Installatierede Eberhard van der Laan 7 juli 2010

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     September 20, 2017    
149   0   0   0   0   0

Dossiers

Installatierede van Eberhard van der Laan als burgemeester van Amsterdam op woensdag 7 juli 2010 in de Gemeenteraad van Amsterdam.

 

 

Excellenties,

Geachte Commissaris van de Koningin

Geachte leden van de Raad,

Geachte leden van het College van Burgemeester en Wethouders

Geachte voorzitter van het Presidium van de Raad,

Geachte oud-burgemeester Ed van Thijn en oud-burgemeester Job Cohen

Lieve Jo Polak en lieve Elisabeth Patijn,

Lieve familieleden en vrienden,

Dames en heren,

 

Dank voor het hartelijk welkom dat u mij heet en voor het vertrouwen dat u mij schenkt. In onze taal spreken  we over vertrouwen schenken. Vooral in mediations heb ik geleerd dat dat terecht is: het is een cadeau, iets waar je nooit aanspraak op hebt, en altijd dankbaar voor moet zijn. Ik ben het en weet dat ik het vertrouwen de komende zes jaar iedere dag opnieuw waar moet maken.

 

De afgelopen tijd ben ik bezig geweest met de vraag wie de Amsterdammers zijn en wat het betekent om hun burgemeester te mogen zijn. Een goed antwoord lag in de felicitatie die ik kreeg van de hoofdredacteur van Ons Amsterdam Peter Paul de Baar. In het najaar van 2008 stond ik op het punt om toe te treden tot het bestuur van dat schitterende maar kleine blad. Maar daar kwam iets tussen. De Baar schreef toen :

“Beste Eberhard,

Wat heb ik nou an me fiets hange?

Heb jij net de eervolste functie ter wereld binnen – het bestuurslidmaatschap van de Stichting Ons Amsterdam – en lijk je dat weer te vergooien voor een ordinair ministerschapje!  (…)

U begrijpt, dames en heren: ik distantieerde me volledig van De Baar! Maar ik antwoordde ook na mijn aftreden beschikbaar te zullen zijn voor die eervolste functie ter wereld.

Zaterdag feliciteerde De Baar mij met de benoeming tot burgemeester.

“Maar we hebben nog wel een akkefietje te regelen.

In november 2008 stonden we op het punt je te installeren in zo ongeveer de eervolste functie ter wereld: het bestuurslidmaatschap van de Stichting Ons Amsterdam.

Maar goed, ik moet bekennen dat ik steeds sterker het gevoel krijg dat (zeker voor een Amsterdammer) misschien nog net één functie nóg eervoller kan zijn dan onze erebaan – en dat is het burgemeesterschap van Amsterdam. Dus moeten we je nog maar één keer uitstel verlenen, voor jouw ontplooiing en tot nut van het algemeen, en van onze mooie stad in het bijzonder.

Dit (met een zucht) in het volle besef dat dit wel eens zes, twaalf of zelfs achttien jaar kan gaan duren.

Het zou natuurlijk wel fijn zijn als Ons Amsterdam na afloop daarvan nog bestond. Aan jou dus de taak ook in je nieuwe functie overal de lof te zingen van ons blad. (Maar alleen als je het meent, natuurlijk.)”

 Amsterdammers zijn misschien wel de zelfverzekerdste maar tegelijk ook de eerlijkste, geestigste en liefste mensen ter wereld. Zij willen kritisch zijn, maar ze willen ook dat het goed afloopt. Zoals uw raad in de profielschets had geschreven: “Leven en laten leven is voor Amsterdammers een tweede natuur; verschillen worden niet op de spits gedreven, maar besproken en opgelost.”

Van zo’n stad, van zulke mensen burgemeester te mogen zijn, ís inderdaad de eervolste functie ter wereld. En ik val met mijn neus in de boter. Volgende week dinsdag halen wij als Amsterdam het Nederlands Elftal binnen dat de finale heeft bereikt van het WK-voetbal. Jammer dat Jan Blokker dit niet meer mag meemaken.

