonder iets te water’.  De bodem die zo diep en ver weg was, de angst om daar te komen liggen!
Het afzwemfeest kwam snel. Er werd in die tijd een feestelijk programma van gemaakt, waarbij de ouders en familieleden op de tribunes het afzwemgroepje konden gadeslaan. Het was niet zomaar laten zien wat je kon, na afloop was er ook het verplicht gekostumeerd theater: prachtig!
Thuis ging dan de lappenmand open, er werd iets voor je gemaakt. Mamma naaide een zigeunerpakje voor me in elkaar. Een jakje en rok met bellen en kwastje, grote gordijnringen met lusjes aan m’n oren, wat lippenstift en rode wangetjes. Voor Liesje was de keuze gevallen op wat overgebleven witte gordijnstof, van dat dunne spul, waarvan mama een beeldend jurkje naaide, want ze werd elfje. Vleugeltjes van papier en ene kroontje op haar hoofd. Wat een werk voor een kort moment!
Bij het te water springen gebeurde natuurlijk wat je kon verwachte: Liesjes vleugeltjes dreven alras ergens anders, haar bolle rokje zat over haar gezichtje en er moest hulp komen, want ze kon geen meter meer vooruit. Groot gelach op de tribune: dat was nog eens leuk! We hadden in ieder geval diploma A op zak.
Op mijn zwempak had mama goedbedoeld de letters W.G. geborduurd: Willy Gerritzen. Die G werd al gauw een C, misschien omdat hetniet goed had afgehecht. W.C. stond er nu op mijn borst – vreselijk. M’n vriendinnetjes vroegen me waar het toilet was! De volgende dag kreeg ik natuurlijk een nieuw zwempakje, na het hele relaas verteld te hebben.
Er waren twee zwemclubs in het Sportfondsenbad–Oost. Het Y  en De Meeuwen. Grote rivalen. Nel van Vliet, een bekend zwemster uit die tijd, woonde bij ons om de hoek. Harry Vriend, later sportverslaggever van waterpolowedstrijden, zat bij me in de klas. Zijn vader had een slager in de Pretoriusstraat.

UIT: WILLY VAN DER PLAS, HERINNERINGEN AAN MIJN JEUGD. AMSTERDAM–OOST, 1939-1948, 1999.

Zaanstraat. Welzalig hij, die in der bozen raad'

Henny (vroeger Heintje) IJlst (1941) groeide op in de Zaanstraat in een gereformeerd gezin met elf kinderen.  ‘Gereformeerd-vrijgemaakt’ om precies te zijn – nog veel strenger in de leer dan ‘gewone’ gereformeerden.  Maar ja, op straat waren de goddelozen niet te ontwijken.


Ik groeide op in een ‘vrijgemaakt’ gezin. Dat betekende dat mijn vader en moeder in 1944 de gereformeerde kerk hadden verlaten. Dat gebeurde onder leiding van dominee Klaas Schilder, hoogleraar aan de theologische hogeschool in Kampen.
De scheuring gaf verdriet in vele families, velen bleven gewoon gereformeerd. Wij noemden hen synodaal. Vrijgemaakten waren overtuigd van hun geloofsgelijk. Ook bij ons thuis was dat zo. Tegen mijn vriendinnetje, dat synodaal was, zei ik: “Je moet aan je vader of moeder vragen of je ook vrijgemaakt wordt, anders kom je niet in de hemel…”
In onze buurt woonden bijna uitsluitend protestanten. Achter ons was een blok huizen met communisten, daarnaast een blok roomsen. Regelmatig vochten deze groepen met elkaar. Als wij naar school gingen, liepen wij veilig aan de rechterkant van de weg en de roomsen aan de linkerkant. Wanneer de communisten met de roomsen ruzie hadden, hielpen wij de roomsen. Dat was wederzijds. De communisten moesten hun eigen boontjes doppen. Dat konden ze heel goed.
Zondags trokken wij op! Dan liepen wij protestanten de lange straat uit om ter kerke te gaan. Al was het niet allemaal naar dezelfde… Onderweg kwamen wij de roomsen tegen. Zij waren naar de vroegmis geweest en hadden de hele dag nog voor zich. Velen van hen gingen net als de ‘rooien’ naar DWS om voetbal te kijken. Daar speelde ook Tonny Bruins Slot, onze buurman. Vaak heb ik op zijn zoontje Tonny gepast, die later de assistent werd van Johan Cruijff.
Er woonden in onze ‘Patrimoniumwijk’ veel gereformeerden van allerlei soort. Wij vrijgemaakten werden natuurlijk ‘de vromen’ genoemd. Maar allemaal spraken we dezelfde taal, de tale Kanaäns: goed is goed en kwaad is kwaad. Wij ‘vromen’ waren streng voor onszelf en voor anderen. Als iemand vroeg waar je woonde, kon het heel goed gebeuren dat je zei: “Zaanstraat. Welzalig hij, die in der bozen raad.” [Psalm 1, vers 1 uit het Boek der Psalmen – red.]. Die ander wist dan dat je op nummer 1 woonde. Die psalmen kenden wij goed, want iedere maandagochtend moest je voor de klas een psalmversje opzeggen.
In onze ogen leefden de roomsen er maar op los. Ze gingen naar de bioscoop en dansten en een leugentje om bestwil was geen zonde. Ze hadden immers de biecht, dan waren ze weer van alles af. Anders dan wij hadden ze dus geen last van schuldgevoelens, althans dat dachten wij. De rooien waren ook streng en vooral bezig met de ‘waarheid’. Zo heette zelfs hun lijfblad. Net als bij ons stond het woord rechtvaardigheid hoog in hun vaandel geschreven; ze kwamen op voor de kleine man.
Is het toeval dat in de oorlog communisten en gereformeerden elkaar in het verzet vonden?

