Het verhaal van een honderdjarige Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     Maart 21, 2014    
2196   0   0   0   0   0

Dossiers

Thema

De stille omgang begon in 1881

(Ons Amsterdam februari 1981)

I     .Hoe het begon…
In 1881 spraken de heren C.A.J. Elsenburg en J.J. Lousbergh met elkaar af om op de zondag na het feest van het Mirakel van Amsterdam in de vroege morgen biddend en overwegend de oude weg te gaan, die men na de stichting van de Heilige Stede (1347) tot aan de Alteratie van de stad (1578) regelmatig in een plechtige omgang had gelopen. Het was, zo bekende de heer Lousbergh, die notities had gemaakt van de besprekingen, een wat riskante onderneming. ‘Intusschen bestond deze devotie slechts bij overlevering en het is dus zeer begrijpelijk dat zij een drietal eeuwen later aan de massa der geloovigen zoo niet geheel onbekend, dan toch zeer onvolledig bekend was’. Had het nog wel zin nu er zoveel onzekerheden waren over de route die de processie had gevolgd, deze omgang te houden, zo vroeg men zich af. Maar de heren waren van mening dat de historische weg die de processie was gegaan op de tweede plaats kwam: het was hun erom begonnen om tegenover zichzelf te getuigen van hun geloof in de Heer die Amsterdam met zoveel gunsten had overladen.
Van het begin af aan is het niet de bedoeling geweest om daar een massale demonstratie van te maken. Vrienden en bekenden, die ook uiting wilden geven aan hun geloof, mochten zich wel bij hen aansluiten maar daar moest het dan bij blijven.
Omdat de omgang eindigde met het bijwonen van een misviering op het Begijnhof, viel hij op bij de nieuwe rector van het Begijnhof B.H. Klönne, een man met grote historische belangstelling. Na wat informatie kwam hij erachter wat er aan de hand was en omdat hij erg geïnteresseerd was in deze devotie, maakte hij in een schoolschrift wat aantekeningen over de ontwikkeling van de omgang. De eerste notitie bevatte een korte aantekening, over de omgang van 1884. ‘Op Zondag onder het octaaf is er ’s morgens heel vroeg processie gehouden door de stad, vooral door jonge heeren en ’s middags omstreeks een uure door jonge juffrouwen.’ Hij respecteerde de opvatting van de initiatiefnemers om het besloten te houden en stelde zich op als gewone toeschouwer.
Maar toch schijnt het initiatief van de omgang veel aantrekkingskracht te hebben uitgeoefend. Klönne vroeg zich in 1885 af of hij er niet wat aan moest doen. Hij noteerde in zijn schrift: ‘Misschien is het wenschelijk met het oog op deze processiegangers op Zondag den geheelen dag expositie te houden. Er komen veel menschen voor een toedeur.’
Intussen had hij zich ook verdiept in de weg die men volgde. Hij had, juist omdat hij vernomen had dat de heren zelf niet zeker waren van de historische juistheid, nasporingen gedaan over de wijze waarop het vroeger ging. En in het archief van het Begijnhof had hij een notariële akte gevonden, opgesteld in 1651, op aandringen van Hendrik Barendz. Hartoghvelt. Zijn moeder Agatha Hendrix Loen leefde toen nog: zij had in haar jeugd de processie vaak zien uittrekken en nu ‘lestleden den 31sten October 91 jaeren haer verstand ende memorie, God loff, noch wel hebbende’ moest men haar vragen hoe precies de weg gelopen had. Dat heeft zij gedaan en het stuk werd toen ter hand gesteld aan Leonardus Marius, die in de tijd dat hij pastoor was van het Begijnhof zich intensief beziggehouden had met de geschiedenis van het mirakel. Misschien had Marius zelf, die zijn einde voelde naderen, erop aangedrongen om dit vast te stellen voor het nageslacht. Deze gegevens speelde Klönne via zijn kapelaan toe aan de heer Lousbergh en nu kon men zeker zijn van de weg.
Hoewel het niet de bedoeling was geweest, maakte men in 1886 een bescheiden reclame voor deze devotie. De heren Lousbergh, Apol, Elsenburg en De Veer stuurden een paar honderd circulaires uit naar belangstellende en op deze oproep reageerden velen. In de aantekeningen van Klönne stond het volgende korte verslag van de processie van 1886: ‘Tengevolge van deze gelithografeerde circulaire namen ruim zestig persoonen aan den stillen omgang deel. Onder hen waren drie Haarlemmers die ’s nachts te voet gekomen waren en om 5½ uur op het Spui present waren, den omgang meemaakten en om 7 uur in de bagijnhofkerk ter communie gingen. Ook waren er een twaalftal jongens van de Lauriergracht. Het was regenachtig weder.’
