Architect Co Franswa, 1898-1964 Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     December 28, 2010    
4744   0   0   0   0   0

Man van torentjes

012011-inhoud_5De late Amsterdamse School-architect Co Franswa kan nauwelijks bogen op grote bekendheid. Maar de Rivierenbuurt en de omgeving van het Hoofddorpplein zouden er nu heel anders uitzien zonder de vele comfortabele woningblokken die hij er in de jaren twintig neerzette. Anders dan veel generatiegenoten werkte hij niet voor woningbouwverenigingen, maar boorde hij zijn eigen markt aan. Alleen de allerbeste materialen waren goed genoeg voor zijn klandizie.

Jacobus Johannes Bernardus Franswa werd op 26 maart 1898 in hartje Amsterdam geboren. Zijn vader was huis- en decoratieschilder, maar bestierde ook een dansschool, Chez François geheten. De onalledaagse achternaam, duidelijk een verbastering van François, is vermoedelijk terug te voeren op een buitenechtelijk kind uit de betere kringen in Amsterdam en Groningen dat aan het einde van de 18de eeuw in Amsterdam te vondeling werd gelegd.
Co Franswa volgde een avondschool voor timmerlieden en later de Industrieschool, waar hij uitblonk in bouwkunde en tekenen. Vanaf zijn 14de was hij ook aan het werk bij diverse bazen. Hij toonde ambitie en talent, en klom via de functies tekenaar en opzichter op. Bekend is dat hij als tekenaar voor de betrekkelijk onbekende Amsterdamse architect P. van Dijk werkte aan de nog steeds bestaande opticienwinkel van Schmidt op het Rokin. Zijn broer Jan volgde een soortgelijk pad en zou later aannemer worden.
Belangrijk voor zijn ontwikkeling is dat Franswa, waarschijnlijk in 1918, bouwkundig tekenaar werd bij het bureau van Jan van der Mey, de Amsterdamse School-architect die vooral bekend is van het Scheepvaarthuis. Aan dat project werkte Franswa mee, onder andere met een gevelontwerp voor een (nooit uitgevoerde) uitbreiding. Franswa zou het er schoppen tot chef de bureau. Van der Mey was tegelijkertijd leermeester, collega, vriend en af en toe ook een beetje vijand. De twee hadden vaak onenigheid over geld. Van der Mey kon zó slecht omgaan met geld dat hij uiteindelijk failliet ging. Hij betaalde Franswa niet of pas na veel gedoe. Illustratief is dat Franswa vanwege geldgebrek maar liefst zes jaar verloofd was voordat hij een huwelijk aandurfde. Hij trouwde in augustus 1923 met Mies Marsman. Het echtpaar kreeg in hetzelfde jaar al een dochter (Micky) en in 1930 een zoon (Sjaak), die ook architect zou worden.

Droom aan de Apollolaan
Andere architecten met wie Co Franswa veel te maken had zijn de vrijwel altijd in één adem genoemde Zeeger Gulden en Melle Geldmaker. Zowel afzonderlijk als met Van der Mey samen, werkte Franswa als freelancer voor dit succesrijke duo. Zo was hij medeontwerper van onder andere woningbouw aan de Gerrit van der Veenstraat (toen Euterpestraat) in 1925.
De invloed van Van der Mey is in Franswa’s hele oeuvre te zien. Hoewel Franswa tot de ‘versoberde’ Amsterdamse School wordt gerekend, was hij net als Van der Mey nooit zuinig met versieringen en variaties. Ook bij Van der Mey bleef Franswa doorleren: in 1920 schreef hij zich in voor het befaamde Hooger Bouwkunst Onderricht. Hij voltooide de opleiding niet omdat hij onmiddels al heel wat opdrachten binnensleepte, maar maakte er wel een prachtig, bijna megalomaan ontwerp voor een schouwburg aan de Apollolaan (1924). Het is nooit meer dan een droom is gebleven en dat is jammer. Dat geldt ook voor een prijsvraagontwerp van vijf jaar later voor woonblokken aan het voormalige August Allebéplein in Nieuw-Zuid (het verbrede deel van de Apollolaan ter hoogte van het Hilton Hotel droeg tot 1958 die naam).
Een van zijn docenten was de gerenommeerde architect Jan Frederik Staal, ontwerper van de ‘Wolkenkrabber’ uit 1931 op het Daniël Willinkplein (sinds 1946 Victorieplein). Staal hielp zijn pupil in 1924 aan diens eerste volwaardige opdracht: een combinatie van een garage en een aantal woningen in de Lumeijstraat. Het pand staat nog steeds te pronken met zijn mooie Amsterdamse School-raampartijen. In de Watergraafsmeer zijn meer woonblokjes van Franswa bewaard gebleven. Ze tonen de voor hem kenmerkende pilaartjes, raampjes in de vorm van een wiebertje en wat hij zelf ‘muizetandjes’ noemde: uitstulpende groepjes bakstenen in een afwijkende kleur.

