Architect Dolf van Gendt, 1835-1901 Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     December 21, 2010    
5497   0   0   0   0   0

De productiefste bouwer van Amsterdam

Architect Dolf van Gendt (1835-1901) maalde niet erg om stijl, maar was een meester in de technische kanten van zijn vak. Volgens zijn kleinzoon was hij ‘zo muzikaal als een koe’. Desondanks wordt de concertzaal die Van Gendt in Amsterdam bouwde gerekend tot de beste van de wereld.

Zonder Dolf van Gendt zou Amsterdam er heel anders hebben uitgezien. Tegen het einde van de 19de eeuw was zijn architectenbureau waarschijnlijk het grootste van Nederland en in elk geval het productiefste. Er waren perioden dat hij en zijn medewerkers – onder wie zijn zoons – aan meer dan 100 projecten tegelijk bezig waren. Daaronder waren heel wat gezichtsbepalende panden, zoals het Concertgebouw (1888), de Hollandsche Manege (1880), de IJsbreker (1885) en de winkelgalerij in de Raadhuisstraat (1899). Het is nog maar het meest aansprekende deel van wat Van Gendt heeft nagelaten.
Er staan en stonden nog veel meer scheppingen van hem in de hoofdstad. En als een gebouw uit het laatste kwart van de 19de eeuw al niet ontworpen was door A.L. van Gendt, dan is de kans groot dat hij er als raadgevend ingenieur toch iets mee te maken had. Cuypers mag dan de bouwer van het Centraal Station zijn, hij klopte aan bij Van Gendt voor advies over de constructie. Hetzelfde deden Jan en Ko Springer toen ze een probleem hadden met hun Stadsschouwburg.
Het woord ‘schepping’ zou Van Gendt zelf waarschijnlijk niet graag hebben gebruikt voor zijn werk. De artistieke kant van de architectuur interesseerde hem nauwelijks. Het ging hem veel meer om technische uitdagingen. Hij noemde zichzelf dan ook bij voorkeur ‘ingenieur-architect’. Voor hem was de overkapping van de Grote Zaal het meest bijzondere aan het Concertgebouw. Daarin zat bijna zeventig ton aan voorgefabriceerde ijzeren spanten verwerkt. Op wetenschappelijke wijze had hij het draagvermogen getest door een van de spanten te belasten met een gewicht van 24 ton. Het spant was in 48 uur maar 5,5 millimeter doorgebogen, precies zoals hij dat berekend had.
Op zulke staaltjes was Van Gendt trotser dan de lof die hij meteen na de ingebruikstelling toegezwaaid kreeg over het feestelijke karakter van het Concertgebouw. Stijl vond hij maar bijzaak. Wat dat aspect betreft, kon de opdrachtgever het krijgen zoals hij het hebben wilde. Hoe warm en plezierig de gebouwen van Van Gendt tegenwoordig ook worden gevonden, de woorden waarmee architectuurcritici toen en nu de stilistische kanten van zijn werk beoordelen zijn nogal schraal: modieus, traditioneel, eclectisch, burgerlijk, pompeus, maniëristisch. Van Gendt, dat is eigenlijk altijd een torentje te veel. Sommige projecten worden hem tot op de dag van vandaag kwalijk genomen. Zo liet hij in 1882 de helft van een befaamde tweelinggevel van Philip Vingboons uit 1642 aan de Oude Turfmarkt afbreken en vervangen door een kopie van een Leidse gevel.