 In het openbaar bestuur bestaan geen gespreide bedjes, maar ik tref de stad in behoorlijk goede conditie aan. De bevolking is voor het zoveelste jaar achtereen gegroeid. Op 1 januari 2009 telde de stad 756.347 inwoners. Daarmee heeft de stad weer net zoveel inwoners als in 1975, maar aanmerkelijk meer dan in 1985 toen de stad met 675.000 het naoorlogse dieptepunt in het aantal inwoners bereikte. Het gaat dus om tachtigduizend mensen erbij in 25 jaar. Opmerkelijk daarbij is dat de stad niet alleen, zoals al jaren het geval is, aantrekkelijk is voor jongeren en singles, maar steeds vaker ook voor jonge gezinnen. Dit alles is een teken van de vitaliteit, dynamiek en aantrekkelijkheid van Amsterdam – waarmee de stad zich positief onderscheidt van vele andere regio’s en gebieden in ons land die juist met krimp te maken hebben. Daar zal ik straks nog wat over zeggen.

Een stad in goede conditie brengen is één ding, haar in goede conditie houden een andere. Beide vergen inspanning, maar vooral liefde, tijd en aandacht. Dat dit tot nu toe aardig lukt is de verdienste van al die mensen die dagelijks aan het werk zijn in Amsterdam en voor Amsterdam. Mensen maken Mokum. Daarvoor bedank ik alle Amsterdammers. Meer in het bijzonder wil ik de leden van de gemeenteraad, de stadsdelen en de ambtenaren bedanken, en mijn voorgangers oud-burgemeesters Wim Polak, Ed van Thijn, Schelto Patijn en Job Cohen en waarnemend burgemeester Lodewijk Asscher. 

Het past niet om hier, nog vóór het inwerken, al direct een groot verhaal met allerlei ambities te vertellen. Maar het is wel goed om u, en diegenen die op een of andere manier meekijken, over een enkele hoofdzaak te zeggen hoe ik er nu in sta, en welke zoektocht ik de komende weken en maanden zal ondernemen. Het sleutelwoord dat daarbij steeds naar voren komt is verantwoordelijkheid en de thema´s waarin aan die verantwoordelijkheid in ieder geval gestalte moet worden gegeven zijn voor mij de volgende:

  • Verantwoordelijke, zorgzame stad
  • Veiligheid
  • Internationale economische positie
  • Amsterdam Verantwoordelijke Hoofdstad
  • Burgemeester van en voor iedereen  

 

Verantwoordelijke stad

Alle solidariteit die in de genen van de Amsterdammers zit, ongeacht hun politieke kleur, en de forse economische voorspoed in de laatste decennia, hebben niet kunnen verhinderen dat er Amsterdammers buiten de boot vallen. In Noord sprak ik met actieve buurtbewoners en professionals, die hun spel- of leeractiviteiten voor kinderen omlijsten met eten. Omdat de kinderen dan kómen, en omdat ze dan eten kríjgen. Wat deze kinderen en hun ouders nog meer te kort komen laat zich raden.

De helft van de Amsterdammers kwam niet stemmen bij de raadsverkiezing. In het collegeakkoord (blz. 3-4) las ik tot mijn genoegen het serieuze voornemen om alle Amsterdammers te betrekken en aan te spreken op hun mogelijkheden, “ook de helft van de stad die niet naar de stembus is gegaan.” Ik weet dat deze zorg breed leeft in uw raad.

In mijn vorige werk legde ik wekelijks wijkbezoeken af. Vooral het bieden van gelegenheid aan de bewoners  om te praten over hun zorgen en problemen (‘kom praten met de minister’) was voor mij leerzaam en inspirerend. Waar ik me bij mijn eerste wijkbezoeken nog een soort toerist voelde die spijbelde van het werk, had ik na een paar keer door dat het juist een kern van het werk was die mij in staat stelde al het andere werk gerichter en beter te doen.