UIT: HENNY IJLST, HEINTJE VERTELT. TE KOOP (VOOR € 18,95) IN O.A. DE STADSBOEKWINKEL (VIJZELSTRAAT 32) OF VIA INTERNET BIJ UITGEVERIJ TOTEMBOEK.

Duitse koe op Joodse begraafplaats Zeeburg

Wil Wickel (1923) kwam als jonge ventje in de jaren twintig met zijn moeder en broer vanuit Berlijn naar Amsterdam. Hun eerste vaste adres was in de Indische Buurt, anderhalf kamertje in onderhuur, vlakbij het ‘Jodenmanussie’, de Joodse begraafplaats.
Zijn herinneringen hieraan zijn opgetekend door Frits Slicht in Verteld om niet te vergeten.

Er stond een hek bij de ingang van het Jodenmanussie aan de Zeeburgerdijk. Je kon niet zomaar naar binnen lopen. Je moest je bij het huis van de beheerder melden. Het toegangshek was ruim genoeg voor een paard en rijtuig. Daarna werd bij een begrafenis de overledene verder gedragen, over het verharde gedeelte, een smal klinkerpad.
’s Winters, als het maar een beetje bevroren had, kon je trouwens gewoon over het ijs van de slootjes die om de begraafplaats liepen, de begraafplaats oplopen. Als de waterstand erg laag was, kon dat ook. Je sprong dan eenvoudig over het slootje.
Overigens bevroor het ijs in die slootjes maar moeilijk. Ik weet niet waarom dat zo was. Het ijs zag er altijd wat smoezelig uit. Voor anderen, voor een bepaald soort mensen, hing er een soort cowboyachtige sfeer. Dat hing waarschijnlijk samen met het feit dat je je op het terrein van de begraafplaats achter de grafzerken kon verschuilen. Al waren er in de periode kort voor de oorlog niet zo veel grafzerken meer zichtbaar.
Met de tijd waren de meeste grafstenen omgevallen of weggezakt in de zachte veenbodem. Die grafstenen waren van een soort hardsteen en soms van marmer. Er waren trouwens ook veel houten grafmonumenten, gemaakt naar het voorbeeld van stenen zerken. Die zijn allemaal verrot of vermolmd. Ik heb die eigenlijk nooit zo goed kunnen bekijken. Ik heb dat niet gewild ook trouwens, zoveel interesse had ik er nu ook weer niet voor.
Er werd gespeeld door de kinderen uit de buurt, maar je moet het niet overdrijven. Natuurlijk heb ik ze ook wel zien rotzooien met boeken die door het grondwater omhoog waren gedrukt. Misschien dat de bemaling toen niet optimaal was of het was een natte periode.
Toen we in 1937 naar het Javaplantsoen waren verhuisd, heb ik meerdere Joodse begrafenissen gezien, grote en kleine. We hadden ‘directe smoel’ op een flink deel van de begraafplaats. Voorop de dragers met de kist, daarachter de begrafenisstoet. Echt grote groepen waren het nooit. Voor de oorlog waren er trouwens al niet veel begrafenissen meer.
Dat kwam ook omdat veel Joden het langzamerhand wat beter kregen. Deze begraafplaats bij Zeeburg was toch vooral een begraafplaats voor de armen. De wat beter gesitueerde Joden gingen voor een begrafenis naar Muiderberg of Diemen. Wat ook meespeelde is dat de begraafplaats praktisch vol was. De enkele begrafenis die er nog was, moet haast wel van een ‘mesjoggene’ zijn geweest.
Van bewoners op de Kramatweg heb ik een bijzonder verhaal gehoord over een Rijksduitser (die hier al vóór de oorlog woonde) die tijdens de bezetting een koe op de begraafplaats zou hebben gehad. Ik heb het niet ogen gezien, want ik was eind 1942 op gewelddadige wijze op mijn werk opgepakt en op transport gesteld naar Duitsland. Dat was in de nasleep van de Februaristaking van 1941. Ik werd als ‘zijnde medeplichtig’ opgepakt.
Deze Duitser liet de koe op het middengedeelte grazen. Hij moet de sleutels hebben gehad van de hekken, waar volgens mij het Hekkepoortje is gebouwd (op 27 augustus 1938, red.). Die koe is toen door buurtbewoners gestolen, illegaal geslacht en onder de deelnemers verdeeld. Mijn stiefvader (inmiddels was mijn moeder hertrouwd) heeft in dit verhaal ook zijn aandeel geleverd. Ik draag zijn achternaam. Mijn echte naam was Pools-Joods. Zonder zijn naam had ik de oorlog waarschijnlijk niet overleefd.