De Van Gendt-dynastie
Adolf Leonard (Dolf) van Gendt (18 april 1835-28 april 1901) is niet de enige architect met die achternaam. Hij wordt gezien als de grondlegger van een hele dynastie, hoewel hij niet de eerste van zijn familie was die zich aan de gebouwde omgeving wijdde. Zijn vader, Johan Godart van Gendt (1803-1875), was waterbouwkundige en hoofdingenieur (de hoogste rang) bij Rijkswaterstaat, en daarmee zat het bouwen al in de familie. Dolfs broers, Frederik Willem (Frits, 1831-1900), Johan Godart (Jan, 1833-1880) en Gerlach Jan (1838-1921) waren alle drie ook architect.
Ook de twee zoons die Dolf met Elisabeth Frederica van Elten kreeg, Johan Godart (1866-1925) en Adolf Daniël Nicolaas (1870-1932), werden architect. Ze werkten bij hun vader, en namen later het bureau over. Ze maakten belangrijke gebouwen (Dolf jr. bijvoorbeeld het Bungehuis in de Spuistraat), maar overtroffen niet het belang van hun vader.
De opleiding die de later zo zakelijk en technisch georiënteerde Dolf van Gendt kreeg, had wel degelijk een artistieke component: behalve de Polytechnische School in Delft bezocht hij de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Amsterdam. Zijn eerste betrekking was echter al meteen tamelijk aards. Hij was pas achttien jaar toen hij door zijn vader in de arm werd genomen als opzichter bij de bouw van een gevangenis in Utrecht. Daarna volgde de in die tijd gebruikelijke leerperiode bij architectenbureaus in Zwolle en Zaandam. In 1855 tekende Van Gendt zijn eerste zelfstandige project, een villa in Huizen.
Het zou nog een flinke tijd duren voordat hij er vol tegenaan zou gaan. Zeventien jaar, van 1857 tot 1874, werkte hij als ingenieur bij verschillende spoorwegmaatschappijen, toen booming business. Hij hield zich vooral bezig met werktuigbouwkundige kwesties, maar bouwde ook verschillende stations. Baarn en Utrecht Maliebaan, waar tegenwoordig het Spoorwegmuseum huist, staan er nog. Ook het Amsterdamse spoorviaduct bij de Haarlemmer Houttuinen vloeide in die periode uit zijn pen. Naast zijn spoorwegbetrekking voerde hij enkele kleine zelfstandige bouwprojecten uit – een fotowinkel in de Kalverstraat bijvoorbeeld. Maar pas in 1874 kwam het tot het zelfstandige architectenbureau A.L. van Gendt. Het werd gevestigd op Stadhouderskade 122 (hoek Van Woustraat). In de loop van zijn bestaan zou het verschillende namen dragen, zoals A.L. van Gendt en Zonen en na het overlijden van Dolf Gebroeders Van Gendt. Die naam zou tot in de jaren veertig van de vorige eeuw in zwang blijven, ook al heette het toen officieel naar de toenmalige eigenaar W.J. Klok. In 1978 werd het bureau opgeheven.
De eerste opdracht was een complex van 244 woningen in de Nieuwe Oostenburgerstraat, dat er gedeeltelijk nog staat. Van Gendts eerste belangrijke gebouw was dat van het dagblad Nieuws van den Dag uit 1875, compleet met drukkerij, uiteraard op de Nieuwezijds Voorburgwal. Het is allang afgebroken, net als bijvoorbeeld zijn complex met tientallen gebouwen voor de Amsterdamsche Droogdok Maatschappij aan de Meeuwenlaan waaraan in 1878 werd begonnen.