Het merkwaardige in deze aantekening is dat voor het eerst de naam Stille Omgang voorkwam. Deze werd toen door iedereen overgenomen. Vanuit het bisdom Haarlem toonde men in dat jaar voor het eerst belangstelling. De vicaris-generaal J.F. Vregt, een vrij nuchter man met gevoel voor historische waarden, was naar Amsterdam gekomen om de ontwikkeling van de devotie te bekijken. Ook hij nam de benaming van Klönne over en in de aantekeningen die hij later maakte voor een geschiedenis van het bisdom Haarlem, schreef hij bij 1886: ‘In Amsterdam gaat ter gedachtenis aan het sacrament van mirakel gedurende eenige jaren een nachtelijke processie die de stille omgang is.’
De reclame had ook de aandacht van de pers getrokken. De correspondenten van De Tijd en de Maasbode, de twee belangrijke katholieke kranten in het bisdom Haarlem, schreven over deze devotie. Maar toch wilden heel wat Amsterdammers die er wel voor voelden om eraan mee te doen, eerst de kat uit de boom kijken. zou deze devotie op den duur wel stand houden? De initiatiefnemers hadden deze geluiden ook hier en daar gehoord en om de Stille Omgang wat aantrekkelijker te maken hadden zij besloten voortaan te eindigen met een gezongen viering. Ze hadden daarvoor de gebroeders Hegener, in die tijd bekende kerkzangers uit Amsterdam, gevraagd om dit te verzorgen, maar de processie was nog niet massaal. Klönne gaf een verslag over de tocht van 1887: ‘Op Zondag onder het octaaf gingen een groot aantal Amsterdammers, volgens de schatting van den heer Lousbergh ongeveer honderd man, ommegang houden smorgens vroeg. De poort aan het Spui werd te vijf uur geopend. Zij kwamen op de hof tezamen, verdeelden zich en deden in kleine groepen de ommegang. Teruggekeerd hadden zij om 6 uur een gezongen mis (de pater, want ik deed de ommegang om 6 uur) waaronder heilige communie.’
Pas in 1888 won de Stille Omgang terrein. Hoewel de initiatiefnemers ervoor waakten dat de processie niet uit zou groeien tot een soort van demonstratie en tot alle prijs wilden voorkomen dat zij niet-gelovigen met hun devotie zouden kwetsen, bleef de grotere toeloop niet onopgemerkt en had wat nare gevolgen. ‘Evenals verleden jaar’, schreef Klönne in zijn notities, ‘verzamelden zich de processiegangers om 5¼ uur op de hof. ’t Was frisch eenigzins vriezend weder; er lag een dunne laag sneeuw. Ik schat het aantal processiegangers op 600. De kerk was overvol, een dozijn vrouwen ongeveer. Toen echter de gezongen Mis om 6 uur door mij begon, stiet een baldadige hand van buiten aan de Nieuwe Zijds Voorburgwal een ruit van een der beide lage vensters in.’
Voor het bestuur was het aanleiding om in de toekomst nog voorzichtiger te zijn. Men moest voorkomen dat andersdenkenden in hun gevoelens gekwetst zouden worden. Men mocht op geen enkele wijze reageren wanneer men werd aangeroepen. Toch mocht de omgang niet stiekem gebeuren; dan zou men meer aanleiding geven tot ergernis. Maar wanneer men rustig bleef, zouden andersdenkenden deze devotie kunnen aanvaarden. Deze handelwijze wierp zijn vruchten af: na dat jaar hoorde men niet meer van moeilijkheden door niet-katholieken. Ook zij hadden de Omgang als Amsterdams gebeuren aanvaard.
Het moet ook in deze tijd geweest zijn dat men van vrouwen vroeg om niet mee te gaan met de nachtelijke omgang. Wilden de vrouwen toch meedoen aan deze devotie, dan konden zij dat overdag doen. Zij konden dan in kleine groepen de tocht maken en gaan bidden in de Begijnhofkerk.