 Als burgemeester zal ik dit graag voortzetten. Ik begin morgenochtend meteen met een werkbezoek aan het stadsdeel Zuidoost, samen met hoofdcommissaris van politie Bernard Welten. In mijn eerste 10 dagen als burgemeester heb ik 8 andere werkbezoeken gepland die mij op verschillende plaatsen in de stad met verschillende Amsterdammers in contact zullen brengen. Samen met de wethouders, raadsleden en de stadsdelen wil ik zo bijdragen aan de doelstelling van uw Raad en van het College van Burgemeester en Wethouders om extra te letten op de Amsterdammers die achteraan of buiten staan,  hen bij hun stad te betrekken en aan te spreken op hun mogelijkheden. Overigens zonder – dat is een klassieke fout – hen te verwaarlozen of achter te stellen die wél zijn gaan stemmen en hun burgerverantwoordelijkheid juist wel al nemen. Ik wil er zijn voor alle Amsterdammers.

Er komen vele bezuinigingen op de gemeenten af. Vermoedelijk zal het rijk allerlei taken gaan decentraliseren zonder het bijbehorend budget. Om met minder geld meer taken te vervullen, hebben we feitelijk maar één optie:  we moeten onze productiviteit en effectiviteit vergroten. Dat dwingt ons te hervormen en beter samen te werken.

In de wijkbezoeken heb ik vooral één ding geleerd. Wie de bewoners en hun problemen/zorgen centraal stelt, zo nodig boven het eigen institutionele beleid, komt makkelijker bij de oplossing daarvan. Dat vergroot hun zelfvertrouwen en gevoel serieus te worden genomen, en brengt tot stand wat de meeste mensen doodnormaal vinden maar wat niet altijd normaal is: samenwerking tussen de verschillende instituties. Prachtig voorbeeld vind ik het project “Achter de voordeur” en de daarbij toegepaste participatieladder waarmee zogeheten multiprobleemgezinnen worden geholpen. Stapje voor stapje, van schuldsanering via budgetbeheer naar armoedebestrijding, van kinderen (met ontbijt!) naar school toe sturen via een bezoek aan de ouderavond naar helpouder op school, van een taalcursus via meedoen aan een maatschappelijke activiteit naar een opleiding, enz. enz.  Dit alles kan alleen omdat overheid, hulpverleners en maatschappelijke instellingen als woningcorporaties, scholen en zorginstellingen samen werken. 

Problemen van mensen centraal stellen, verder kijken dan de institutionele neus lang is, verbindingen leggen, en elkaar versterken, dat kan bijna overal worden toegepast of verbeterd.

 

Veiligheid

Uit de Veiligheidsindex is af te leiden dat het met de veiligheid in de stad de goede kant opgaat. Ten opzichte van de vorige meting uit het laatste kwartaal van 2009 is de ervaren veiligheid in Amsterdam toegenomen en de objectieve criminaliteit gedaald. Wel melden bewoners vaker overlast, vooral overlast van jongeren is een probleem. De laatste veiligheidsrapportage van Amsterdam laat zien dat het aantal overlastgevende, hinderlijke en criminele jeugdgroepen gedaald is. Ook het aantal jongeren dat tot de zogenoemde Harde Kern behoort neemt af.

Veiligheid is echter pas op orde als mensen zich veilig voelen. Wat heb je aan een beeldige statistiek van veiligheid op de tram ’s avonds, als mensen de tram ‘s avonds niet meer durven nemen. Daarom hebben we, ondanks alle vooruitgang die de laatste jaren is geboekt, nog een lange weg te gaan.

Bovendien zijn er in Amsterdam zorgelijke ontwikkelingen. Wat nu precies de cijfers ook zijn, het is toch niet te verdragen dat joodse kinderen en volwassenen op straat worden lastig gevallen vanwege hun keppeltje. Of dat meisjes worden gediscrimineerd om hun hoofddoekjes. Of dat de klok van de homo-emancipatie ook maar een minuut laat staan vijftig jaar zou kunnen worden teruggezet.

