Nummer 10: oktober 2014

 10-2014 Inhoud-3-actrice

Het toneel was haar thuis en bracht haar roem en succes, terwijl ze thuis maar al te vaak meer misère dan geluk kende. Haar grootse theatercarrière kreeg Theo Mann-Bouwmeester bepaald niet op een presenteerblaadje aangereikt. Maar ze speelde de sterren van de hemel. En het publiek droeg haar op handen.

Vijfendertig jaar speelde ze in de Stadsschouwburg, als leading lady van de Koninklijke Vereeniging Het Nederlandsch Tooneel. Ze was Nederlands grootste tragédienne of ‘onze Sarah Bernhardt’, haar liefste compliment. Theo Bouwmeester was de vertolkster bij uitstek van hartstochtelijk beminnende en lijdende vrouwen in romantische Franse toneelstukken. Haar eigen leven was er een van veel verdriet en hard werken, gedreven door een grote passie voor haar vak.

Theodora Antonia Louisa Cornelia (Doortje) Bouwmeester werd op 19 april 1850 in Zutphen geboren. In een toneelfamilie, zoals de meeste acteurs in haar tijd. Ze was het vierde en jongste kind van Louis Rosenveldt en Louisa Bouwmeester. Die waren niet getrouwd en hun vier kinderen kregen Louisa’s achternaam. De Bouwmeesters zijn een indrukwekkende toneeldynastie. Theo en haar oudere broer Louis zijn de grootste namen, maar het Bouwmeestergeslacht heeft een tiental bekende acteurs voortgebracht.
Dynastie klinkt adellijk en zo had Theo het later graag gezien. In haar memoires noemt ze zich een nakomelinge uit een oud-Gelders geslacht dat afstamt van de zeeheld Maarten Tromp. Daar blijkt niets van waar. Haar ouders hadden een reizend toneelgezelschap, waar alle kinderen – ook die uit Rosenveldts wettige huwelijk – deel van uitmaakten zodra ze konden acteren. Theo groeide de eerste jaren op in Rotterdam, verzorgd door haar grootmoeder. Ze was zeven toen ze haar eerste rolletje speelde en niet lang daarna mocht ze mee met het familiegezelschap, van stad naar stad en van school naar school. Het was een armoedig bestaan en van ontwikkeling kwam niet veel. “Ze zegt: ‘Vrauwen’ en ‘trauwen’”, schreef een recensent later.
De heel vroege dood van haar beminde moeder in 1865, was een grote slag voor de vijftienjarige Theo. De familie woonde op dat moment in Amsterdam, op het Rokin vlakbij de Langebrugsteeg. Louis Bouwmeester, de oudste zoon, nam de leiding van de familie over van zijn zwaar aangeslagen vader. Theo kreeg haar eerste engagement bij het gezelschap Louis Bouwmeester & Co, dat aanvankelijk optrad in een houten zomertent in de Plantage en later in het theatertje Diligentia in de Kalverstraat 122. Ze was zestien, maar als ze door de Kalverstraat liep, voelde ze de mensen denken: Daar loopt een actrice! Tijdens de Amsterdamse kermisweken in september stonden ze in een tent op het Amstelveld, net als andere theatergezelschappen.