Luxe en kwaliteit
Curieus is ook de ‘schoen van Franswa’, een versiering boven op een enigszins driehoekige luifel zoals die te zien is bij zijn woningen aan de huidige Gerrit van der Veenstraat. De benaming was een verzinsel van bouwvakkers. Alles wijst erop wijst dat Franswa best tegen een aardigheidje kon, maar hij zal dit met gemengde gevoelens hebben aangehoord, want het sloeg op de orthopedische schoen die hij droeg. Op jonge leeftijd had hij een botontsteking gekregen, waarna zijn linkerbeen operatief elf centimeter was ingekort. Het deed allemaal weinig af aan een zekere neiging tot ijdelheid, die hem zijn leven lang kenmerkte.
Ornamenten zoals de ‘schoen’ gebruikte Franswa veel. Ook ruimde hij graag plaats in voor beeldhouwwerk; vaak nam hij dat al op in het schetsontwerp. Dat is bijvoorbeeld te zien bij de vele woonblokken die hij, al dan niet samen met Van der Mey, in de jaren twintig bouwde rond het Hoofddorpplein en die er voor het grootste deel nog staan. Een van de beeldhouwers met wie Franswa samenwerkte was ook de latere verzetsstrijder Gerrit van der Veen. Op de hoek van de Stadionkade en de Watteaustraat zijn nog twee – zij het beschadigde – van diens gevelbeelden te zien op een pand van Franswa. De versieringen en de details dragen ook nu nog bij aan de gedegen indruk die zijn woningen maken. De gebruikte materialen doen dat ook. Alleen de allerbeste materialen konden de goedkeuring van Co Franswa wegdragen.
Een van zijn mooiste panden stamt uit 1928 en staat op de hoek van de Beethovenstraat en de Bernard Zweerskade. Voor de verkoop van deze woningen maakte de brochure Flatbouw in Amsterdam-Zuid – er hing nog een sfeer van luxe en kwaliteit rond het begrip ‘flat’, dat net in Nederland was geïntroduceerd door de architect Philip Warners. Opvallend is de robuuste toren. Met torens had Franswa wel wat. Ze komen geregeld terug op vroege schetsontwerpen, om vaak in een later stadium weer te worden opgeofferd – ongetwijfeld uit kostenoverwegingen. Van een woningenproject aan de Hogeweg uit 1928 is een aquarel van Franswa bewaard gebleven. Daarop is te zien dat het nog bestaande blok vroeger een torentje had.

