Nummer 10: oktober 2014

10-2014 Inhoud-4-CS-aanlegIs er na 125 jaar nog veel over van het Centraal Station dat in oktober 1889 open ging? De vraag stellen is haar beantwoorden. Een 19de-eeuwse reiziger zou het station aan de buitenkant wel herkennen, maar binnen verdwaasd om zich heen kijken. Het kruispunt van treinen is volledig veranderd.

Het Centraal Station bestaat 125 jaar. Onder grote publieke belangstelling ging Nederlands belangrijkste kruispunt van treinen open op 19 oktober 1889. Wat is er na al die jaren nog over van het station van toen? Veel aan de buitenkant, maar achter die fraaie gevels slechts weinig. Dat kan ook niet anders. Want de stijging van het aantal reizigers is enorm en onze manier van reizen sterk veranderd.

Vertrekhal
De centrale hal is een van de weinige ruimtes die min of meer dezelfde functie hield. Min of meer, want stationsarchitect Pierre Cuypers had de hal alleen bedoeld om te vertrekken: de aankomende reizigers werden via de oostelijke en westelijke tunnel afgevoerd. De sfeer is er radicaal veranderd. Op foto’s uit de begintijd lijkt de hal wel een kathedraal: als vanzelf gaat je oog langs de pilaren omhoog naar het plafond ver boven de reizigers. Die ruimtelijke ervaring verdween goeddeels in de jaren vijftig door inbouw van balkons op perronhoogte, als uitbreiding van de wachtkamers die toen horecagelegenheden werden.
Oorspronkelijk was in de hal het enige ‘meubilair’ een hoog halfrond bouwsel van donker hout, direct achter de hoofdingang, waarin destijds de kaartverkoop plaatsvond. Bijnaam was ‘het orgel’. Door het groeiende aantal reizigers werd het gedrang hier onaanvaardbaar. In 1954 verving een reeks loketten tegen de lange achterwand van de hal, aan weerszijden van de tunnel, het orgel. De invoering van kaartautomaten en recent de chipkaarten heeft de loketverkoop drastisch verminderd (die is nu verplaatst naar de oostelijke en westelijke zijvleugels).

De koning en de stationschef
Het belang van de centrale ingang benadrukte Cuypers met twee 45 meter hoge torens, aan weerszijden geflankeerd door lagere zijvleugels en afgesloten door asymmetrische hoekpaviljoens. Die hoekpaviljoens waren het domein van twee zeer verschillende belangrijke autoriteiten. De hoogste baas van het station was de stationschef. Hij woonde in het westelijk paviljoen. De allerhoogste onder de reizigers was natuurlijk koning Willem III. Hij kreeg zijn exclusieve ingang en wachtruimte in het Koningspaviljoen alias Koninklijke Wachtkamer aan de oostkant. Hij kon er met koets en al naar binnen rijden.
Natuurlijk moest het immense hiërarchisch verschil tussen koning en stationschef wel goed zichtbaar zijn. Daarom steekt het Koningspaviljoen veel verder naar voren uit en heeft het een imposante, hoge kap. Dat het westelijke paviljoen een comfortabele woning bevatte, was zichtbaar door de erker op een- en tweehoog. Een vorst heeft Nederland nog steeds en ook die gebruikt nog weleens de Koninklijke Wachtkamer. Maar de functie ‘stationschef’ bestaat op het CS niet meer. De laatste verliet in de jaren zestig zijn dienstwoning. Nu zetelt daar de spoorwegpolitie.

Groote Vergaderzaal
Als zo’n station er al zo lang staat, lijkt de vorm steeds vanzelfsprekender. Maar waarom is het centrale deel – tussen de twee traptorens – zo hoog? De centrale hal was en is imposant, maar neemt slechts een derde van de hoogte van het middendeel in beslag. Dat is het resultaat van gekibbel tussen de architect en zijn opdrachtgevers. Cuypers ontwierp in eerste instantie een gevel waarbij er boven de sporen twee kappen naast elkaar zouden komen. Nieuwe technieken maakten echter één weidse kap van 45 meter breed mogelijk. Deze ‘grootsche kap’ zou boven gebouw uit torenen. Dat zinde Cuypers niet en tekende protest aan. Tevergeefs. Hij loste het op door het middenstuk van de gevel veel hoger te maken. Zo vormde het ook een nóg monumentalere visuele afsluiting van het Damrak.
Boven de centrale hal ontwierp hij een Groote Vergaderzaal alias Burgerzaal. In Cuypers fantasie een ontmoetingsplek voor tout Amsterdam. Boven de deuren prijkten de gezichten van Oranjevorsten in medaillons en langs de wanden zouden fresco’s komen met taferelen uit de Amsterdamse geschiedenis. De zaal kwam er, maar diende nooit als vergaderzaal omdat de spoorwegmaatschappij al elders vergaderde. Een burgerzaal werd het al helemaal niet. Van de fresco’s is er één voltooid: van Floris V die Amsterdam in 1275 tolvrijheid geeft. En zelfs die bestaat niet meer. Sinds jaar en dag is deze hoge zaal met adembenemend uitzicht op het Damrak de personeelskantine.


