De Trog van Wibaut

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     April 11, 2017    
472   0   0   0   0   0

Dossiers

De Centrale Keuken: voedselvoorziening in de Eerste Wereldoorlog

Centrale Keuken Hoogte Kadijk 26 aardappelschilkeuken mei 1918Bij een door de overheid geregeld voedseldistributiesyteem denken we allereerst aan de Tweede Wereldoorlog. Alles was toen schaars en 'op de bon'. De blauwdruk van dit systeem was echter al een wereldoorlog eerder gelegd. In Amsterdam vervulde in de jaren 1917-1918 de Centrale Keuken hierbij een belangrijke, maar af en toe zeer omstreden rol.

TEKST: Marius de Smet

Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in augustus 1914 ging aan het kalme, strikt neutrale Nederland bepaald niet onopgemerkt voorbij. Mensen stonden massaal in de rij voor bank en levensmiddelenzaak. "Het leek wel sinterklaas," schreef de bekende journalist P.H. Ritter jr. later. De spaarcenten verdwenen in de oude sok en er was al gauw geen blikbruine bonen meer te krijgen. Nadat de regering een paar krachtige maatregelen had genomen, werd de situatie weer normaal. "Hoe ernstig de naaste economische toestand ook moge wezen, er mag geen honger worden geleden en er zal geen honger worden geleden in Nederland." Eigenlijk dacht niemand daaraan; de oorlog zou met de kerstdagen toch zeker wel afgelopen zijn. Drie jaar later was die "naaste economische toestand" vanwege de almaar voortdurende oorlog gewoon belabberd. Er was bijna geen graan en steenkool. Voedseldistributie en –rantsoenering hadden hun intrede gedaan. En het prijspeil was net zo hoog als het moreel laag was.

Veertien missives per dag

Dat Amsterdam in deze dagen op het gebied van de voedselvoorziening krachtdadig optrad, waar andere gemeente achterbleven, was niet verwonderlijk. Amsterdam kende namelijk eind 1913 de landelijke primeur van een socialistische wethouder: F.M. Wibaut. De Sociaal Democratische Arbeiders Partij (SDAP) maakte zich sterk voor meer gemeentelijke bemoeienis, onder meer bij de voedselvoorziening. En juist die voedselvoorziening kwam in de oorlog onder Wibauts verantwoordelijkheid.
Actie ondernam Amsterdam dus. Alleen al in 1917 stuurde het college 5082 brieven en telegrammen (veertien per dag!) naar Den Haag en haast alle correspondentie betrof de voedselvoorziening. De stad was een kruitvat: overbevolkt (in 1919 bewoonden 644.000 mensen de helft van het huidige grondgebied), arm (gemiddeld jaarinkomen f 2237, tegen Rotterdam f 3166) en politiek gezien rood (eind 1913 haalde de SDAP 42,7% van de stemmen). Ook in ander opzichten was de stad het roerige centrum van het land. Toen in 1917 de voedselvoorziening ernstige gebreken ging vertonen, bracht dat de gemoederen heftig in beweging. Geen muur bleef onbeplakt en de ene betoging loste de andere af. Het gemeentebestuur moest wel met initiatieven komen. Een ervan was de oprichting van een Centrale Keuken.
Nieuw was dit plan niet. Aan het begin van de 19de eeuw deelde de liefdadigheid al maaltijden uit en in 1870 was in de Spuistraat de volksgaarkeuken geopend. Het grote verschil tussen de activiteiten en de Centrale Keuken was dat laatste een gemeentelijk en geen particulier initiatief was en dat er nu overheidsgeld in werd gestoken. Het eerste SDAP-voorstel voor een gemeentelijke volkskeuken werd eind 1914 ingediend en raadslid Monne de Miranda (later wethouder) herhaalde dat in februari 1915. Het voorstel strandde vooralsnog op de hoge kosten. Bovendien, zo slecht stond Amsterdam er nog niet voor. In Engeland en Duitsland was de situatie al heel wat moeilijker en daar experimenteerde men al vroeg met centrale keukens.

Vooral op aandringen van Wibaut – en met de afgelopen strenge winter nog vers in het geheugen – kwam het idee van een volkskeuken in het voorjaar 1917 weer ter sprake. De voorstanders hadden zich goed voorbereid. Zo ging er, midden in de oorlog, een delegatie met onder andere Wibaut en De Miranda op reis langs diverse Duitse steden. De informatie uit Hamburg, Keulen, Berlijn, Frankfurt en Dresden was overtuigend genoeg. Op 4 april 1917 stemde de gemeenteraad in met de oprichting van een Centrale Keuken.