Zelfontworpen brochures
Een van zijn niet-gebouwde torens was een vanuit de Zeilstraat zichtbare klokkentoren voor het Hoofddorpplein. Later zou op dezelfde plaats een toren van Van der Mey verrijzen, die in de jaren zeventig is gesloopt. Een leuke toren staat ook aan de Linnaeusstraat. Het gerestaureerde complex woningen en winkels uit 1929 wordt inmiddels wel ‘het Franswa-blok’ genoemd.
Franswa moest het hebben van zogenoemde ‘eigenbouwers’, die zich na de Tweede Wereldoorlog projectontwikkelaars zouden gaan noemen. Hij kwam nauwelijks aan bod bij de woningbouwverenigingen, verreweg de belangrijkste opdrachtgevers voor de Amsterdamse School-architecten. Misschien speelde een rol dat Franswa op niet politiek betrokken was en zich tot geen enkele confessie rekende. Hij moest dus zelf de boer op en bracht zijn appartementen aan de man bij de gegoede middenklasse, in het marktsegment boven de sociale woningbouw. Hij maakte gebruik van zelfontworpen brochures met prachtige perspectieftekeningen en een misschien nog wel mooiere, voor die tijd zeer gedurfde typografie. De individuele wensen van zijn kopers en de afzonderlijke contracten moeten hem behoorlijk wat tijd en energie hebben gekost – en waarschijnlijk de nodige hoofdbrekens hebben bezorgd. Ook kwam het nogal eens voor dat ontwerpen niet werden uitgevoerd, omdat er geen of onvoldoende belangstellenden voor konden worden gevonden.
De glorietijd van Co Franswa lag in de tweede helft van de jaren twintig. Toen was hij buitengewoon productief. Behalve rond het Hoofddorpplein en in de Rivierenbuurt zijn er ook veel woningen elders in Amsterdam neergezet, vooral in Zuid. Hoewel het leeuwendeel van zijn oeuvre in Amsterdam staat, bouwde hij ook in plaatsen als Utrecht, Amstelveen, Vught en vooral Eindhoven.

Bescheidener opdrachten
Vanaf de jaren dertig, in de schaduw van de grote economische crisis en met de toenemende oorlogsdreiging in het verschiet, ging het slechter met de bouwmarkt, en vooral met de conjunctuurgevoelige eigenbouwers. Hoewel Franswa af en toe nog woningprojecten wist te realiseren, moest hij steeds vaker zijn toevlucht nemen tot bescheidener opdrachten, zoals verbouwingen. Eerder deed hij dat hooguit incidenteel. In 1927 bijvoorbeeld de gevel van Ruysdaelkade 7: een bijzonder en uitzonderlijk goed bewaard gebleven pronkjuweel van de Amsterdamse School. In 1939 kwam het nog tot een ontwerp voor drie villa’s onder één kap in Heemstede. Franswa wilde aanvankelijk zelf zijn intrek nemen in een van de woningen, maar zag daarvan af.
De verbouwingen betroffen vaak horecagelegenheden, bijvoorbeeld zijn eigen stamkroeg, waar hij elke maandag zat: het Italiaanse proeflokaal Ognibeni aan de Reguliersdwarsstraat (nu zit er de trendy bar Door 74). Ook café-restaurant Frankendaal aan de Middenweg kreeg van Franswa in 1934 een nieuw uiterlijk – waar later weer andere aanpassingen overheen zijn gegaan. In 1940 ontwierp hij het interieur en de meubels voor het legendarische, in het eerste oorlogsjaar geopende ‘verzetscafé’ Eijlders op het Leidseplein. Veel van de inrichting is nog intact. Na de oorlog hielp Franswa onder meer hotel Schiller op het Rembrandtplein te herstellen.
Na de oorlog duurde het enkele jaren voordat de reguliere woningmarkt weer normaliseerde. De eigenbouwers annex projectontwikkelaars vonden pas in 1953 hun draai met een aantal rijtjeshuizen, nogal overdreven herenhuizen genoemd, aan het Zuider Amstelkanaal. Het slaan van de eerste paal kwam in de kranten. Franswa nam flink wat van deze woningen voor zijn rekening. In die jaren werkte hij steeds vaker samen met zijn zoon Sjaak.
Zijn laatste Amsterdamse pand is een flatgebouw van vier verdiepingen in de Anton Verheijstraat uit 1955. Weinig doet nog denken aan de gebouwen uit zijn glorietijd. Evenzogoed kreeg hij er strubbelingen over met de schoonheidscommissie. Zijn allerlaatste klus was vermoedelijk in 1959: de verbouwing van een hotel in de Roemer Visscherstraat, die nooit is uitgevoerd. Co Franswa overleed op 24 mei 1964 in Laren.

Tekst: Sjaak Priester
Januari 2011

Powered by JReviews