Nummer 2: Februari 2015

02-2015 Vieze liedjes

 

Scrabreuze liedjes waren zeer populair in 17de en 18de-eeuws Amsterdam. Inhoudelijk werden er geen hoge eisen aan gesteld. De tekst moest rijmen, dat was het wel zo’n beetje. Die liedjes zijn vaak nog steeds een genot om te lezen. En ze geven bijzondere inkijkjes in de rosse buurten van toen.

Misschien denkt u bij schunnige liedjes van vroeger aan Kortjakje, die in een 18de-eeuwse voorloper van het huidige kinderlied een meisje van lichte zeden blijkt te zijn. Kortjakje is echter een engel vergeleken met de vrouwen die figureren in de écht vieze liedjes uit de 17de en de 18de eeuw. Die lopen geslachtsziektes op, gaan regelmatig vreemd, mopperen op hun impotente mannen of werken hun schaamhaarkapsels bij. Veel van die liedjes werden niet alleen gezongen, maar ook uitgegeven in Amsterdam, zodat we ze nu nog kennen.
Van de duizenden scabreuze liedjes die we kennen uit die jaren is een groot deel in eerste instantie verschenen in Amsterdamse liedboekjes of op Amsterdamse liedbladen. Soms verschenen ze in dure boekjes, op mooi papier met chique lettertypes en speciaal vervaardigde gravures, veel vaker doken ze op in prullerige verzamelwerkjes. Uitgevershuizen als Van Egmont en Van der Putte stonden bekend om hun vele goedkope liedboekjes en liedbladen. Erotische avontuurtjes stonden hierin tussen liedjes over oorlogen, geloof, de liefde, mode, historische gebeurtenissen, wonderen of ijspret, om maar een greep te doen.
De publicaties in dit genre waren weinig prestigieus. De teksten stonden vol zetfouten op dichtbedrukte pagina’s, vaak zonder illustraties of soms alleen met houtsneden van blokken die toch nog op de plank lagen (je ziet dan ook dikwijls houtwormgaatjes in de prenten). Ook waren ze verkrijgbaar op liedbladen die voor een habbekrats op straat werden uitgevent. Inhoudelijk werden er niet al te hoge eisen gesteld aan de liedjes. Een tekst moest rijmen en op de bijbehorende melodie passen, meer niet. Krukkige zinsconstructies en onsamenhangende verhalen leken er een beetje bij te horen. Toch zijn deze teksten nu nog vrij goed te lezen, juist omdat de schrijvers bleven hangen in vrolijke rijmelarij.

Amsterdamse zwierbol
Vieze liedjes werden niet alleen gezongen door ‘het volk’, maar ook door individuen uit welgestelde kringen, al kwamen die daar misschien wat minder snel voor uit. Welk liedje precies waar is gezongen, is maar zelden opgetekend. De voorbeelden die we kennen staan op schilderijen en gravures, in andere liedjes, brieven, romans en soms zelfs in juridische stukken. Uit de Amsterdamse confessieboeken weten we dat prostituees soms expliciete liedjes zongen om klanten aan te trekken. Op een novemberavond in 1710 werden bijvoorbeeld twee tippelende meiden in de Kalverstraat gearresteerd voor het zingen van “seer vuyle lietjens”.     
In veel teksten zijn lokale elementen verwerkt. De ‘zwierliedjes’, waarin kroegentochten langs Amsterdams levendigste kroegen en hoerententen worden beschreven, geven een mooi beeld van hoe een Amsterdams avondje stappen er destijds uit kon zien. Kroegentochten, hoerenbezoek en liedjes zingen gingen hand in hand. In het lied De Amsterdamsche Zwierbol uit 1791 volgen we de escapades van de zwierbol (het feestbeest) uit de titel. Het avontuur begint op een zondagavond in de kroeg De Drie Kemphaantjes in de Breestraat:

[..]
Daar doet men commandeeren :
Lekker Bier zeer rood ,
Zyn Nimphe  op de schoot,
En meenigmaal gekust,
En zamen Liedjes zingen,
Daar leeft men ongerust,
Volbrengen alle lust.

