Nummer 10: oktober 2014

10-2014 Inhoud-2-Breitner

'Wat, hondenweer?' 

De schetsboeken van George Breitner

Schilder George Breitner is bijna even beroemd om zijn foto’s, die hij maakte om te kunnen schilderen. Zijn schetsboeken zijn veel minder bekend. Nu zijn 117 schetsboeken bladzijde voor bladzijde beschreven en gedigitaliseerd. Een karwei van twee jaar in het Rijksmuseum. Veel onbekende gegevens over de kunstenaar kwamen aan het licht. Over zijn werkzaamheden in de binnenstad, rond zijn atelier op het Prinseneiland en op de bouwlocaties in de nieuwbouwwijken omstreeks 1900.

Op de meeste kaftjes van zijn 117 schetsboeken noteerde George Hendrik Breitner (1857-1923) nauwkeurig waarop de tekeningen betrekking hebben. Bijvoorbeeld: “Damrak gezien uit no. 56 Warmoesstraat”. Hij was niet toevallig op dat adres. Daar woonde journalist en historicus Jan de Balbian Verster, met wie hij nauw bevriend was. Die schreef voor Het Nieuws van den Dag het ene na het andere stuk over Amsterdam en omgeving. Vanuit zijn kamer, waar hij tot februari 1906 als vrijgezel woonde, had ‘Verster’ een mooi uitzicht over de drukke westzijde van het Damrak “in den tijd dat er nog zulke aardige oude huisjes aan de overkant stonden.” Aan dat mooie uitzicht dankte hij geregeld schildersbezoek, niet alleen van Breitner, ook van Isaac Israels, Willem Witsen en Oswald Wenckebach.
Breitner maakte verschillende schetsen vanuit de wijd geopende studeerkamerramen van zijn gastheer. Op een winterse dag, toen Verster ‘naar de krant’ was, zat Breitner te werken voor het geopende raam. “Hij had de kraag van zijn jas opgezet, want het regende en sneeuwde tegelijk, maar daar stoorde hij zich niet aan”, schreef Verster later. “Mijn hospita kwam binnen en begon te klagen over dat hondenweer. Toen werd Breitner werkelijk kwaad. ‘Wat hondenweer?! Maar het is prachtig, prachtig!’ De juffrouw ging hoofdschuddend heen en toen ik thuis kwam beklaagde zij zich over een bezoeker die wel mal leek en die geweigerd had om de ramen te sluiten en het had laten inregenen.”

Paarden
Breitner was een paardenschilder en -tekenaar bij uitstek. In Amsterdam hadden paardentrams en wagens volgeladen met vracht getrokken door een of meer paarden zijn warme belangstelling. Verster vergezelde hem vaak op zijn tochten door de stad. Hij herinnerde zich: “Op de Dam stonden we soms lang te wachten tot de paarden die hij hebben moest, vier schimmels, weer van den Haarlemmerdijk kwamen aanrijden. Dan maakte hij krabbels en ik hielp hem om de nieuwsgierigen af te leiden. Soms had ik wel bezwaar in zoo’n tocht, als het hard woei of regende, maar dan was hij in zijn element. ‘Maar kerel, zie je dan niet hoe mooi of het is?”’ Het was – zoals men later zou zeggen – Breitnerweer. Van veel trampaarden maakte hij schetsjes en soms noteerde hij zelfs hun namen erbij, zoals Kist en Wida. Bij een andere studie schreef hij: “paarden zijn melkwit”. Van Trampaarden op de Dam bestaan tenminste één geschilderde en twee geaquarelleerde versies en een tiental schetsen.
De hier afgebeelde aquarel is niet zonder slag of stoot tot stand gekomen. Op enkele plaatsen (vooral links bij de twee vrouwenfiguren op de voorgrond en bij de manen van de twee voorste paarden) zijn de effecten van het afsponzen van de aquarelverf zichtbaar. De kritiek was dan ook niet van de lucht toen Albert Plasschaert het blad op een tentoonstelling in 1911 zag hangen. Hij beschreef de paarden als “drie witte en een bruin” en karakteriseerde de figuur in de linker benedenhoek onder het dienstmeisje met het tulen mutsje als “het schriklijk hoofd van een gebrekkig? kind.” Hij doelde op het hoofd van de volksvrouw, dat op de andere twee versies niet voorkomt. Op de achtergrond is de wand bij de doorgang Dam/Rokin te zien, waar grote reclames op werden aangebracht. Deze blinde muur stond tegenover de monumentale sigarenwinkel van Hajenius, een zaak die later zou verhuizen naar Rokin 96. Voor de reclamewand is nog juist een paardentram met een deel van het reclameopschrift ‘Van Houten’ te zien.