Het was al erg om te zien hoe ambtenaren van de Dienst Werk en Inkomen, conducteurs in tram, bus en trein, en politieagenten regelmatig werden lastiggevallen door het publiek. Juist degenen die niet wegkijken, maar bij hun vaak moeilijke werk hun uiterste best doen, lopen een grotere kans op incidenten. De laatste tijd worden zelfs ambulancepersoneel en heel recent ook brandweerlieden lastiggevallen in hun werk voor iedereen. Vorige week stond het schokkende bericht in het Parool dat er stenen waren gegooid door de voorruit van een Brandweerauto, die net terugkeerde van het blussen van een kleine brand in Amsterdam Noord.

Morgenochtend zal ik als gezegd, met hoofdcommissaris Welten een bezoek brengen aan het districtsbureau in Zuid-Oost. Alle andere politiedistricten volgen de komende weken. Met brandweercommandant Van der Wiel heb ik de afspraak gemaakt dat ik op 22 juli de Zebra brandweerkazerne in Noord zal bezoeken.

Ik wil weten hoe we beter tegen dit geweld op kunnen komen, en ik wil dat onze politie en brandweerhulpdiensten weten dat het u en mij ernst is.

Discriminatie en geweld zijn onacceptabel. Wij pikken niet dat onze medeburgers en onze ambtenaren zo worden behandeld. Maar ook hier wil ik de vraag naar onze verantwoordelijkheid en zorg voor elkaar stellen: wat doe je, als gewone Amsterdammer, als je ziet dat een andere Amsterdammer  wordt gediscrimineerd of lastig gevallen? Daar moet je je dan toch gewoon mee bemoeien, in de beste Amsterdamse traditie, en zeggen ‘gedraag je!’.

De verantwoordelijkheid van de burgemeester voor de veiligheid vraagt op minstens twee manieren om een goed evenwicht: tussen veiligheid en vrijheid, en tussen preventie en repressie.

Bij het zoeken naar een de balans tussen veiligheid en vrijheid, zien we zorgen in de samenleving over wat men noemt de fortificatie van het burgemeestersambt. Ik kan er in dit bestek nog niet veel over zeggen, maar wil wijzen op het feit dat ik als jurist veel ontzag heb voor en training heb in de waarde van de rechtsstaat. Die is er om burgers in hun rechten te beschermen en de overheid in te tomen. Laat ik zeggen dat ik geïmponeerd was door een herinnering aan de gewelddadige Kroningsdag van 1980 van een lid van de ME. Hij schreef onlangs in Het Parool dat die dag wel vijf keer toestemming was gevraagd om te schieten. Burgemeester Polak had alle vijf keer geweigerd, achteraf tot zijn genoegen. Ik bekritiseer niet de vragen om toestemming, maar prijs me wel gelukkig met een burgemeester die vijf keer “neen” durfde te zeggen.

Het evenwicht is misschien het beste te vinden, als je niet enkel streeft naar veiligheid en vrijheid maar naar het meer omvattende begrip vrede, als brug daartussen. Ik zie er naar uit om hier met uw Raad over te spreken.

Ook de balans tussen preventie en repressie is erg belangrijk. Als voorbeeld: de uiterst vervelende problemen met de Marokkaans-Nederlandse hangjongens zijn de oogst van jarenlange verwaarlozing van bredere maatschappelijke problemen. Velen van u zullen weten: ouders die geen Nederlands spreken leveren hun kroost op vierjarige leeftijd met gemiddeld twee jaar leerachterstand op school af. Hier is preventie (de ouders leren Nederlands te spreken) puur rationeel. Maar er is natuurlijk ook een morele component. Is het niet afschuwelijk kinderen met zo’n handicap te laten starten?

Juist hier zie ik Uw Raad en al mijn collega’s in het College van Burgemeester en Wethouders als steunpilaren van het preventieve veiligheidsbeleid.