UIT: VERTELD OM NIET TE VERGETEN. HERINNERINGEN AAN JOODSE BEWONERS VAN AMSTERDAM-OOST/TRANSVAALBUURT, FRITS SLICHT, 2014.
OOK VERSCHEEN VORIG JAAR ZEEBURG. GESCHIEDENIS VAN EEN JOODSE BEGRAAFPLAATS 1714-2014 DOOR BART WALLET.

Moeder heeft twee uur in de rij gestaan voor eten

Van juni 1944 tot en met augustus 1945 hield de 14-jarige scholier Jan Wagener (1974-1989 eindredacteur van Ons Amsterdam) een dagboek bij. Hij woonde toen in Betondorp. Zijn school – de hbs aan de Mauritskade – zat tijdelijk in de Voormalige Stadstimmertuin. Enkele fragmenten uit eind 1944, toen de beruchte Hongerwinter naderde.

Maandag 9 October. Vandaag zijn we voor het eerste begonnen met de nieuwe schooltijd van ’s ochtends 9 uur tot ’s middags 1 uur. 5 lesuren achter elkaar. _ Ik loop nu naar school heen en terug, maar als ik wil, kan ik op de fiets gaan.
Vrijdag 13 October. Daar er geen elektriciteit meer is, gaat de bel voor de schooltijd en het wisselen der lesuren niet meer. Nu komt meneer Dirksen, de concierge, met een gewone tingel-bel de gangen door. ’t Lijkt wel de ijsman van voor de oorlog. – Vanaf Maandag 23 Oct. krijgen we eten van de Centrale Keuken, omdat er dan ook geen gas meer is.
Maandag 16 October. Vandaag hingen er weer papieren in de stad van het illegale blad ‘De Waarheid’! Er stond o.a. in dat Riga, Memel en Athene door de Russen bezet waren. Ook nog dat Breskens bevrijd was en dat ongeveer half Zuid-Beveland in Geallieerde handen is. Ik hoop dat ’t waar is.
Dinsdag 24 October. In de Beethovenstraat is een Duitse soldaat vermoord. Voor straf zijn een aantal zogenaamde ‘terroristen’ en ‘saboteurs’ in ’t openbaar doorgeschoten en enige woonhuizen in de omgeving in brand gestoken.
Woensdag 25 October. Vannacht is een Duitse auto in het zand v.d. opgebroken weg [Duivendrechtselaan – red.] gereden. Toen hebben de Duitsers bij ons in de straat de mannen uit bed geklopt om te helpen. Vader is op ’t dak gevlucht, omdat we dachten dat ze mannen weghaalden of onderduikers. Maar dat was ’t gelukkig niet.
Vrijdag 27 October. Vader en moeder weggeweest naar Hoorn, voor bonen… om 7 uur ’s ochtends weg… om kwart over 7 ’s avonds thuis… afgemat… plm. 150 km gefietst… controle, bijna de fietsen kwijt door in beslag nemen. Een mof keek naar moeders fiets… liet d’r gelukkig doorrijden. Bij de IJ-pont nog geschoten door een rechercheur op een man die hard wegliep.
Maandag 30 October. Moeder heeft van kwart over een tot kwart voor drie in de rij gestaan voor eten [gaarkeuken in de Watergraafsmeerschool – red.]
Vrijdag 3 November. Uit het Duitse Weermachtbericht: Na de landing van Engelse en communistische troepen op de W.-kust van Dalmatië hebben de Duitsers zich ‘volgens de bevelen’ op ‘voorbereide stellingen’ in de bergen ‘gedistancieerd’.
Donderdag 9 November. Nu is ook de V2 op Londen ingezet. Deze is onhoorbaar en veel gevaarlijker.
Woensdag 22 November. Moeder heeft vandaag 2 liter karnemelk gehaald bij een boer, waar ze verleden Zaterdag 3 liter volle melk mocht halen. Dat mag ze nu voortaan elke Zaterdag doen. ’t Is op Duivendrecht. Buurvrouw Bijl en anderen doen ’t ook. 
Donderdag 7 December. Er kwam vanmorgen, toen ik voor school stond, luchtalarm. Degenen, die bij school stonden, renden allemaal weg. Ik ook.
Maandag 25 December. ’t Is vandaag 1e Kerstdag. We aten zuurkool van de centrale keuken. De stroop uit de 2 suikerbieten is klaar. ’t Is reuze stijf.

