Nummer 10: oktober 2014

                                                                                       10-2014 theo van goghTien jaar na de moord op Theo van Gogh
Het was op de vroege ochtend van 2 november 2004 dat Theo van Gogh werd vermoord. De dag staat in ons geheugen gegrift. Amsterdam trok wit weg, maar beet van zich af met een lawaaidemonstratie op de Dam. Toenmalig burgemeester Job Cohen blikt terug.

 

Bijna tien jaar geleden (2 november 2004) werd Theo van Gogh in de Linnaeusstraat op beestachtige manier vermoord. De daad schokte Amsterdam, Nederland en de wereld, en dreigde al bestaande spanningen fataal te versterken. Burgemeester Job Cohen moest dat voorkomen en de basis leggen voor nieuwe saamhorigheid. Tien jaar later blikt hij terug.

“Ja, het was dinsdagochtend en dan is altijd om half tien de wekelijkse B&W-vergadering. Voor negenen had ik nog een klein overlegje, ik weet niet meer precies met wie, in het vergaderzaaltje naast mijn werkkamer. Om tien voor negen ging mijn mobiele telefoon: plaatsvervangend hoofdcommissaris Cor Gorissen. Hij vertelde dat tien minuten geleden Theo van Gogh in de Linnaeusstraat werd neergeschoten en -gestoken. Of hij dood was, wist Gorissen nog niet. Al bellend liep ik de kamer uit, naar de wachtruimte voor bezoekers van de burgemeester. Ik zie me daar nog staan. Het bloed trok weg uit mijn gezicht.”
Korpschef Bernard Welten (het was pas zijn tweede werkdag) was intussen naar de plek des onheils gesneld. Daarvandaan belde hij de burgemeester en de hoofdofficier van Justitie, Leo de Wit. Theo van Gogh was zonder twijfel dood. Met doorgesneden keel, en op zijn buik geprikt een briefje met bedreigingen aan het adres van onder meer de liberaalfeministische politica Ayaan Hirsi Ali en de Marokkaanse PvdA-wethouder Ahmed Aboutaleb.

‘Zalvende hopman’
De moord veroorzaakte een geweldige schok. Maar dat er spanningen waren tussen verschillende bevolkingsgroepen, was de voorgaande jaren al wel duidelijk geworden. Op verschillende niveaus.
In de klaslokalen van sommige ‘zwarte’ Amsterdamse scholen waren de aanslagen op de Twin Towers in New York op 11 september 2001 luid toegejuicht, net zoals de bomaanslagen op vier ochtendtreinen in Madrid precies tweeënhalf jaar later (11 maart 2014). Met deze gewelddaden was het internationale conflict tussen de radicale islam en ‘het Westen’ dichtbij gekomen. Al langer sluimerende spanningen in de stad werden erdoor blootgelegd. De gemengde bevolkingssamenstelling in sommige buurten leidde bij een deel van de stadsbewoners tot onderhuids wantrouwen, angst en vermijding, terwijl het stadsbestuur juist pal stond voor de multiculturele samenleving.
Theo van Gogh behoorde tot de felste criticasters op dat punt. In zijn ogen trad de gemeente veel te slap op tegen moslims. Er was in de voorgaande weken veel te doen geweest over een echtpaar dat hun huis in de Diamantbuurt was ontvlucht wegens aanhoudende pesterijen door een groepje Marokkaanse ‘hangjongeren’. Drie dagen voor zijn dood lanceerde Van Gogh in zijn column in het gratis dagblad Metro een felle aanval op Job Cohen: “De Amsterdamse politie heeft geen interesse om autochtonen, die bedreigd worden door een steeds agressiever wordende minderheid, te hulp te komen. En Cohen al helemaal niet.... Cohen kroop na 11 september voor de gelovigen en betoogde: ‘Jullie horen bij ons!’, in plaats van te vragen: ‘Wat doen jullie eigenlijk hier?’ Cohen gedraagt zich als een burgemeester in oorlogstijd en dat bedoel ik niet als compliment. En ik vraag me af hoe lang autochtonen nog welkom zijn in Amsterdam.”
Hun enige persoonlijke ontmoeting had plaats gevonden op 8 november 2001, toen Cohen nog geen jaar burgemeester was. Op uitnodiging van het Parool Theater interviewde hij in dat intieme zaaltje in de Sint Pieterspoortsteeg de rondborstige filmer en columnist. Konden die columns niet wat minder respectloos?, vroeg Cohen. Van Gogh: “Respect is de stoplap van de multiculturele samenleving, waarvan u de zalvende hopman bent.”