Betere inburgering en taalonderwijs voor ouders komen te laat voor jongens die nu gefrustreerd op straat hangen, maar dat betekent op geen enkele manier dat we de straatcriminaliteit zouden dulden. Mij dunkt dat met nog betere samenwerking, die in de keten/Veiligheidshuizen al voor een deel bereikt is, een zichtbaar lik op stuk mogelijk is. De betreffende jongens, vaak 12 of 13, moeten niet pas na een half jaar voor de rechter komen, als ze vergeten zijn voor welk delict het ook al weer was, maar meteen. Een rechter vertelde mij zondag: jeugd- en familiezaken, maatschappelijk zo ontzettend belangrijk, kunnen op de rechtbanken wel wat meer aanzien krijgen, en rechters willen heus de buurt wel in. Ik hoop er snel met de hoofdofficier en de rechtbank over te praten.

Wat de discriminatie van joodse Amsterdammers betreft, ik zal me snel laten informeren over de voor- en nadelen van onorthodoxe methoden met een afschuwelijke naam. In ieder geval ben ik het erg eens met opperrabbijn Binyomin Jacobs, die pleit voor aandacht in opvoeding, inburgering en onderwijs als een structurele oplossing. Maar ook op korte termijn moeten we doen wat we kunnen, om strenge grenzen te stellen en onze solidariteit te tonen.

Wat is dat, ‘streng’? Oud-commissaris Nordholt zei het heel goed in een interview in de Telegraaf: “Streng betekent niet hard. Van een harde opvoeding worden de kinderen mismaakt, van een strenge en rechtvaardige opvoeding worden kinderen goede burgers”.

 

De internationale economische positie

Amsterdam heeft van oudsher een hele sterke, diverse economie. De pijlers onder onze economie zijn: handel en logistiek (met de Haven en Schiphol als paradepaardjes), kennis en creativiteit (met twee universiteiten, diverse Hoge scholen, vele duizenden studenten en een creatieve sector die zo langzamerhand bijna 50.000 arbeidsplaatsen telt), de financiële en andere dienstverlening (die door de crisis een knauw heeft gekregen, maar die zich langzaam aan herstelt), de cultuursector (met gerenommeerde musea als het Stedelijk, het Rijks, de Hermitage en het Van Gogh, theaters als de Stadsschouwburg en Carre en muziektempels als het Concertgebouw, Muziekgebouw aan het IJ, Paradiso en de Melkweg), het toerisme en het MKB.

De Amsterdamse economie staat er medio juni 2010 duidelijk beter voor dan een jaar geleden – al zijn er zeker nog enige sectoren die zorgen baren.

De crisis geeft ook ons een tik. Amsterdam Financiëel Centrum heeft te lijden, ook door het wegvallen van ABNAMRO als wereldbank. Maar op de ZuidAs is meer tegenslag, ook voor de accountants en advocaten. Ook het hoogwaardige toerisme heeft het moeilijk. Hetzelfde geldt voor de bouwsector in brede zin.

Wel vaker in de geschiedenis zat het tegen. Denk aan de VOC, waarover ook negatieve dingen te zeggen zijn, maar die wel een innovatieve reactie was op een Spaanse handelsboycot. Amsterdammers waren voor de handel met de Oostzeelanden voor een deel afhankelijk van specerijen uit Indië die ze kochten van de Spanjaarden en Portugezen. De Spaanse boycot dwong onze voorouders om zelf die specerijen gaan halen. Maar dat was ver en duur, en daarvoor bedacht men de vennootschap met aandelen, waardoor zowel geld werd opgehaald voor een gezamenlijke onderneming, als het risico daarvan werd gespreid.

Net als onze voorouders door tegenslag beter gingen samen werken en innovaties bedachten, zullen wij dat moeten doen. Investeren in duurzaamheid en innovatie is een must. Goede voorbeelden zijn er al; ook binnen de gemeente Amsterdam. Ons Afvalenergiebedrijf Amsterdam is de meest geavanceerde afvalenergiecentrale in de wereld. Met een elektrisch rendement van 30% ligt deze 8% hoger dan het gemiddelde van de vorige generatie. En daar blijft het niet bij. We geven invulling aan onze duurzaamheidsambitie door op een schone en verantwoorde manier alles uit afval te halen wat op dit moment mogelijk is: elektriciteit, warmte, waardevolle metalen en grondstoffen voor de bouw en industrie.

