“De beste wyze om Verdronkene Menschen te behouden”

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     September 05, 2017    
454   0   0   0   0   0

Dossiers

Thema

[Ons Amsterdam oktober 1992:] MRD 640 penning goud2-300x220

De aanbevolen methoden veranderden nogal eens, maar het doel is al twee en een kwart eeuw hetzelfde: de bevolking aanmoedigen om schijndode drenkelingen weer bij bewustzijn te brengen en voorlichting geven over hoe dat moet. Dat is nog steeds nodig, meent de Maatschappij tot Redding van Drenkelingen, gevestigd aan het ongedempte deel van het Rokin.

 

 

Op 24 augustus 1767 verscheen in het tijdschrift De Philosooph een artikel van een zekere P. over “de beste wyze om Verdronkene Meschen te behouden”. Achter het pseudoniem (de P van Philosooph?) verschool zich de Amsterdamse doopsgezinde predikant Cornelis van Engelen. Met zijn vriend Gijsbert Antwerpen Verbrugge en diens zwager, de koopman Jacob de Clerq had hij kort tevoren beraadslaagd over een probleem waar De Clerq al langer over tobde: dat men drenkelingen maar al te vaak voorbarig dood verklaarde.

 

Onbarmhartig onder de aarde gestopt

Van Engelen was medewerker van het genoemde blad, gewijd aan maatschappelijke vraagstukken, en vertolkte hun gedachten: “Men weet dat erin een Land, zo vol water als het onze, Jaarlyksch eene menigte Menschen verdrinken; maar het is minder bekend, dat de meesten dier ongelukkigen omkoomen by gebrek van eene goede behandeling, na dat zy uit het Water zyn gehaald. (…) Men geeft deze ongelukkigen ondertusschen op, zodra men ze heeft opgevischt, of men behandelt ze op eene gansch verkeerde wyze, en men stopt er van tien, welken men hadt kunnen behouden, misschien negen onbarmhartig onder de Aarde.”

Daarom, aldus het artikel, zou er een Maatschappij tot Behoudenis der Drenkeling worden opgericht. Namens de oprichters beloofde Van Engelen “dat ieder, die met goede bewijzen zou kunnen aantonen een mens of kind, hetwelk zonder enig beweging of teken van leven uit het water was gehaald, tot zichzelven gebracht te hebben, een premie van zes dukaten, of indien hy zulks liever had, van een gouden legpenning zou deelachtig worden”. Ook eventuele verzorgingskosten werden vergoed, tot een bepaalde grens. Van Engelen besprak bovendien een aantal reanimatiemethoden. Het meeste zag hij in het procedé dat werd aanbevolen door de Franse arts Isnard: het wrijven van de drenkeling met warme doeken, het prikkelen van de keel met een veer, het brengen van prikkelende stoffen in de mond, het opwekken van braken en het inblazen van tabaksrook in de ingewanden en ten slotte aderlating. Gegadigden voor een beloning verwees de schrijver naar de boekwinkel van Pieter Meijer op de Vijgendam. Daar kon een verklaring worden ingediend door “twee brave menschen van onbesproken naam en faam, die geen belang hebben in het trekken van de premie en als ooggetuige bevestigen, dat volgens het oogmerk onzer instelling dezelve aan zodanig een persoon of personen behoort uitgedeeld te worden”. Als alles klopte, zou het bestuur na een maand de premie uitkeren.

Vergaderingen met politieassistentie

Het artikel vond veel weerklank en op 26 oktober werd bij De Clerq thuis de officiële oprichtingsvergadering gehouden.  Daar besloot men een uittreksel van het artikel in grote oplage als Bekendmaking te verspreiden en jaarlijks een overzicht van bekroonde reddingen te publiceren. Ook zou er opdracht worden gegeven voor het ontwerp van een legpenning. Bestuurder en boekhandelaar Meijer heeft het geweten. Geregeld werd in zijn zaak stampei gemaakt door “slechte lieden die onrechtvaardelijk en op een onbeschaamde manier geld opeisten”. Die scènes kwamen ook geregeld voor tijdens bestuursvergaderingen, in de Garnalendoelen op het Singel (nu deel van de Universiteitsbibliotheek) en sinds 1846 in het huis Rokin 114, waar de Maatschappij nog steeds zetelt. Daar werden de getuigen ondervraagd. Het werd er bepaald net beter op toen in 1841 de Maatschappij (met een zilveren penning) ook diegenen ging belonen die geen drenkeling hadden gereanimeerd, maar hem of haar wel op het droge hadden gebracht. Onder deze ‘waterspringers’ waren kennelijk nogal veel bedriegers, die ter aanvulling van hun schaarse inkomen wel een nat pak wilden halen. De bestuursvergaderingen duurden voortaan tot ver na middernacht, en altijd wat er een politieagent bij. Pas toen in 1860 de waterspringers weer van beloning werden uitgesloten, keerde rust terug. In 1991 werd toch weer besloten dat ook degenen die niet zelf hebben gereanimeerd, maar wel bijdroegen tot de redding, een zilveren of bronzen medaille kunnen krijgen. Vooralsnog is er geen tumult aan het Rokin opgemerkt.