Geen slapjanus
“Toen ik hier in 2001 burgemeester werd, kwam ik betrekkelijk blanco aan”, zegt Cohen. “Ik kende de stad nog nauwelijks. Maar ik wist dat er in Amsterdam enorm veel verschillende groepen waren, dus ik had wel het gevoel dat daar een opgave lag. Vandaar dat ik in mijn eerste persconferentie op de dag van mijn benoeming zei dat een van mijn ambities was om ‘de boel een beetje bij elkaar te houden’. Achteraf wordt dat als geweldig visionair gezien, maar zo was het helemaal niet bedoeld. Eerder een relativerende, kleine hommage aan Joop den Uyl. Op de vraag wat nou zijn belangrijkste taak was als premier, zei hij: ‘Och, ’t is toch vooral ook de boel een beetje bij elkaar houden, hè.’”
Wat vond Cohen eigenlijk van Theo van Gogh? “Tja, ik kende hem niet persoonlijk. We hadden elkaar maar één keer ontmoet. Ik heb wel begrepen dat hij in het persoonlijke leven een ongelofelijk aardige kerel kon zijn. En daarnaast was het natuurlijk een ongelofelijke zak; iemand die mensen rücksichtslos kon aanvallen. Maar tegelijkertijd iemand met heel grote talenten.”
Kwam zijn kritiek hard aan? “Och, ik was het daar niet mee eens, maar het deed me niet zo veel. Kritiek raakt je vooral als je je erin herkent. Kijk, Van Gogh had een hang naar weerspannigheid, maar zijn analyse van gevaarlijke tendensen in die Marokkaanse gemeenschap was zo slecht nog niet. Hij had natuurlijk ook een enorm hart voor de samenleving. Zijn aanpak was de mijne niet, maar ik denk dat we het op een aantal punten niet zo oneens waren. Maar ja, dat zag hij liever niet.”
Geen slapjanus dus? “Dat is me vaak verweten, maar mijn aanpak was niet zo soft. Ik vind dat mensen zich hier moeten houden aan de rechtsstaat en dus aan de wetten die we hebben. En als Marokkaanse jongens daarop aangesproken worden, moeten ze niet roepen dat ze worden gediscrimineerd! Ik wilde geen onnodige polarisatie, maar dat is iets anders dan pappen en nathouden. Iedereen moet tot zijn recht kunnen komen, maar wél binnen de kaders van onze democratische rechtsstaat.”
Was dan alle kritiek onterecht? Bijvoorbeeld ten aanzien van de pesterijen in de Diamantbuurt? “Nee… Dáár ben ik niet tevreden over. Maar bedenk wel, als je burentreiteraars weg wilt krijgen, heb je dikke dossiers nodig. Die waren er niet en daarmee zijn wij wel begonnen.”  

Lawaaidemonstratie
Terug naar  dinsdagochtend 2 november. Job Cohen: “Al heel snel meldde mijn directeur Openbare Orde en Veiligheid Maureen Sarucco zich. Zij zette van alles in werking. Gelukkig lag er al een draaiboek voor dreigende maatschappelijke crises: het Draaiboek Vrede. Dus werden stadsdeelvoorzitters en wijkagenten gealarmeerd. De politie was enorm bezig. En om half tien zaten we met het college bij elkaar, in totale verslagenheid.” Cohen vertelde heet van de naald dat de dader – zoals gevreesd – een fundamentalistische 26-jarige Marokkaanse moslim was, ene Mohammed Bouyeri. Hoe zou de stad daarop reageren? Het nog vage idee kwam op om ’s avonds een grote bijeenkomst te organiseren om samen als Amsterdammers emoties te delen.
Na een eerste overleg van ‘de driehoek’ (de burgemeester, hoofdcommissaris Bernard Welten en hoofdofficier van justitie Leo de Wit) belde Cohen tegen elven Paroolcolumnist Theodor Holman. Cohen: “Toevallig hadden we elkaar nog de vorige avond ontmoet in De Rode Hoed, waar gevierd werd dat Bart Tromp 25 jaar columnist was van Het Parool. In dat telefoongesprek riep Holman: ‘In godsnaam geen stille tocht! Er moet een hoop lawaai gemaakt worden.’ Dus besloot B&W dat er ’s avonds een lawaaidemonstratie op de Dam moest komen.”
Om één uur gaf ‘de driehoek’ een eerste persconferentie, waar voorzichtig werd verteld dat de dader een 26-jarige Amsterdammer was met zowel de Nederlandse als Marokkaanse nationaliteit en waar de lawaaidemonstratie werd aangekondigd. Daarna verkasten Cohen, Welten en De Wit naar het Hoofdbureau van Politie. “We zochten vooral koortsachtig naar meer informatie over de dader en zijn omgeving. En we kregen steeds meer aanwijzingen dat de landelijke inlichtingendienst, de AIVD, allang dingen wist die onze politie niet wist. Onder andere over zijn rol in die radicale ‘Hofstadgroep’. Daar was de politie natuurlijk razend over. We hebben er nog een beetje gedoe over gehad met Den Haag. Maar ik koos er toen voor dat niet naar buiten te brengen, want er was al onrust genoeg.”
Laat in de ochtend kwam het bericht door dat Rita Verdonk, de omstreden VVD-minister van Vreemdelingenzaken, ’s avonds óók wilde spreken op de Dam. Mede als ‘vriendin van Theo’.  Cohen was niet enthousiast. “Waarom speciaal zij? Maar toen bleek dat zij erg graag wilde en premier Balkenende dat prima vond, heb ik tegen mijn mensen gezegd: ‘hier gaan we geen ruzie over maken’.”