Het is dus louter een technische zaak geweest dat de Omgang alleen door mannen werd gemaakt. Toen Amsterdam deze dus had aanvaard en er geen moeilijkheden meer kwamen, had men de maatregel kunnen intrekken, maar dat is niet gebeurd. Men noemde het een soort van traditie. In 1948 nog zei de deken van Amsterdam G. v.d. Burg voor de radio: ‘God geve aan onze katholieke vrouwen het wijze inzicht, de fijne attentie en de daarvoor nodige edelmoedige zelfbeheersing om nooit ’s nachts de Stille Omgang mee te maken. Dit uit eerbied voor de schone traditie…
Nachtelijke Stille Omgang is een geheel eigen privilegie onzer katholieke mannen.’ Hoewel het in goede bedoeling werd gezegd, was het fout: een nachtelijke omgang was geen privilegie voor mannen; alleen om praktische redenen werd aan de vrouwen gevraagd er niet aan mee te doen maar toen die redenen er niet meer waren, was het een vorm van discriminatie dit te laten voortduren. De vrouwen maakten er zelf een einde aan door in de zestiger jaren in grote aantallen mee te gaan doen aan de nachtelijke omgang.
Het jaar 1887 was ook nog op andere wijze belangrijk voor de Stille Omgang. Tot dan toe waren de heren die het initiatief hadden genomen, op de achtergrond gebleven: van enige organisatie was in die eerste jaren weinig te bespeuren. Maar toen de Omgang in 1887 meer bekendheid kreeg, kon met niet langer buiten organisatie om: de mannen die begonnen waren, vormden toen het gezelschap van de Stille Omgang en konden, indien het nodig was, anderen uit hun omgeving aantrekken om aan de processie wat leiding te geven. Er werd een heel summier schema van werkzaamheden vastgesteld en er kwamen wat algemene statuten, omdat men er nu eenmaal niet buiten kon.
B.V.

In de kleine Begijnhofkerk trekt het omvangrijke schilderij van de Mirakelprocessie tegen de rechterwand nauwelijks de aandacht. Door het spiegelen van het licht op de oude vernislaag, is de voorstelling bijna niet te onderscheiden. Het wachten is op een opknapbeurt en een betere belichting, maar ook dan zal deze dromerige evocatie van de middeleeuwse ommegang geen feestelijke, maar eerder plechtige gevoelens wekken. En dat was een eeuw geleden al oorzaak van een merkwaardig conflict.
B.H. Klönne, rector van de Begijnhofkerk en een zeer actieve figuur in de katholieke emancipatie, vierde in 1884 zijn zilveren priesterfeest en ontving toen, volgens de overlevering, een groot bedrag ten geschenke van de Amsterdammer Piet Heseding, die hem zou hebben voorgesteld er een schilderij van de Mirakelprocessie voor te laten maken.
De opdracht ging naar Antoon Derkinderen, een jonge schilder uit Den Bosch, toen pas 25 jaar oud, net afgestudeerd van de Amsterdamse Rijksacademie en volgens zijn zwager W.B.G. Molkenboer een talent van betekenis, een ‘roomse Rochussen’.
Er kwam een ontwerp op papier dat Klönne beviel. In bonte kleuren werd de romantische Amsterdammers van een eeuw geleden het middeleeuwse tafereel voor ogen getoverd, zoals ze het in hun dromen zagen, een groot kerkelijk-stedelijk feest. Dat de middeleeuwen een grote rol speelden in het denken van de katholieken van die tijd, hoeft niet te verwonderen. Eindelijk vrij na eeuwen rechteloosheid, keken ze terug naar de dagen van voor de Alteratie van 1578, de tijd dat Amsterdam nog katholiek was. En dat daarbij de aandacht wel in het bijzonder naar het Mirakel van 1345 ging, die Amsterdam een bedevaartcentrum had gemaakt van betekenis, ligt dan wel voor de hand. De herinnering aan die tijd met zijn grote feesten was nooit geheel geweken. Nadat het eigenlijke centrum van de devotie, de Heilige Stede aan de Kalverstraat de protestantse Nieuwezijds Kapel was geworden, werd de kleine huiskerk aan het Begijnhof het centrum. En voor een man als Klönne, rector van de kerk, gold die traditie wel heel bijzonder. Hij was een romanticus en een activist.
De definitieve opdracht aan Derkinderen, die in oktober 1884 op papier kwam, gold een schilderij van twee bij elf meter, een voor die tijd ongewoon monumentale omvang. Maar de Amsterdamse katholieken van die dagen waren niet voor een kleintje vervaard. Met een geweldige energie werden in het oude centrum en in de stadsuitbreidingen kerken gebouwd van een omvang en rijkdom die allerwegen verwondering wekten, maar die generatie wilde dan ook een achterstand van eeuwen in korte tijd inhalen.