Komedie en drama
Doortje was amper zeventien toen ze in 1867 trouwde met de ‘orkestmeester’ van haar gezelschap, de negen jaar oudere Maurits Frenkel. Ze was niet verliefd, liever was ze naar het gezelschap van haar tante Hector Bouwmeester in Parijs gegaan. Op haar 23ste had ze al drie kinderen gekregen, van wie de oudste snel was gestorven. Maar ze bleef spelen, als Doortje Frenkel-Bouwmeester, altijd in gezelschappen van haar broer. Toen Louis in 1873 de directie kreeg van de Salon des Variétés in de Amstelstraat met de acteurs Nathan Judels en Pierre Boas, zocht ze een huis in Amsterdam voor haar gezin. Ze was zwanger van een vierde kind. “Een huis zoeken in Amsterdam was een afmattende bezigheid”, schrijft ze in haar memoires. Er bestonden nog geen woningbureaus, geen huurrijtuigen aan de stations, geen trams door de stad. Je moest naar de wijken lopen die geschikt leken. Amsterdam, voor haar een wereldstad, was “niet veel anders dan een vrij stille plaats, met hobbelige keien en gootplanken in alle straten, vrouwen in jakken, mannen in boezeroenen, veel dronken mensen. Stijf en ouderwets geklede burgerij, met maar een paar cafés. Een chic gekleed mens liep de kans om uitgejouwd te worden.”
Een paar dagen na hun aankomst in Amsterdam overleed Maurits (32) aan tyfus. Theo, nu kostwinner, speelde in de kleine rokerige Salon in melodrama’s en komedies terwijl haar inwonende schoonmoeder oppaste. Ze woonden op de Heiligeweg, later in de Engelsesteeg, zijsteeg van de Nieuwendijk. Het kort na de dood van zijn vader geboren zoontje Maurits werd, een paar weken oud, ernstig ziek. In de pauze van een komedie in het theatertje, rent ze naar huis waar het jongetje blijkt gestorven. Ze heeft het stuk daarna nog uitgespeeld. “Het werk stuwde mij voort, door alles heen”, verklaart ze in haar memoires haar onvoorstelbare overlevingskracht. De zes jaar bij de Salon met ‘toneelmonsters’ als Marmeren beelden, ijskoude harten, noemde ze later heel leerzaam.

Huiveringen van bewondering
De grote omslag kwam in 1880. Voor het eerst zag ze de Franse diva Sarah Bernhardt optreden, in het Grand Theâtre van Abraham van Lier, ook in de Amstelstraat. Het was een openbaring. Bernhardts spel en repertoire werden haar voorbeeld: Franse salonstukken met in de hoofdrol de elegante en verleidelijke vrouw, ‘la grande amoureuse’, die haar liefdesavonturen meestal met de dood moest bekopen. Ze behaalde geweldige successen bij het Grand Theâtre, onder andere als Marguerite Gautier in La dame aux camélias van Alexandre Dumas fils. Het stuk dat Verdi tot La Traviata inspireerde, gaat over een courtisane die bijna ‘gered’ wordt door een smoorverliefde, nette provinciaalse jongen. Maar als zijn vader haar dwingt zijn familie deze schande te besparen, verlaat ze hem, om ten slotte in haar minnaars armen te sterven. Het romantische repertoire werd hét genre van Doortje Frenkel-Bouwmeester, die zich rond 1883 Théo ging noemen. (Het Franse accentje verdween later weer.) Ze had spraaklessen genomen. “Het ruwe dialectmatige dat dikwijls haar taal ontsierde, heeft plaats gemaakt voor goed en zuiver Nederlands”, schreef het Algemeen Handelsblad.
In 1885 werd ze eerste actrice bij de Koninklijke Vereeniging Het Nederlandsch Toneel in de Stadsschouwburg aan het ‘Plein’. Fedora van Victorien Sardou – voor Sarah Bernhardt geschreven – maakte haar in een keer dé toneelspeelster van het moment. “Huiveringen van bewondering gingen door de zaal”, aldus de Nieuwe Rotterdamsche Courant. Behalve in Franse stukken stond Theo elk Nieuwjaar als Badeloch in de Gijsbrecht van Vondel. En ze werd vermaard om haar chique kostuums. Ze maakte ze zelf. In tegenstelling tot acteurs moesten alle actrices voor hun eigen kostuums en accessoires zorgen. In de deftige modezaak Hirsch op het Leidseplein keek ze net zo lang naar een jurk totdat ze het model in haar hoofd had.