 ‘Dat mág in dit land!’
’s Avonds sprak een verbeten burgemeester op de afgeladen Dam. “Er is vandaag een Amsterdammer vermoord. Hij maakte veel ruzie, ook met mij. En dat mág in dit land! Theo van Gogh handelde in de geest van Voltaire van wie de volgende uitspraak vaak wordt aangehaald: ‘Ik ben het in alles wat u zegt met u oneens, maar ik zal blijven strijden voor uw recht het te mogen zeggen.’”
Was hij nerveus? “Nee, die hele dag moest er zo veel gebeuren; aan zenuwen kwam ik niet toe.” Wel voelde hij dat een deel van het publiek niet dol op hem was, “alsof ik Van Gogh vermoord had.” “Maar ik dacht: ik heb een goed verhaal, en dat zal ik vertellen. En toen ik sprak, werd het ook stil. Die tekst maakte ik overigens niet alleen. Ik had er ’s middags heel even over gepraat met mijn medewerker Geert Jan ter Linden en hij mailde een concept naar het politiebureau, waaraan ik nog geschaafd heb. Dat over het ruziemaken kwam van mij, het Voltaire-citaat van hem.” Na Cohen sprak Verdonk. Zij waarschuwde tegen ‘wraak om de wraak’, maar vertelde toch vooral graag dat Van Gogh het helemaal eens was met haar keiharde vreemdelingenbeleid: “Rita, hou je rug recht!”
De volgende dag uitte de burgemeester in de gemeenteraad zijn bezorgdheid over de groeiende spanningen, de “haat en angst” tussen bevolkingsgroepen in de stad. “Ik kan u vertellen wat ik ga doen en wat ik aan het doen ben. Ja, de boel bij elkaar houden. Daar kan men cynisch over doen, maar dat kan me niet schelen. Wat is het alternatief? Niet meer met moslims praten?... Ik pas daarvoor. Ik ben burgemeester van alle Amsterdammers.”
Dezelfde middag richtte wethouder Ahmed Aboutaleb zich op eigen initiatief in de Al-Kabir moskee op de Weesperzijde buitengewoon helder tot de Marokkaanse gemeenschap: “Wie niet met de Nederlandse samenleving en haar verworvenheden mee wil doen, kan beter zijn koffers pakken. Het kan niet zo zijn dat iemand van ons allen eist dat we zijn opvattingen respecteren en tegelijkertijd niet bereid is de opvattingen van anderen te respecteren. Laat als moslims uw geloof niet jatten, laat uw geloof niet jatten door fanatici.”
Cohen: “Dat vond ik geweldig! Inderdaad: je hoeft je niet volledig aan te passen, maar je hebt je wel te houden aan onze wetten. Maar als ík dit in de moskee gezegd had, was het niet zo overtuigend aangekomen. Zo kregen we een mooie rolverdeling. Er was een diep vertrouwen tussen ons.” Beiden deelden ook maandenlang een stevig ongemak: permanente persoonlijke beveiliging.

Balans
De balans opmakend, ziet Cohen zijn eigen beleid niet in de laatste plaats als een verzet tegen de oorlogstaal van ook de toenmalige regering tegen ‘andere culturen’. Cohen: “Hele bevolkingsgroepen aanspreken op wat individuen hebben gedaan, dat schiet niet op.” Zou een meer confronterende aanpak beter hebben gewerkt? “Dat weet je nooit. Maar ik kan niet anders, ’t zit in mijn DNA. Ik koester de gedachte dat grotere ongelukken uitbleven. De Theodor Holmannen vonden het natuurlijk helemaal niks. Maar je kunt ook zeggen: zeker 80% voelde zich er prettig bij. Dat is geen slechte score.”

SERGE MARKX IS HISTORICUS EN COMMUNICATIEADVISEUR.