Achteraf gezien is het verwonderlijk dat een romantisch terugzien naar de middeleeuwse glorietijd hand in hand ging met een nuchtere organisatiezin en een geweldige dadendrang. Voor al te fijnzinnige bespiegelingen was er eigenlijk maar weinig ruimte en men was blij dat de jonge Derkinderen een type was dat snel werkte en zonder omhaal het verhaal precies beloofde te schilderen als Klönne het zich droomde. Maar Derkinderen was geen ‘roomse Rochussen’. Aanvankelijk scheen het werk snel te gaan, maar in 1887 gaat Derkinderen op reis naar Italië en ziet daar voor het eerst het werk van Giotto, dat zo verschilde van de volkse, realistische historieschilderingen die hij uit België kende. Maar de grote schok komt op de terugweg, in Parijs. Hij bezoekt er de vervaarlijk monumentale kerk van St. Geneviève, nu het Pantheon, en ontdekt daar de wandschilderingen van Puvis de Chavannes, grote taferelen die het leven van de Parijse heilige vertellen in een dromerige, verstilde trant als een vaag verhaal van lang geleden; geen momentopnamen in bonte kleuren als uit een historisch toneelstuk maar mijmeringen in pasteltinten.
Van dat moment is Puvis de Chavannes de inspiratiebron van Derkinderen en terug in Amsterdam ontdoet hij het grote doek van alle ‘Anton Pieck’-elementen. Vrienden die hem in zijn atelier bezoeken staan verbaasd over de veranderingen. Derkinderen onderhoudt nauwe relaties met de Tachtigers. Er wordt veel gepraat over moderne schilderkunst en dat is een heel andere kunst dan Klönne en zijn vrienden op het oog hebben. Als dan eindelijk het doek, jaren later dan men had verwacht, gereedkomt, ontsteekt Klönne in woede. Had hij niet bijna tachtig vooraanstaande Amsterdamse katholieke priesters en burgers bereid gevonden om stuk voor stuk voor Derkinerden te poseren in de verwachting dat zij een plaats zouden krijgen op het grote schilderij? En nu was geen van zijn vrienden op het doek herkenbaar.
De opsomming van de namen door Gerard Brom in ‘Het Vierenswaardig Wonder’ geeft een interessant beeld van deze vriendenkring van Klönne, die voornamelijk bestond uit priesters en welgestelde katholieken. De initiatiefnemers voor de Stille Omgang ontbreken in dit gezelschap.
De meeste tekeningen van Derkinderen bevinden zich nu in het Gemeentearchief. De namen van de afgebeelden luiden: Louis van der Aa; F.X. Aghina O.F.M.; Paula Alberdingk Thijm (later Mevr. Hendrichs); G.M. Alberdingk; Joop van den Biesen; W.C. Boers pr.; G.C. Bohnen O.F.M.; Bernard de Bont; J.H. van Born pr.; L.A. Bouvy; Sophie Bouvy (later MEvr. Frans Erens); Emanuel Brom; J.J. Burgmeyer O.F.M.; A.M.C. van Cooth pr.; Jos. Cuypers; Willem Diepenbrock; W.J. v. Dieten S.J.; B.H.M. Driessen; August van Erven Dorens (tweemaal); Evert van Erven Dorens (viermaal); P. everard; L.C. Eygenraam pr.; E.P. Fages; W.J. Grossel pr.; Frits Haakman van den Bergh; Jeannette Haakman van den Bergh (later Mevr. Verbunt); C.J. de Haan pr.; B.J.M. Harmsen; W.P.A. Hellegers; C.P.H. Heymeyer; H.W. van Hooff pr.; P. de Hoog pr.; W.A. Hoorneman pr.; J.P. Hunting pr.; Mej. Ketelaar; A.C.M. Koedijk; A. Leesberg; J.G. Lomans; Josepha Mulder (later Mevr. van Wely); Bernard L.A.M. van Ogtrop; Henri van Ogtrop; Lambert J.G. van Ogtrop; Piet L.M. van Ogtrop; P.J.M. Reinhard; H.F.J. Rikmenspoel pr.; Th. C.M.H. van Rijckevorsel; Henry Schäfer; C.J.J. Schmitz; A.G. Schweitzer pr.; H.L. Sloots pr.; F. v.d. Sman O.F.M.; Mr. Ant. Smits; J.F.M. Sterck (tweemaal); J.P.G. Tack O.F.M.; Theo v.d. Tak; C.J. Tholenaer pr.; H. Tielens O.P.; J.J. Vernieuwen pr.; Catharina P.M. v.d. Voort (later Mevr. van Moorsel); W.J.S. Waterschoot van der Gracht; L.A.A. van Wensen; F.Th. Westerwoudt; A.A.L. van Wouw O.F.M.; J.D.L. Wubbe pr.; Th. J.B. Westerwoudt; Mr. van den Bogaert; P. Heseding; Ant. Molkenboer; André Smits; Steins Bisschop; Felix Westerwoudt en Willeman pr.