Bouwputten stadsrand
Breitner heeft op veel plekken in de stad gewoond en een atelier gehad. Toen hij op de Lauriergracht woonde, leerde hij de jonge schilder Kees Maks kennen. Samen bezochten zij de bouwplaatsen waar Maks’ vader verantwoordelijk was voor het bouwrijp maken van de grond. In het voorjaar van 1897 werd aan de Barentszkade (nu Van Diemenstraat) een groot havenpakhuis gebouwd voor Het Nederlandsch Veem (nu werkgebouw Het Veem). De reusachtige bouwput aan de Oude Houthaven bood een fascinerende aanblik. Breitner maakte er het schilderij Heiwerk aan de Van Diemenstraat over. Vanuit zijn standpunt bij de IJ-oever kon hij de diepe put overzien, waarin met meerdere heistellingen tegelijk gewerkt werd aan de zware pakhuisfundering.
Die heistellingen had hij goed bestudeerd. De verticale palen – de ‘leiders’ waartussen het heiblok bewoog – kleurde hij geel. De wijd uiteen staande benen maakte hij donkerbruin. Een daarvan is het ‘klossenbeen’, met houten uitsteeksels zodat een heiwerker naar boven kon klimmen, bijvoorbeeld om de katrol op te hangen waarover het touw liep waarmee het blok omhooggetrokken werd. Het heien gebeurde in deze tijd niet meer met handkracht. Elke heistelling werd aangedreven door een eigen stoommachine. Op het diepste niveau staan er twee, een derde staat iets hoger, in het midden van het schilderij. Ze stoten grote rookwolken uit.
Breitner bezocht de bouwplaats meer malen in april-mei 1897. Hij maakte er schetsen en tientallen foto’s, zowel overzichten als detailopnamen van de werkende arbeiders, waarvoor hij ook in de put afdaalde. De man die aan de rechterzijde licht voorovergebogen op een heipaal zit, is precies zo op een van zijn foto’s aan te wijzen, net als de losjes in een paal geslagen bijl. Dat Breitner een goed waarnemer was blijkt wel uit een detail als de metalen ring in de rechter onderhoek. Dat is een ‘slagring’, die om de kop van de heipaal werd gelegd om te voorkomen dat het heiblok de kop zou stukslaan. Ze waren op elke bouwplaats te vinden.

Atelier Prinseneiland
Aannemer Cornelis Johannes Maks (1845-1911) had een werfje op een van de Westelijke Eilanden en bouwde in 1898 op het Prinseneiland naar ontwerpschetsen van Breitner tegenover het spoorviaduct een dubbel atelier, waarvan het kleinste van de twee (nr. 24A) bedoeld was voor zijn zoon Kees Maks en het grote (nr. 24B) voor diens leermeester Breitner. De twee ateliers, met hun classicistische houten ingangspoorten, keken aan de zuidkant uit op het water van de Eilandsgracht. De Balbian Verster, die als een van de weinigen binnen mocht, beschreef het zo: “Het was ruim als een kerk, zoodat hij er zelfs zijn eerste oefeningen kon houden in het fietsen.” Die fiets had Breitner volgens de overlevering geruild met uitgever Paul Nijhoff voor zijn schilderij Oosterpark in aanleg. “Maar op den duur kwam er ruimte te kort door al die studies en schetsen en de groote doeken die er naast elkaar op ezels stonden.” Breitner huurde zijn atelier van ruim 70 m2 en 5,70 meter hoogte tegen een vriendenprijs in ruil voor het begeleiden van de jonge Kees Maks. In het midden stond een reusachtige kachel. Hij werkte er overdag tot ongeveer half vijf. Rond etenstijd en ’s avonds ging hij de stad in of verbleef hij bij zijn vrouw Marie in hun woning aan de Overtoom.
Schuin aan de overkant van de gracht, ten westen van het Prinseneiland, lagen de Nieuwe Teertuinen. Vanwege brandgevaar waren de teerkokerijen in 1644 van de Oude Teertuinen – het stukje van de Prins Hendrikkade waar nu de Sint Nicolaaskerk staat – verplaatst naar de Sloterdijkgracht, die al gauw de Nieuwe Teertuinen heette. Aan de walkant lagen grote hoeveelheden vaten met teer die met walwindassen aan boord konden worden gehesen. Vroeger stonden er honderden van die apparaten in Amsterdam, nu is er nog maar één over: die van de voormalige teerwerf Ouwerkerk op het Prinseneiland. Ook de zeldzaam geworden dubbele houten wipbrug tussen de Galgenstraat met de Sloterdijkstraat schetste Breitner veelvuldig. Nu eens in grote lijnen, dan weer gedetailleerd bracht hij de bebouwing en de bedrijvigheid in beeld.