Een wyl men daar verslyt,
Dan gaat men weer op ryen,
Met zingen op de straat,
Dat naar het Pakhuis gaat,
By Kooning of de Jood ,
Door Bachus vreugde zingen,
Daar is de lust zeer groot, de lust zeer groot
Men schenkt braaf wit en rood.
 
Als ’t laat word in de nagt,
Gaat men wat lekkers eeten,
En daar wat Koffi by,
Al met zyn lief aan zy,
Dan spyst men met plyzier,
En doet zich wat vertoeven,
Men zingt met groot getier,
Met groot getier, met groot getier,
Zoo gaat men aan de zwier.

In de vroege morgen stond,
Gaat men een kansje wagen,
Dat is ’t grootst plyzier,
Als men komt van de zwier.
Dan is de lust zeer groot,
De lust al van het minnen,
Dan komt de meeste pret,
De meeste pret, zeer fraay op let,
Al op het Veere-bed.

Maandag houden
Als de minnekozerij een goede deuk heeft geslagen in de maandagochtend is het voor de zwierbol tijd om ‘maandag te houden’: nog even door te lummelen in plaats van te gaan werken. Hij bezoekt de hoeren in de Heintje Hoekssteeg, drinkt er nog een paar, danst er flink op los en tijgt rond het middaguur naar de Jordaan en de buiten de poorten gelegen uitspanningen rond het beruchte Jan Hanzenpad:

[..]
Men springt verschy figuur ,
Men zingt verscheide Liedjes,    
En in ’t middag uur,
Na de Jordaan is de zwier:
Al na de Goudsblomstraat,
En op veel andere plaatzen:
Daar ’t zeer vrolyk gaat,
Zeer vrolyk gaat, zeer vrolyk gaat,
Dwaald men van de Jordaan.

Op het Janhansies pat,
Daar zyne veel kwartieren ,
Daar is zeer groot vermaak,
Ik weet wel van de zaak,
Daar stuyft men in zeer gou,
Een lekker kannetje drinken,
De Nimphies op het tou ,
Al op het tou, al op het tou,
En slingeren heel trouw.
 
Dan krygt men voor gewin,
Van ieder schoone Nimphie,
Een kusje na de zin,
Dat is uit zoete min,
Ach wat is het een vreugd,
Om dit eens te aanschouwen;
Hoe dat de zoete Jeugd,
De zoete Jeugd, de zoete Jeugd,
Hier zyne hert verheugd.
 
Van daar ryd men weer voort,
Gaat Noorder-Markt houden ,
Ja zo het dan behoord,
Buiten de Haarlemmer poort,
Al in de Bocht met vlyd,
Een Kolfslagie slaanen,
Dan word het avond tyd;
Dan avond tyd, dan weer verblyd,
Een ieder na Huys toe ryd.

Bosse Mie en Zwarte Lys
Het etmaal vol plezier wordt afgesloten met een bezoek aan een van de kolfbanen bij het bolwerk De Bocht buiten de Haarlemmerpoort. Prostituees waren in Amsterdam trouwens vooral actief op zaterdag, zondag en maandag, dus zo gek is het niet dat de man ook op maandag goed terecht kan. Tussen al het drinken, dansen en vrijen door wordt er gezongen. Wát is niet opgeschreven, maar we kunnen ons er wel een voorstelling van maken. In het boek De ongelukkige levensbeschryving van een Amsterdammer uit 1775 stapt een jongen met zijn vrienden voor het eerst een speelhuis aan de Groenmarkt (grofweg het huidige Waterlooplein) in: “Mijn confraters gingen aanstonds aan het zingen. De lichtveerdigste liedjes die men bedenken kan. Het was er zo vol vrouwlui, de een nog lichter  opgeschikt dan de ander, dat ik aan mijn confrater vroeg of dat allegaar hoeren waren. ‘Wel neen’, zei hij, ‘maar het grootste gros wel.’”
Liedjes over prostitutie zouden heel goed in zo’n context passen – en daar kennen we er nog veel van. Enkele teksten geven wel heel bijzondere inkijkjes in het Amsterdamse prostitutiemilieu. In een lied uit 1718 werpt een straatzanger zich op als gids voor jonge meisjes die graag snel geld willen verdienen als hoer. Als hij genoeg meiden om zich heen verzameld heeft, begint hij te zingen:

Hebt gy niet van 't Spel gehoord,
Daer men by de naers  in boord:
Daer kond gy veel geld mee rapen,
't Is geen moeyte maer pleyzier,
Lekker eten, lang te slapen
En gekleed gaen na de zwier.