Derkinderens argument dat hij ‘geen particularisatie van het religieuse levensbeeld’ wenste, maakte op Klönne weinig indruk en hij wendde zich voor een oordeel tot de grootste katholieke autoriteit van dat moment, Thijm, de voortrekker en kunstenaar die ook door Derkinderen hevig werd bewonderd.
Thijm, die heel katholiek Amsterdam was voorgegaan in verering voor de middeleeuwen, nam het werkstuk in ogenschouw en was niet tot een positief oordeel te bewegen. En heel zijn aanhang, onder wie zijn machtige zwager, de architect P. Cuypers, deelde in de afwijzing. Voor de jonge Derkinderen moeten dat onthullende belevenissen zijn geweest. De hele oudere generatie wendde zich van hem af. Het werd een generatieconflict. De ouden wensten niets met de moderne Haagse School, de jonge Amsterdammers en de Parijse symbolisten te maken te hebben. Althans in de kerk. Derkinderen zou zijn hele leven lang geen kerkelijke opdrachten meer krijgen en toen hij zich bij Cuypers meldde met het verzoek of hij mocht medewerken aan het vele schilderwerk voor het nieuwe Rijksmuseum, stond hij binnen tien minuten weer buiten. Zijn aanhangers wisten hem in 1889 te bewegen om het grote doek te exposeren in het Panoramagebouw in de Plantage. En daar meldde zich deurwaarder Abspoel met de officiële mededeling van de weigering van rector Klönne om het doek te aanvaarden. Elke poging door Derkinderen en zijn omgeving om de zaak in der minne te schikken, mislukte.
Gerard Brom schreef later over het conflict: ‘… het schilderij moest voorlopig afstoten om dezelfde redenen, waarom het later aantrekken zou. De triomftoon van het opkomend Katholicisme werd niet teruggevonden in dit stemmig recitatief dat zo’n strijdbaar geslacht als een laf wiegelied toeklonk. De ingehouden geestdrift leek een gebrek in de ogen van tijdgenoten, die zich juist aan de luide triomf over een verloren glorie te goed wilden doen. Wat hier met sluiers van een heilige eerbied is omhuld, stemt overeen met de geest van de Stille Omgang die langzamerhand begon te bloeien tot het diepste wat Katholiek Nederland kentekent, maar het bevredigde daarom minder de baanbrekers van de emancipatie die zich uit het verborgen naar het openbare leven opworstelden’.
Klönne kreeg later precies wat hij wenste bij de Belgische schilder C.F. Philippeau, die een bont volkstafereel maakte in de oude trant. Dat schilderij kreeg de plaats in de Begijnhofkerk.
Het grote doek van Derkinderen ging zwerven, kwam in particuliere handen en tenslotte in het Stedelijk Museum, waar men wel oog had voor de kwaliteiten. Een en ander tot grote ergernis van progressieve katholieke jongeren, die bleven ijveren voor ‘eerherstel’. Dat gebeurde tenslotte pas in 1929, toen alle betrokkenen bij het conflict waren overleden. Het schilderij van Philippeau ging een verdieping hoger, naar de galerij van de kerk.
Het is opvallend dat Brom in zijn karakteristiek van Derkinderen schilderij een overeenstemming constateert ‘met de geest van de Stille Omgang’! Er was in mentaliteit blijkbaar een duidelijk verschil tussen de vrome Amsterdamse burgerheren, die de Stille Omgang in ere herstelden, en de romantische rector van het Begijnhof. Hoewel ook zij zeker hun dromen hadden, lieten ze de bedoelingen van de Stille Omgang toch duidelijk in de statuten van het Gezelschap van den Stille Omgang vastleggen. ‘De Stille Omgang mag nooit zijn een manifestatie of protestoptocht, hij moet blijven een stille bedetocht. Iedere deelnemer behoort, geheel in zichzelf gekeerd, biddende, zonder uiterlijke tekenen, zelfstandig, zonder zich bij een vereniging of groep te denken, de aangegeven weg te maken.’