Tunnels en wachtkamers
De tunnels onder de sporen dienen nu grotendeels voor het verwerken van de reizigerstromen. Ze zijn meermalen verbreed en de roltrappen kwamen er in 1984. Maar in de begintijd werd door de tunnels vooral bagage vervoerd. De reiziger droeg zijn koffers niet zelf, maar gaf die af in de vertrekhal, waarna ze over smalspoor naar de bagagewagons werden gebracht. Intussen liep hij via trappen meteen achter de vertrekhal naar een van de wachtkamers (linksaf Derde Klas, rechtsaf Eerste en Tweede Klas). De wachttijden waren stevig, want er reden nog niet veel treinen per dag.
De verschillende sociale klassen reisden destijds apart van elkaar in eigen wagons en maakten gebruik van gescheiden wachtkamers. Deze scherpe sociale hiërarchie liet Cuypers terugkomen in de decoratie van de wachtkamers. In de westelijke vleugel wijdde hij de wachtkamer Derde Klasse voor het ‘gewone volk’ aan de ambachtsman. Boven het buffet liet hij een moralistische spreuk – geschreven door zijn zwager Joseph Alberdingk Thijm –  aanbrengen tegen drankmisbruik: “Denk dus om aan te vullen, maar neem uw lafenis bij glazen, niet bij pullen”. In de wachtkamers Eerste en Tweede Klasse voor de elite (in de oostvleugel), werden de reizigers aangespoord tot daadkracht: “Gebruik den Tijd eer hij ontvliedt: Hij is uw Vriend verdrijf hem niet”. De Derde Klasse is in 1956 afgeschaft. De wachtkamers kregen geleidelijk een horecafunctie. In de Derde Klasse zit nu de Burger King, in de andere twee (met bijbehorende ‘stationsrestauraties’) vindt men nu Starbucks en Pub 1ste Klas en Brasserie 1ste Klas. 


Stationsjuffrouwen en speelkamer
Typerend voor hun tijd zijn twee nu geheel verdwenen voorzieningen: het kantoor van de Stationsjuffrouwen en de Speelkamer. Alleen reizende jonge meisjes uit de provincie of uit Duitsland die wat verdwaasd op het Centraal Station uitstapten (doorgaans om hier een baan als dienstbode te vinden), maakten sinds 1902 goede kans moederlijk te worden aangesproken door een redelijk deftige dame van middelbare leeftijd, die om haar arm een band met de tekst ‘Stationswerk’ droeg en op haar borst een broche met ‘Bescherming van meisjes’. Zij stond er om te voorkomen dat naïeve meisjes door schijnbaar galante jongemannen of louche kostjuffrouwen de prostitutie ingelokt zouden worden – toen een reëel gevaar. De stationsjuffrouwen begeleidden de meisjes naar hun bestemming of hielpen ze aan werk en betrouwbaar onderdak. De juffrouwen waren in dienst van de protestantse Union Internationale. Later kwam hieruit het Maatschappelijk Advies- en Informatiecentrum voort, met een bredere doelgroep. Dit MAI kreeg in 1933 een kantoortje in de centrale hal, om in 1971 naar de Zeedijk en later de Hartenstraat te verhuizen, alvorens in 1988 te worden opgeheven.  
Vooral gericht op schoolgaande jongens (en ook wel wat meisjes) was de speelkamer, die op 11 juli 1941 de deuren opende op een bovenverdieping langs station 2b (dus in de oostvleugel), bereikbaar vanaf het perron én de straat. In deze zaal stonden drie grote tafels met modelspoorbanen. De NS wilde de schoolgaande jeugd hier leren wat er allemaal te pas kwam aan de exploitatie van een spoorwegstelsel. De jonge bezoekers werden verdeeld in groepjes, waarvan ieder lid een eigen taak kreeg: de een bediende de seinen, de ander de wissels, enzovoorts. Voor de vrolijke aankleding zorgde de jonge kunstenaar/ontwerper Joop Geesink, later bekend door zijn poppenfilms (en Loekie de Leeuw van de STER-reclame). Nadat de Duitsers de zaal tijdens de bezetting hadden leeggeroofd, werd in 1948 de speelkamer heropend. Hoe lang hij bestaan heeft, is onduidelijk. 


Winkeltjes
Sinds de vorige grote verbouwing in de jaren tachtig veranderde het Centraal Station steeds meer in een klein winkelcentrum. Tegenwoordig is er zelfs een HEMA-filiaal in de oostvleugel. Een vroege aanzet tot deze ontwikkeling was de bouw van enkele miniwinkeltjes vlak achter de ingangscontrole naast de ingang van de middentunnel. Die werden onder meer verhuurd aan de Amsterdamsche Kiosk-Onderneming (AKO). Dat bedrijf is vaak genoeg verhuisd, maar nog steeds een continue factor in het CS.

Tekst: Durkje van der Wal is kunsthistorica