De Maatschappij bekommerde zich ook om preventieve maatregelen. Al tijdens de eerste genotuleerde vergadering maakte men zich zorgen over de Stormsteeg, een zijsteeg van de Zeedijk die op de Geldersekade uitkomt. Aan die kant had vroeger een hek gestaan, maar dat was op een gegeven moment verdwenen. Mede daardoor raakten er geregeld mensen te water; laatst was er nog een meisje van 20 jaar verdronken. Op aandrang van de Maatschappij liet het stadsbestuur een nieuw hek plaatsen. Soorgelijke maatregelen (ook kettingen en lantaarns) werden getroffen op onder meer de Reguliersgracht, de Leliegracht, bij de Korte Niezel en bij het Damrak. Bovendien liet de Maatschappij kistjes met reddingshulpmiddelen aanbrengen bij bruggen, stadspoorten en in kroegen en herbergen.

Hola! Schreeuwen of in mesthoop begraven

De discussie over de beste reanimatiemethoden duurde al die tijd voort. De oprichters van de Maatschappij hadden al gewaarschuwd tegen de gewoonte drenkelingen over een ton heen en weer te rollen of aan de benen op te hangen. Bedoeling was zo het water uit de maag te krijgen, maar tegelijk werden de longen extra belast. Buitengewoon lang zwoeren de experts van de Maatschappij bij de al genoemde ‘tabaks-klisteermethode’, waarbij met een blaasbalg tabaksrook “in het fondament” werd geblazen. Men kon ook proberen het baken op te wekken. In eenvoudige gevallen wilde het wel eens helpen om “hola!” te schreeuwen of blak bij het oor op een trompet te blazen. Daarnaast was verwarming van groot belang en dat kon op vele manieren. Door het slachtoffer in te graven in een verse mesthoop, met een wollen muts op het hoofd. Of door hem of haar uit te kleden en in een bed te leggen naast een of meer warmbloedige naakte personen. Maar de normen veranderden. In 1809 vonden de bestuurders het toch “onvoegzaam”  dat de heelmeester Beckman een blote jongeman naast een 24-jarige schijndode vrouw onder de dekens had doen aanschuiven.

Eind 19de eeuw aanvaarde de Maatschappij de methode van Henri Silvester, die neerkwam op het zwengelen met de armen van het slachtoffer om kunstmatig de ademhaling op te wekken. Sinds 1916 gold dit zelfs als de enige juiste manier.

Uitgeademde lucht te bedorven

Al in 1796 propageerden de Deense artsen Herholdt en Rafn het rechtstreeks inblazen van adem in de mond van het slachtoffer. Professor Andreas Bonn wees de Maatschappij-bestuurders met nadruk op hun boekje, maar die waren nauwelijks geïnteresseerd. Gevreesd werd dat uitgeademende lucht te ‘bedorven’ was om effect te hebben. Rond 1800 wordt de mondbeademing weliswaar in de bekendmakingen opgenomen als een van de vele methoden, maar in de achtste Bekendmaking, die van 1938, wordt de methode niet meer genoemd. Pas in de Tweede Wereldoorlog herontdekten de Amerikanen de mond-op-mond en mond-op-neus-beademing en het duurde nog tot 1960 voor deze methode in ons land werd aanvaard door de reanimatie-commissie van het Oranje Kruis. Sinds 1964 is zij favorier. In 1966 werd het eerste instructiefilmpje gemaakt, dat geregeld door Socutera op de tv werd uitgezonden. In juli 1991 kwam de achtste ‘remake’ gereed.

Inmiddels zijn er bijna 8000 medailles uitgereikt. Veel is er veranderd, maar niet het ontwerp (door Reinier Vinkeles) uit 1768, met de tekst van de classicus Petrus Burmannus: REDDITUR HIC ENECTUS AQUIS PATRIAEQUE SUISQUE oftewel “Deze in wateren gesmoorde, wordt het vaderland en de zijnen wedergegeven.”

Oktober 1992

Powered by JReviews