Geïnteresseerde meisjes kunnen zich melden bij een hoerenmadam. De zanger noemt ze met hun kleurrijke bijnamen:

Gaet na Lysje Engelbregt,
Die sal uw helpen te regt
En u geven Kost en Kleeren
Gy werd daer seer wel onthaeld,
U sal daer geen wyn ontberen
Alles wert voor u betaelt.

Of heeft die geen plaets voor uw,
Gaet maer voort en weest niet schuw,
Vraegd maer eens by Ryntje Sanderts,
Of by Mary Alexanders fyn,
Of vraegd maer by iemand anders,
Daer zyn Winkels by 't Douzijn.

Brabands Treesje of Bosse Maegd,
Pokke Robus, Fem of Aegt;
Poezel wit of zwarte Aeltje,
Grietje Teeuws, Anna Godyn,
Sparzie Vreester, Schadet Petje,
Manke Meu of Zeeuwtje Kleyn.

Branjebaerd of schoon' Waerdin,
Wyntje Vos of de Gravin;
Utrechts Bruyn of bleeke Mietje,
Haegs of Iansje Carpentier,
De Maszeurs of Mevrouw Tietje,
Iuffrouw Flaming daer 's de Zwier.

Maeg’re moord of roode Tiet,
Zwarte Lys of dolle Griet
Rossen Oli of Margootje
Rotterdammer of Bosse Mie,
De Moffin of noch een Sootje,
Daer ik schier geen end aen sie.


Kat in ’t bakkie
Enkele van deze vrouwen worden ook genoemd in andere bronnen, bijvoorbeeld in het liedboekje Kleyn Jans Konkelpotje (1714) van de bekende Amsterdamse straatzanger en liedverkoper Klein Jan (Pieter de Vos). Hij stond op vaste dagen met zijn hondenkar op de Dam en de Botermarkt (het huidige Rembrandtplein).
Eenmaal in dienst begint de lol pas echt: je wordt mooi aangekleed (de zanger vermeldt niet dat zo’n meisje voor de dure kleding vaak een enorme lening moest afsluiten bij het bordeel) en als er een fijne kerel langskomt is het kat in ’t bakkie:

Als gy u dan hebt besteed,  
Aenstonds werd gy fraey gekleed:
En dan gaet gy sitten pryke
Tot ‘er komt een fris gesel.
Mamma  die laet u bekyke
En dan begint ‘t minnespel.

Als gy werd Gecarreszeerd,
Dan werd braef uw borst gesmeerd,
Wel wat kond gy meer verlange,
Is het niet een schoone pret,
Billen roeren, geld ontfange
Alle dagen set op set?

De straatzanger schetst een rooskleurig beeld van het hoerenbestaan. Loop je een geslachtsziekte op? Geen zorgen, hang je derrière maar even boven een zwavelstoombad. Ongewenst zwanger? Neem de kruiden zevenboom en laurierbes en de vrucht wordt uitgedreven. Aan het eind van het liedje geeft hij de meisjes nog één laatste goede raad mee: wacht niet met seks tot het huwelijk (met een eenvoudige schoenlapper of kleermaker), wordt eerst maar eens met plezier wat ‘wijder’, trouwen kun je altijd nog!

[..]
Vreest niet te worden met een Kind
Schoon gy kust die gy bemind,
Laet u dan maer digt Clisteeren,
Sevenboom en Bakelaer
Sal het alles doen paszeeren
Siet so blyft gy altyd klaer.