Stamppot en erwtensoep midden in de zomer

Gekozen werd er voor de (Duitse) benadering, waarbij de financiële lasten grotendeels door de gemeente gedragen werden en de prijzen voor het voedsel zo laag mogelijk, zelfs beneden de kostprijs, gehouden werden. Op 1 mei werd de Centrale Keuken geopend, in een oude loods op Hoogte Kadijk 26. Daar werd al het voedsel gekookt en vervolgens gedistribueerd over een veertigtal plaatsen in de stad, vaak schoolgebouwen. Je kon het eten ter plekke opeten – vork en lepel meenemen, s.v.p. – of meenemen. Een avondmaaltijd kostte 12 cent, een (steviger) middagmaal 15 cent. Per portie bedroeg de kostprijs bijna 22 cent.
De allereerste week werden er 19.880 porties verkocht en de hele zomer door kwam het weektotaal niet boven de 30.000. Dat er midden in die warme zomer steevast stamppot of wintersoep op het menu stond, zal wel hebben bijgedragen aan het niet bepaald doorslaande succes. Met het dalen van de temperatuur steeg het aantal verkochte porties. Na oktober 1917 zakte het weektotaal niet meer onder de 60.000. dit kwam mede doordat er, eind 1917, ook een Keuken voor de Joodsche Bevolking (met ritueel bereid voedsel) en een Keuken voor Kindervoeding werden geopend. Zelfs vegetariërs konden terecht.
Van 1 mei tot en met 31 december 1917 werden er 1.400.347 gewone en 84.769 kosjere porties verkocht; voor heel 1918 waren de cijfers respectievelijk 7.702.215 en 1.260.360. De Centrale Keuken had zich dus in korte tijd onmisbaar gemaakt. Zo onmisbaar zelfs, dat de gemeenteraad op 30 augustus 1918 de voordracht van de bouw van een tweede Centrale Keuken (op de Haarlemmerweg) goedkeurde. Wijzer geworden, dacht men inmiddels dat de oorlog voorlopig nog wel niet afgelopen zou zijn.

Ondanks het succes van de Centrale Keuken was er ook kritiek. Veel politiek rechts was het gemeentebestuur wat al te vaak grensverleggend bezig en kostte dat de gemeente wel erg veel geld. Voor radicaal links gingen de maatregelen meestal nog niet ver genoeg. Voor de Sociaal-Democratische Partij (SPD) van David Wijnkoop en verwante communistische en anarchistische groeperingen was het zonneklaar dat de SDAP, gerieflijk zittend op het fluweel van de wethouderszetels, de arbeiders nachelde.


Staking in de 'Centrale Slobberbak'