Geen poespas
Bij Van Gendt moest je zijn voor degelijk en snel vakwerk zonder poespas. Hoewel er met de opkomst van de Amsterdamse School in en om de architectuur flink werd geredetwist, hield hij zich daarvan meestal afzijdig. Van Van Gendt kwamen geen bewogen brochures met plannen voor het verheffen van de mensheid door middel van de gebouwde omgeving. Hooguit roerde hij zich een enkele keer in een debat over de ontsluiting van de binnenstad. Als ontwerper van de eerste (paarden-)tramlijn (Leidseplein-Plantage) voor de Amsterdamsche Omnibus Maatschappij had hij op dat terrein ook wel recht van spreken.
Van Gendt stond bij voorkeur achter de tekentafel, en in plaats van pamfletten schreef hij in zijn zwierige handschrift liever bestekken – dat liet hij nooit over aan een ondergeschikte. Niet dat hij ongevoelig was voor de roeringen in zijn tijd. Hij bouwde weliswaar veel banken, maar als protestants liberaal deed hij ook veel voor de ‘publieke sector’, zoals de Maatschappij tot Nut van het Algemeen. Hij ontwierp ook sociale woningbouw; de charmante ‘arbeiderswoningen’ in de Tolstraat zijn daarvan het resultaat.
Dolf van Gendt bouwde vooral véél. Vooral in Amsterdam, maar ook daarbuiten. Zijn oeuvre loopt uiteen van een kippenhok tot aan het Concertgebouw. Hij ontwierp daarnaast nog eens heel veel dat nooit gebouwd zou worden, voor prijsvragen bijvoorbeeld. Bijna was hij de winnaar geworden van de roemruchte gemeentelijke prijsvraag voor een handelsbeurs in 1884 (die uiteindelijk door niemand werd gewonnen; Berlages beurs is van een latere opdracht uit 1896). Naast architect was Van Gendt ook ondernemer. Hij was onder meer directeur van een asfaltfabriek aan de Kattensloot. Projectontwikkelaar avant la lettre zou je hem kunnen noemen; hij was een van de eersten die stukken grond aanschafte met de bedoeling er een complete winkelgalerij op te zetten.
Van Gendts belangrijkste gebouw is zonder twijfel het Concertgebouw. Hij kreeg de opdracht in april 1883, na in twee fasen een besloten wedstrijd te hebben gewonnen van drie andere Amsterdamse architecten. Zoals altijd, deed Van Gendt niet moeilijk over zijn schepping. Toen Pierre Cuypers zich kwam beklagen over een wat uitbundige raampartij die zijn Rijksmuseum dreigde te overtroeven, verving Van Gendt deze prompt door een bescheidener ontwerp.
In 1888 werd het gebouw opgeleverd om meteen triomfen te gaan vieren. Grappig is dat de ‘directiekeet’ van Van Gendt er ook nog staat: een doodgewoon ogend pand op de hoek van de Jan Willem Brouwersstraat en de Alexander Boersstraat. Omdat het geld op was, zat er aanvankelijk geen orgel in het Concertgebouw. Dat werd in 1891 aangebracht. Ondanks zijn gebrek aan muzikaliteit, en gebrek aan ervaring in deze, ontwierp Van Gendt daarvoor de kast.
In Amsterdam staan misschien nog wel 200 gebouwen van A.L. van Gendt. Behalve de genoemde horen bij de meer bekende: de Industrieschool voor de Vrouwelijke Jeugd op de Weteringschans (1879, nu onderdeel van het Barlaeus Gymnasium, in 1951 met een verdieping verhoogd), restaurant Riche, Rokin 84 (1882), kunstzaal De Zon op de Blauwburgwal (1882), Theater Plancius in de Plantage Kerklaan (1883, nu Verzetsmuseum), Hotel de Passage op de Prins Hendrikkade (1886, later ‘Oibibio’), het Burgerziekenhuis in de Linnaeusstraat (1888, nu Stadsdeelkantoor Oost/Watergraafsmeer), de Heineken-villa aan het Tweede Weteringplantsoen (1890), de tramremise op de Koninginneweg (1893, nu politiebureau) en het winkelhuis op het Muntplein (1892, hoek Amstel en Reguliersbreestraat).
De merkwaardige, on-Amsterdamse winkelgalerij in de Raadhuisstraat werd tussen 1897 en 1899 gebouwd door ‘A.L. van Gendt en Zonen’. Knap is de manier waarop de S-vormige straat, het resultaat van een maar half gelukt plan van de ontwerper van het eerste elektrische tramnet, Theo Sanders (1847-1927), toch allure krijgt. Eigenlijk is de Raadhuisstraat al meer een schepping van de zoons dan van de vader. Kenners kunnen Schotse invloeden aanwijzen, die Dolf jr. meebracht uit zijn leerperiode bij een architect in Glasgow.

Tekst: Sjaak Priester
Januari 2006

Powered by JReviews