Oorlof  Ionge Meysjes al,
Wacht niet na een Trouw geval,
Van een Lapper of een Snyer,
Of een and’re slechten bloed,
Werd eerst met Pleyzier wat wyer,
Dan zyt gy voor haer noch goed.

Pokmeesters
Werken in de prostitutie was natuurlijk lang niet zonder gevaren. Geslachtsziektes tierden welig, adequate behandelingen waren er niet. Aandoeningen als chlamydia en gonorroe leidden vaak tot ernstige ontstekingen, levenslange pijnen en soms onvruchtbaarheid. Het gevaarlijkst was syfilis (de ‘pokken’): een bacteriële aandoening met een dikwijls dodelijke afloop. De bacterie was eind 15de eeuw door Portugese ontdekkingsreizigers meegebracht uit Zuid-Amerika en verspreidde zich daarna razendsnel door Europa. In de Republiek, ook in Amsterdam, kwam de ziekte in alle lagen van de bevolking vrij veel voor.
Vlak buiten de steden vestigden zich zogenoemde pokmeesters. Zij boden dure, levensgevaarlijke en ineffectieve behandelingen aan, maar bij gebrek aan een alternatief zagen veel lijders zich genoopt om toch zo’n kuur te volgen. Er werd bijvoorbeeld gedaan aan kwijl- en zweetkuren, aan zwaveldampbehandelingen en aan uitbrandsessies waarbij open zweren dichtgebrand werden met een gloeiend voorwerp. Ook in de binnenstad kon je terecht voor behandelingen.
Zo iemand was de in 1721 in het Tsjechische Boskovice geboren tandmeester en barbier Joseph Lehman. die praktijk hield in de Hoogstraat. Hij behandelde meer dan alleen rotte kiezen, getuige een advertentie in de Oprechte Haerlemsche Courant (1752) waarin hij een remedie aanbood voor “alle Venus-Quaalen”. De man moet een goede reputatie hebben opgebouwd, want na zijn dood in 1779 gebruikte zoon Samuel (1751-1818) de naam van zijn vader voor zijn eigen praktijk in dezelfde buurt. Samuel adverteerde veel in kranten en deelde strooibiljetten uit: “Persoonen met geheime Qualen besmet kunnen zich by hem adresseeren”, onder andere kwalen veroorzaakt door “Forceeren, dromen, onryne Byslaap , zelfs-Besmetting of zogenaamde Onania ”.
In de zeer zeldzame Almanach a la Figaro uit 1786 staat een liedje waarin we de hoerenloper Zwierziek wijdbeens bij zijn buurtgenoot Lehman naar binnen zien waggelen. Hij wil zich laten genezen van zijn geslachtsziekte, maar weet niet precies hoe hij zijn klachten moet inschatten. Zeker is dat er van het minnespel niet veel meer terecht komt (Mijn kleine jongen wil niet vort, ik weet zowaar niet wat hem schort, / hij is alsof verrot, verdort). Heelmeester Lehman bekijkt de zaak en constateert dat Zwierziek sjankers (genitale zweren) heeft, wat een voorstadium kan zijn van syfilis. Hij vraagt f 10,- (nu zo’n € 80,-) voor de behandeling. Als de patiënt zich niet laat behandelen loopt hij kans op klaporen (ontstoken lymfeklieren in de liezen) of een Spaanse kraag (paraphimosis: een opgezwollen en ontstoken voorhuid), dat zou zijn toestand aanmerkelijk verergeren. Als Zwierziek tegen het hoge bedrag protesteert, wil Lehman de klus ook wel voor f 6,- klaren, want hij verwacht hem nog wel eens terug te zien, het is namelijk niet de eerste keer.

Schuld en …
Zwierziek bezweert echter dat hij zich vanaf nu afzijdig zal houden van besmette hoeren (Ik zal die duivel van een wijf / die mij dit kwaad bracht aan mijn lijf / opdat zij niemand meer gerijv’, / slaan krom en stijf'). Om te laten zien dat hij niet van gisteren is, somt hij een paar Amsterdamse bordelen op, allemaal in de Wallenbuurt of in de omgeving van de Nieuwmarkt en schat per gelegenheid het risico op besmetting in:

Ik schei van ’t zwieren uit,
’k zal Mie Klieuit wel mijên.
Ik weet Scheffer houdt zijn hoeren rein,
bij Scheer wil ik ook niet meer zijn,
in ’t Hogerhuis bij ’t dikke zwijn
is ook venijn.