Wibaut, in de pers niet zonder reden de Machtige genaamd, was de kop van Jut. Als prominent lid van "die zogenaamde arbeiderspartij" had hij de arbeiderszaak verraden door alles wat maar naar revolutie rook achter zich te laten. In plaats van te denken aan een algehele exportshop of het vrijgeven van militaire voorraden, rolde er uit Wibauts koker niets meer dan... een Centrale Keuken! Met dit "minderwaardig en beledigend zoethoudertje" werd de arbeidersbevolking in het hoekje van de armenzorg gezet, gebrandmerkt. Of iedereen moest zijn eten van de Keuken betrekken, of niemand, aldus de SDP. Bij dit alles viel het extra op dat de SDAP wel een zeer stevige vinger in de Keuken-pap had. Directeur was A. Content, tevens directeur van de sociaal-democratisch georiënteerde coöperatie De Dageraad, waarmee het contact hecht was. Ook De Miranda zat in het bestuur.
Aan bijnamen had de Keuken al snel geen gebrek: de Centrale Trog, de Centrale Slobberbak, de Imperialistische Gaarkeuken, en de Soeploodsen van Wibaut. Toen Wibaut in uli 1917 naar Stockholm vertrok voor een vredesconferentie, schreef de SDP-krant De Tribune: "Amsterdam herademt, want het is voor een paar dagen een geweldenaar kwijt, die onderwijl hij je judasachtig gemeen knoeit, je nog met zalvend gepreek bedondert. Het is alsof de stank der grachten minder wordt als zulke individuen voor een poosje verdwijnen."
De Centrale Keuken bleef omstreden, al meende de SDAP dat de SDP met al haar kritiek slechts kon rekenen op de steun van het achterlijkste deel van de arbeiders. Eens werden er in de gemeenteraad beschuldigingen geuit tegen (anarchistisch) Keuken-personeel, als zou dat opzettelijk voedsel hebben bedorven. Bewezen werd er niets, maar wel werd er spek gevonden in het eten van de Joodse Keuken.
Ondanks al dat geharrewar maakten veel mensen dagelijks gebruik van de Keuken. Maar in oktober 1918 kon dat plotseling niet meer: er werd gestaakt! Die staking was niet zonder redenen: het ontslagbeleid was willekeurig, de werktijden waren onregelmatig, er waren geen vakantie-, of verlof- of ziekengeldregelingen, de werkweek werd ineens teruggebracht van zes naar vier dagen, het personeel, voor het overgrote deel vrouwen, mocht tijdens het werk zingen noch praten.
De meeste van de ongeveer 1750 werknemers, van wie velen waren aangesloten bij de anarchistische Federatie van Gemeentewerklieden, hadden al eerder op het punt van staken gestaan. Toen er 64 aardappelschilsters wegen "viezigheid" pardoes op straat werden gezet, was de grens bereikt. Het ontslag van mejuffvrouw Elskamp, aardappelschilster, was de welbekende druppel. "Na lang genoeg getart te zijn door een van de opzichteressen" had ze geprobeerd die opzichteres een bak met aardappelen in het gezicht te smijten. Een ander was ze met haar klomp te lijf gegaan en al scheldend –"sodemieterstraal" en "lelijke vuile hoed" – had mejuffrouw Elskamp een tussenbeide komende controlleur met haar aardappelmes een flinke jaap in zijn hand bezorgd. Op staande voet ontslagen! Op 5 oktober 1918 ging de Keuken plat.
De personeelsleden die aangesloten waren bij de socialistische Nederlandsche Bond van Gemeentewerklieden wezen de staking af, al erkenden ook zij "dat er aan de Keuken zeer zeker vele grieven bestaan". De kranten waren verschillend in hun commentaar. De stakers werden gesteund door De Tribune en De Telegraaf. Daarentegen wezen het Algemeen Handelsblad en De Tijd beide op de weerzinwekkendheid van de staking. De Tijd: "Er is wel eens meer een werkstaking geweest om heel zotte motieven. Maar dit standje spant de kroon. En daar zijn 60.000 van de minst begunstigde mensen het slachtoffer van. De concurrentie tussen socialist en anarchist is toch wel een gezegende uitvinding!" De Courant hoopte slechts op een oplossing. Het Volk, de partijkrant van de sociaal-democraten, was uiteraard fel tegen. En het satirische weekblad De Notenkraker publiceerde een mallotig nep-interview met Wesselingh, leider van de Federatie van Gemeentewerklieden.


Model voor de Tweede Wereldoorlog

De emoties laaiden hoog op. De politie moest werkwilligen naar huis escorteren, waarbij een agent een keer een kei op zijn kop kreeg. Een werkwillige vrouw werd desondanks gemolesteerd en er sneuvelde vele ruiten. Het waren hoogtijdagen voor het manifest en het pamflet. Geen muur, of je las: "Aan de Amsterdammers!" De Federatie van Gemeentewerklieden kwam met vijf eisen, vooral betere arbeidsvoorwaarden, maar die werden eerst genegeerd. Een bemiddelingspoging van gemeenteraadslid Klaas de Vries van de Vrijzinnig Democratische Bond liep op niets uit. Uiteindelijk werd er toch onderhandeld.
Het bestuur van de Centrale Keuken deed enkele toezeggingen en het laatste struikelblok verdween toen mejuffrouw Elskamp meedeelde dat ze de opheffing van de staking niet wilde tegenhouden en zichzelf als ontslagen beschouwde. Op 19 oktober hief de Federatie de staking op. Een week later, eerst moesten de 2000 ketels nog schoongemaakt worden, was de Keuken weer in bedrijf.
Op 11 november 1918 eindigde, nog vrij onverwacht, de oorlog. Op voedselgebied trad een snelle verbetering op en bij de Centrale Keuken liep het aantal klanten in het voorjaar van 1919 dan ook drastisch terug. Logischerwijs gingen de instellingen dicht: Haarlemmerweg sloot op 1 maart, Hoogte Kadijk op 1 juni. Jaren later, tijdens de Tweede Wereldoorlog, viel men volledig terug op het voedselvoorzieningssysteem van een oorlog eerder, inclusief centrale keukens. En weer hadden veel Amsterdammers er baat bij. Omstreden was de voorziening dit keer niet.

 

ONS AMSTERDAM FEBRUARI 1995

Powered by JReviews