Liefde en ongeluk
Op het toneel bewoog ze zich in een wereld van weelde, in haar eigen leven zat ze “met dat eeuwige potloodje altijd te rekenen”. Na vele verhuizingen in het begin van haar carrière woonde ze nu wat meer op stand, op de Leidsekade. Ze had een korte affaire met de veel jongere schrijver Karel Alberdingk Thijm alias Lodewijk van Deyssel, die haar openlijk adoreerde in De Amsterdammer, maar ze hertrouwde in 1891 met de vijftien jaar jongere acteur Henri Brondgeest. Na zeven jaar scheidden de twee; hij was te “bohemien en verkwistend”, schrijft Theo, die haar financiële zorgen alleen maar zag groeien. Niet veel later ontmoette ze in 1899 de componist en dirigent Gottfried Mann. Het lijkt de meest gelukkige match in haar leven te zijn geweest, maar na vier jaar sloeg het ongeluk toe toen Gottfried psychisch instortte en moest worden opgenomen in een inrichting, waar hij in 1904 overleed. Voor altijd bleef ze mevrouw Mann-Bouwmeester. Gelukkig in mijn spel, ongelukkig in de liefde, zegt ze zelf.
In februari 1890 werd de Stadsschouwburg door brand verwoest. Mede dankzij de steun van bankier en mecenas Abraham Wertheim kon de Koninklijke Vereeniging doorgaan met haar voorstellingen, meestal in het Grand Theâtre in de Amstelstraat. Na de heropening van de schouwburg in 1894 hield de directie van de Koninklijke vast aan het inmiddels verouderde romantisch repertoire, dat met Theo overigens nog altijd veel toeschouwers trok. Zijzelf kreeg langzamerhand ook behoefte aan het spelen van moderne, meer levensechte stukken, zoals van Henrik Ibsen. Ze bewees haar veelzijdige talent als de vrouw van Voerman Henschel in het gelijknamige stuk van Gerhart Hauptmann. Maar de Koninklijke Vereeniging hield de naam van een ingeslapen, deftig oud gezelschap. Theo kreeg steeds minder belangrijke rollen; de voorkeur ging uit naar jongere actrices. Haar fans stuurden boze brieven naar het bestuur, maar dat veranderde niets. Het tekent Theo’s loyaliteit dat ze desondanks trouw bleef aan de Stadsschouwburg.

Theo Mann-Bouwmeesterring
Bij haar 40-jarig jubileum in 1911 kreeg ze van een comité van Amsterdamse bewonderaars de Theo Mann-Bouwmeesterring, gemaakt door de edelsmid Jan Eisenloeffel. Het was de eerste Nederlandse toneelprijs. Theo beloofde die te zijner tijd door te geven aan een actrice die ze “beschouwde als de beste in haar kunst”. In 1934 gaf ze de ring aan de actrice Else Mauhs.
De betrekkingen tussen mevrouw Mann en de directie van haar gezelschap verslechterden drastisch toen zij in januari 1920 meedeed aan de toneelspelersstaking tegen de willekeur van de toneeldirecteuren. De belangrijkste eis was: acteurspensioenen. De spelers van de Koninklijke Vereeniging hadden als enige in het land een pensioenregeling, maar Theo wilde haar solidariteit tonen met haar collega’s elders. Toen zij in 1925 recht kreeg op haar uitkering – ze was nu 75 – weigerde de directie die te geven. ‘Financiële problemen’, was de verklaring, maar iedereen begreep dat zij gestraft werd voor haar deelname aan de staking. De algemene verontwaardiging was zo groot dat de gemeente Amsterdam besloot haar een erepensioen te geven van f3000,-.
In 1926 hield Theo een afscheidstournee: “Ik moest mijn publiek vaarwel zeggen, nog eenmaal het middelpunt zijn, nog eenmaal die stampvolle zalen zien. En dan, eerst dan, rust.”  Dat publiek bleef haar op handen dragen; als zij verscheen bij premières of jubilea in de Stadsschouwburg volgde altijd een ovatie.
Theo Mann-Bouwmeester overleed op 18 april 1939 thuis in de Roemer Visscherstraat. De toneelwereld eerde haar in 1955 met een tweede toneelprijs: de Theo d’Or, de prijs voor de beste vrouwelijke hoofdrol van het seizoen, die jaarlijks wordt uitgereikt, op 4 september j.l. als laatste aan Abke Haring/Marlies Heuer/Alejandra Theus.
Tenslotte: in de Stadsschouwburg staat een bronzen buste en hangen drie portretten van Mann-Bouwmeester. Het levensgrote schilderij uit 1900 van Pieter de Josselin de Jong is in slechte staat. Dat geldt ook voor het doek van Esther de Boer-van Rijk als Kniertje en voor andere portretten. Waarom zorgt de Stadsschouwburg zo slecht voor dit cultureel erfgoed?

Tekst: Joosje Lakmaker is journalist.