In ’t speelhuis De Fontijn
is ’t nog het ergst van allen,
de Wijnpers, ’t Hoog- en Lagerhuis,
Van Ommeren, Banes, met ’t gedruis,
de hoeren vloek ik als gespuis.

De hoofdstedelijke hoeren hadden niet zo’n beste naam als het op geslachtsziektes aankwam. In liedjes wordt dan ook frequent gewaarschuwd voor de consequenties van hoerenbezoek. Zo loopt een zekere Hansje in een lied uit 1622 tot zijn grote verdriet syfilis op na een bezoek aan de ‘Kattengatjes’, de prostituees in het Kattengat. Een ander lied uit 1642 beschrijft de aftakeling van een eens zo vrolijke en aantrekkelijke hoer die besmet is geraakt met dezelfde ziekte:

'Op’t lest soo wert de Romp verrot inwendigh,
Af-keerigh walgelijk meer als ellendigh,
Van jeder-een versmaat verfoeyt verspoogen,
(O jammerlijk verdriet!)
Het gast-huys wil haar niet,
Noch niemant wilde kreng in huys gedoogen.'

 

 … onschuld
Niet voor niets spelen veel erotische scènes in liedjes zich een eind buiten de stadspoorten af, waar de plattelandsmeisjes onschuldig maar gewillig zijn. Zo ook in het volgende fragment van een liedje uit Den Italiaenschen quacksalver, ofte de nieuwe Amsterdamsche Jan Potazy (1694): een jonge man ontmoet een boerenmeisje dat de koeien gaat melken. Hij informeert haar dat hij zelf ook een uier heeft die gemolken kan worden...

'Hy haelden 't Uyer voor den dagh,
En hy liet het Meysje kijcken,
Doen sprack daer dat Kint van min,
Mag ick'er mijn hantje eens overstrijcken:
Ja sprack daer dien nobelen quant,
En hy gaf het in haer hant.

Als sy dat Uyer lang genoeg,
Had beknoffelt en gestreken,
Doen sprack daer dat Kint van min,
Ick heb het lang genoeg bekeken,
Toont mijn nou eens metter daet,
Hoe daer room of melck uytgaet.'

Dat vindt de man een goed idee, en hij geeft het meisje de volgende raad:

'Gaet dan leggen in het groen,
Sprijt jou beentjes van malkander,
Wy en hebben geen Emmer van doen,
Want ick sie hier wel een ander,
Is het Emmertje wat behaert,
't Melckje is te beter bewaert.

Sy ginck leggen en ontfing,
Eerst met pijn daer naer met lusten,
't Uyer al van dees Jongelinck,
Dat sy so menigmael kusten,
't Uyer ginck op ende neer,
En haer Emmer heen en weer.

De melck quam op 't laetst so seer
Dat de Emmer is overgeloopen.
Doen sprack daer dat kind van min,
Hoe kom ick soo nat bedroopen?
Meysje sprack hy met een lach,
Dat het niet in jou Emmer en mach .'

De argeloze lezer van nu zou kunnen denken dat dit een natuurgetrouwe optekening is van een uitstapje van een stadse man naar het platteland. Veruit de meeste van dit soort verhaaltjes zijn echter geworteld in de narratieve en culturele tradities van de stedelijke samenleving, die in de 17de en 18de eeuw vooral in de Amsterdamse binnenstad te boek gesteld werden.

ANNEMIEKE HOUBEN IS SPECIALIST IN OUDE LIEDTEKSTEN. MEER LEZEN: ZIJ SCHREEF HET BOEK VIEZE LIEDJES UIT DE 17DE EN 18DE EEUW, UITGEVERIJ VANTILT, 2014 (€19,95).