De allerlaatste rit van lijn 25

Op 15 december 2013 was Ulli d’Oliveira (1933; oud-hoogleraar migratierecht UvA; oud-redacteur Propria Cures en Tirade) getuige van een Historisch Moment: de allerlaatste rit van tram 25. Oude herinneringen kwamen boven.

Op het Stationsplein word ik opeens een tijdmachine in gesleurd: een heel oude uitvoering van lijn 25 sukkelt naderbij. Vandaag is de laatste dag dat hij zal rijden – opgeofferd aan de fata morgana van de Noord/Zuidlijn. Lijn 25 was eigenlijk zelf ruim 80 jaar de Noord/Zuidlijn, van het CS naar de Rivierenbuurt.
In mij staat een stout jongetje op. Ik moet en zal op die laatste rit zwartrijden, net als in de jaren veertig. Ik ga zitten op het stalen achterbumpertje van de bijwagen, zoek houvast aan de klep van de rode brievenbus. Laat me een stukje voortrijden, tot ik eraf hups. Zo reed ik indertijd vorstelijk vanaf het Daniël Willinkplein vlakbij de Wolkenkrabber naar school. Eerst tot de Maasstraat naar de Dintelschool. Daar was mijn Meerhuizenschool ingekwartierd, omdat die omstreeks 1943 gevorderd was door de Wehrmacht. Na de oorlog een halte verder, naar het Vossius Gymnasium tot de halte Scheldestraat, waar de tram naar het noorden afboog. Laatste stukje hollen, want ik was altijd laat.
Lijn 25 was nuttig, maar gevaarlijk. Het type dat in de oorlog reed had een bijwagen met verlaagd middenbalkon. Aan de zijkanten daarvan klapdeuren met aan de buitenkant een hekje, om te zorgen dat de passagiers niet aan de verkeerde kant uitstapten. Ideaal om je aan vast te houden bij het meeliften.
Op een keer stond ik daar met Sjorsie Smit, een uit de kluiten gewassen klasgenoot, die niet alleen ouder en dommer was dan ik, maar bovendien lid van de Jeugdstorm. Regelmatig verscheen hij in uniform in de klas en zó ging hij zelfs eens in gevecht met de meester. Dat gaf hem een op angst gebouwde status. De verhoudingen raakten zoek, maar dat kenden we eigenlijk al uit de grotere wereld.
De tram was in volle vaart tussen Waalstraat en Rijnstraat toen de conducteur ons ontdekte en de klapdeuren opende. Sjors sprong van de tram – dacht hij. Zijn hand bleef tussen twee spijlen steken en zo werd hij meegesleurd. Ik maakte zijn hand los. Hij verdween naast de tramrails uit het zicht. De conducteur keek mij verbouwereerd en sprakeloos aan. Bij de halte stapte ik af en keerde terug naar mijn lichtgehavende klasgenoot.
Een paar jaar later was ik aan de beurt. Op de Churchilllaan was de verkeerssituatie destijds nogal onoverzichtelijk. Terwijl ik fietsend overstak, zag ik opeens uit mijn rechterooghoek lijn 25 in volle vaart. Ik trapte in een reflex keihard op de pedaal en dook over mijn fiets heen. Een salto vitale. De fiets werd verfrommeld, ik was puntgaaf gebleven. Ik heb, denk ik nu triomfantelijk, lijn 25 zeker twee keer overleefd. Zal ik de nieuwe Noord/Zuidlijn nog beleven?