Uit het dagboek van kappersdochter Annie van Velsen (7)

e7c70127-8dfd-e562-f159-025590376dfc"22 juni [1916]
Als ik mij iemand voorstel die ik eens lief zal hebben, dan zie ik nooit wat voor gezicht hij zal hebben, maar wel altijd dezelfde gestalte, lenig en veel groter dan ik.
Hoewel ikzelf klein ben, lijkt het mij toe dat ik nooit van een man zal houden, of hij moet groot zijn.

22 Juni, half zes
Het is eensklaps wam weer geworden. Ik vind het zelfs te warm om mijn gewone dagelijksche wandeling te maken. temeer daar ik vanmiddag met Elly naar de Lunchroom ben geweest.
Onderweg langs een boekwinkel komende, zegt Elly tegen mij: dat vind ik toch ook leuk om te hebben, maar niet om in te schrijven, terwijl zij mij een mooi dagboek aanwees. Waarvoor zou ze het dan willen hebben, als het niet om te schrijven is? Ik vertelde haar toen dat ik als kind reeds een dagboek hield, doch dat ik nu een mooi dik boek gekocht had. Ik vind dit boek veel leuker als zo'n dagboek met mooie letters erop en een lederen band, want die zijn zoo dun; die zouden bij mij dadelijk vol geschreven zijn, en daarvoor behoef ik nu niet bang te zijn.


Gisteren middag, toen ik met Moe op de Munt liep, kwamen wij Flip Mellenberg tegen en,  o wonder, hij herkende mij dadelijk, hoewel ik niet denzelfden hoed op had als van de week. Hij nam heel beleefd zijn hoed af -- en dat is nu het vervelende: nu ben ik er niet zeker van of ik zijn groet wel beantwoord heb.  Het was ook zoo vreemd: ik keek toevallig op en kijk hem precies in zijn oogen, die op dat oogenblik leuk blauw waren. Hij herkend mij ook en neemt zijn hoed af en ik krijg er een kleur van. Nu weet ik niet meer of ik hem in mijn verwaring alleen maar heb aangekeken, of dat ik ook geknikt heb. Ik hoop het laatste maar, want ik zou het erg jammer vinden als hij mij voortaan zonder groeten voorbij liep."