Ook kunnen we de historische goudmijnen die Amsterdam heeft beter benutten in het economische verkeer met het buitenland. Niet om te mijmeren over een mooi verleden, maar om te laten zien dat de stad oprechte belangstelling heeft voor anderen en het met hen gedeelde verleden, om zo goodwill te kweken voor een gemeenschappelijke toekomst. Het stadsarchief, KIT, IISG, de Universiteiten en andere wetenschappelijke instituten, maar ook andere maatschappelijke instellingen van groot tot klein kunnen hierbij hun rol spelen. Niet alleen voor het stadsbestuur, maar voor de hele stad.

De uitdaging is ook om onze economie sterk en divers te houden. Een economie die werkgelegenheid biedt aan alle opleidingsniveaus. Dat vraagt om de permanente zorg en verantwoordelijkheid om Amsterdam, en de regio, aantrekkelijk te laten zijn en blijven voor binnenlandse - en buitenlandse investeerders, en voor bezoekers uit binnen en buitenland.

Daarom een opmerking over ons toerisme. Waar staat geschreven dat toeristen toch wel naar Amsterdam komen, ongeacht hoe ze behandeld worden? Een beetje extra service in het restaurant en de taxi, alle goede natuurlijk niet te na gesproken, zou geen kwaad kunnen. En zouden wij Amsterdammers trouwens ook wel op prijs stellen. Met u en de Horeca- en taxibranche wil ik graag zoeken naar manieren om ons leven en imago te beteren.

Ook hier is nodig dat er wordt samengewerkt tussen instellingen en instituties, buiten de geijkte paden om.

Ik las in een interview in Het Parool met AEX-voorzitter Cees Vermaas dat hij popelt om met de nieuwe burgemeester te praten over hoe we ervoor zorgen dat de vele duizenden Chinese bedrijven die naar de beurs willen, ook aan Amsterdam denken. Morgenochtend zullen wethouder Gehrels en ik hem op het stadhuis ontvangen. Een ieder die popelt om goede ideeën of goede kritiek te geven is meer dan welkom.

 

Verantwoordelijke hoofdstad

Bij het aanpakken van zijn problemen heeft Amsterdam de steun van de rest van Nederland, dus met name van het Rijk, hard nodig. Maar die krijgen we niet altijd en in ieder geval niet automatisch. Amsterdam wordt te vaak als probleem gepercipieerd, en te weinig als de plaats waar landelijke problemen worden opgelost. Dit moet anders, en hier zie ik een belangrijke taak voor de burgemeester.

Natuurlijk, overal in de wereld heeft men vanouds een dubbelzinnige houding ten opzichte van zijn hoofdstad. De combinatie van trots en afgunst voelt de Engelsman jegens Londen, en de Fransman jegens Parijs. Maar hier gaat het soms wel ver. ‘Elite’ als verwijt wordt praktisch gelijkgesteld met ‘grachtengordel’. En Amsterdam heeft tussen de hoofdsteden ook de bijzondere eigenschap dat het geen regeringscentrum is. Dat wil zeggen: er zijn geen departementen en ambassades, en er is letterlijk en figuurlijk afstand tussen hoofdstad en regering.

Laten we eerst naar onszelf kijken. Geven wij optimale invulling aan het begrip hoofdstad? Ook daarbij hoort verantwoordelijkheid. Niet alleen voor de directe buren in de regio, met wie, naar ik tot mijn genoegen begrijp, de verhoudingen de laatste tien jaar wezenlijk verbeterd zijn, maar ook voor de rest van Nederland.