De Zandhoek    
Een paar honderd meter verderop lag de Zandhoek: de kade aan de noordoostkant van het Realeneiland die de Bokkinghangen (waar de haring werd opgehangen om te drogen) en de Grote Bickersstraat met elkaar verbindt. Daar woonde een andere bekende fotopionier, Jacob Olie. Breitner kwam er graag. Van deze schilderachtige kade maakte hij twee afbeeldingen. Één versie schilderde hij op basis van een uitvergrote foto die hij voorzag van een met potlood aangebrachte kwadratuur. Ook maakte hij een omtrektekening van de belangrijkste contouren.
Op de voorgrond liggen de besneeuwde houtvlotten in het water van het Westerdok, bestemd voor de houtzagerijen aan de Zaan. Rechts de Petemayenbrug, de verbinding tussen Bokkinghangen en Zandhoek. De gevelrij aan de kade wordt onderbroken door de Taanstraat en gaat na de Realengracht over in de Grote Bickersstraat. De Zandhoek dankt zijn naam aan de zandmarkt die er werd gehouden. Aan het water staan ‘zandhuisjes’ voor de marktmeester. In de verte is nog juist het koepeltorentje van de Eilandskerk te zien, dat in 1910 van het dak werd verwijderd.
Op de omtrektekening staan uiterst links de drie torens van de katholieke kerk De Posthoorn. Achter de ophaalbrug (rechts) is op de foto de schoorsteen te zien van de voormalige Maatschappij De Atlas, fabriek van Stoom- en andere Werktuigen aan de Zoutkeetsgracht, sinds 1890 de fabriek van de Nederlandsche Plantenboter Maatschappij. Die is op het schilderij en de omtrektekening weggelaten. Een detail als de man die in het Westerdok midden tussen de houtvlotten zit, heeft Breitner weer wel van de foto overgenomen.
Hij heeft veel bedrijvigheid in beeld gebracht op de Westelijke Eilanden en in de omgeving van het nabijgelegen Haarlemmerplein. Met een boot is dit gebied goed te doorkruisen en zijn de plekken die hij geschilderd heeft vaak nog duidelijk te herkennen. In 1914 vertrok Breitner uit zijn grote atelier op Prinseneiland, omdat hij het er zomers te warm en ’s winters te koud vond. Zijn werkkracht nam daarna met het jaar af. Hij sukkelde met zijn gezondheid en na een hartaanval is hij op 5 juni 1923 thuis gestorven. Hij werd begraven op de Nieuwe Oosterbegraafplaats naast zijn vriend de schilder Willem Witsen, die enkele weken eerder overleed.

TEKST: FREEK HEIJBROEK & ERIK SCHMITZ

TENTOONSTELLING, BOEK
Tentoonstelling Breitner schetst Amsterdam. 10 oktober 2014–1 februari 2015 in het Stadsarchief Amsterdam (Vijzelstraat).
Een beeld van Breitners Amsterdam aan de hand van de recent gedigitaliseerde schetsboekjes, schilderijen, aquarellen en foto’s. Er is werk te zien uit de collecties van het Rijksmuseum en het Stadsarchief, aangevuld met soms weinig bekende schilderijen en aquarellen uit onder meer het Teylers Museum, het Gemeentemuseum Den Haag, Kröller-Müller Museum, Museum Boijmans van Beuningen en bruiklenen van particulieren.

Publicatie George Hendrik Breitner in Amsterdam, Freek Heijbroek en Erik Schmitz, Uitgeverij THOTH, 176 pagina’s van 23 x 28 cm, 250 illustraties in kleur (gebonden €32,50, paperback €24,95).
Rijk geïllustreerd boek waarin aan de hand van nieuw onderzoek veel schetsen, tekeningen, foto’s, aquarellen en schilderijen van Breitner uit zijn Amsterdamse periode worden gepresenteerd.

Rondleidingen over de tentoonstelling en stadswandelingen langs de locaties die Breitner geschilderd heeft of waar hij één van zijn vele ateliers had.