In Amsterdam hebben we te kampen met schaarste: zoals een tekort aan woningen en lange wachttijden om aan een woning te komen, een tekort aan parkeergelegenheid voor auto’s (en fietsers!), een tekort aan rust door toenemende geluidshinder, bijvoorbeeld van zoiets moois als kindercrèches, en ander ongemak als uitgeloot worden voor de middelbare school van je keuze. Al deze problemen zijn in feite symptomen van de welvaart en dynamiek van onze stad die ervoor zorgen dat heel veel mensen hier willen wonen en werken.

Maar 60 % van de Nederlandse gemeenten kampt de komende decennia met een ander probleem: krimp. Dat is een groter probleem, omdat met krimp ook de verdiencapaciteit weg valt die nodig is om problemen op te lossen. Daardoor ontstaat een extra verantwoordelijkheid voor het rijk, en dat kijkt dan primair naar de – inwoners van de – groeigebieden, en dus ook naar Amsterdam.

Wat doen we met deze realiteit?

Ik zie voor me dat we er in Amsterdam alles aan doen om niet alleen naar onze eigen problemen te kijken, maar ons als hoofdstad ook verantwoordelijk te voelen voor het helpen oplossen van de problemen van anderen. Amsterdam als verantwoordelijke hoofdstad is motor voor de ontwikkeling van iedereen. En dit bedoel ik – voor alle duidelijkheid – dus totaal niet arrogant. Noblesse oblige: wij willen met iedereen samenwerken om de nationale kar te helpen trekken. Dus met Utrecht en Eindhoven langs de A2 de economische as van Nederland zijn. Dus met Almere praten over een toekomst als dubbelstad. Dus met Rotterdam en Den Haag knokken voor de Randstadrail, zodat de Zuidas en Schiphol de trekker voor iedereen worden. Dus met Rotterdam een alliantie vormen voor wat betreft ons beider havenactiviteiten. En waarom geen stedenband aangaan met de heftigste krimpgemeenten Delfzijl, Heerlen en Sluis, gewoon om solidair met hen te zijn en met de expertise die wij hebben te helpen bij de aanpak van de problemen daar?

Ik zie ook voor me dat we leren nog beter om te gaan met het Rijk. Haagse ambtenaren smachten in de regel naar goede samenwerking met gemeenten, want zij weten heel goed dat het eigenlijke werk daar gebeurt. Zij smachten wat minder naar enthousiastelingen uit Amsterdam die offers you can’t refuse plegen te brengen. Hier is met een kwartslag al veel te winnen. Wat is dan mooier dan vanuit Amsterdam pro-actief mee te mogen werken aan de vorming van Haags beleid?

Op die manier zal Amsterdam als verantwoordelijke hoofdstad meer gegund worden wat haar rationeel toekomt en zal zij worden geholpen om de belangrijkste internationale motor van en voor heel Nederland te zijn.

Het spreekt voor zich dat ik er voor iedere burger wil zijn en dat iedere burger er toe doet.

En dat ik er voor iedere partij in deze raad wil zijn. Ik kom vers uit de actieve politiek in Den Haag, maar volgde de afgelopen maanden een intensief afkickprogramma, men kan spreken van een cold turkey. Misschien past het om wat extra goed te zorgen voor de oppositie, en daarbinnen weer speciaal voor de kleine partijen. Want het succes van deze raad hangt er onder meer vanaf dat zij het goede voorbeeld geeft, waarbij argumenten altijd tellen  en respect voor elkaar de grondslag is.

Er komt veel op de stad af. Dat is eerder gebeurd, en meestal goed afgelopen. Dat weet ik, onder meer als trouwe lezer van Ons Amsterdam. Zo is het voorlopig wel goed he, De Baar? 

Wat we vooral weten: onze goede stad is te mobiliseren. Sterker: zij heeft de traditie zichzelf te mobiliseren. Aan ons bestuurders is de taak dat te stimuleren en te faciliteren.

Ik ben me bewust dat deze ambtsketen daarbij vertrouwen en verantwoordelijkheid geeft. Hopelijk geeft hij ook vleugels om dat samen met u allen waar te maken.

Dankuwel.

Powered by JReviews