De geweldige weerklank die het initiatief van de heren kreeg, is dan ook zeker te danken aan die verrassend intieme, bijna argeloze Hollandse vorm van vroomheid die zij tot nieuw leven wekten. Het was dan ook een ‘lekenapostolaat’ en dat was in het nog geheel door klerikale initiatiefnemers gedomineerde katholieke Nederland toen een grote uitzondering. Het conflict Klönne-Derkinderen is een illustratie van twee gevoelswerelden die toen in botsing kwamen.
In de worsteling van de Amsterdamse katholieken om een eigen Amsterdamse identiteit hebben de middeleeuwen een belangrijke rol gespeeld. Eenmaal de band met die middeleeuwen hersteld hebbend, kon men zich de oudste bewoners van de stad voelen, de eersten. En uit die middeleeuwen haalde men allereerst het Mirakel van 1345, dat de kleine stad een religieuze faam gaf.
De Stille Omgang was weliswaar een nachtelijk en bijna anoniem gebeuren, maar tegelijk gaf die eindeloze stoet van duizenden zwijgende bedevaartgangers in het gevoel van de deelnemers het hart van de hoofdstad zijn religieuze identiteit terug. Mokum was ook voor katholieken ‘de plek’. En vanuit dat gevoel ontstond er een vloedgolf van liederen, afbeeldingen en gedichten, een complete cultus en zo’n hevige identificatie, dat nog enkele jaren geleden een blad zijn verwondering uitsprak over de bijna fanatieke Amsterdam-liefde van de katholieken.
De vrome heren van de Derde Orde van Sint Franciscus hebben in dat proces onbedoeld een belangrijke rol gespeeld. Zij vonden een vorm die zou beklijven, ook toen het luidruchtige triomfalisme van de emancipatietijd voorbij was.
H. v. N.

II Hoe het groeide…
Vanaf 1887 legden de Amsterdammers hun aanvankelijke schroom af en begonnen mee te trekken met de Stille Omgang. Maar ook buiten Amsterdam kreeg deze bijzondere devotie belangstelling. De eerste buitenpoorters die meetrokken waren Haarlemmers die te voet naar Amsterdam kwamen. Vanuit Volendam kwamen de mannen met hun botters over de Zuiderzee naar Schellingwoude en gingen vandaar te voet naar de binnenstad.
Maar ook van verder begonnen de mannen op te trekken naar Amsterdam. Beverwijk, Purmerend en het Gooi kwamen lopend naar de hoofdstad. Maar toen begon zich een probleem voor te doen, waar men in al zijn enthousiasme niet had gedacht. De mannen maakten gebruik van openbaar vervoer en in katholieke kringen vroeg men zich in alle ernst af of men hierdoor niet in conflict kwam met de Zondagswet. Mocht men, ook al was het om een godsdienstige reden, van mensen van spoor, tram of boot vragen om voor katholieken te werken? En bestond er geen gevaar, vooral voor buitenmensen uit West-Friesland, die pas laat op de zondagmorgen met de trein terug konden keren, dat ze verloren liepen in die grote stad?
Deze principiële vragen waren de oorzaak dat er spoedig ook buiten Amsterdam organisaties ontstonden die zich aansloten bij het Amsterdamse gezelschap van de Stille Omgang. Hun taak bestond voornamelijk in het organiseren van de jaarlijkse tocht en het voorkomen van moeilijkheden. De eerste afdelingen waren Edam (1898), Volendam (1899), Ouderkerk (1905), Haarlem (1908) gevolgd door ongeveer 100 anderen. Van de afdelingen werd gevraagd om een minimum aan organisatie. Er was een groep die voorstelde de betaling van de reiskosten in de contributie op te nemen maar men vond dat dit niet was overeenkomstig de opzet. Het bisdom, dat gevraagd was om het verlossende woord te spreken, wilde zich niet mengen in de interne aangelegenheden van het gezelschap en wilde geen richtlijnen geven.
Door de grotere toeloop was spreiding over verschillende kerken voor de misviering na de Stille Omgang noodzakelijk. Dat gebeurde in 1908. In de aantekeningen van Klönne leest men over deze spreiding de volgende notitie aangaande omgang van 1912: ‘De Stille omgang onder het octaaf ging voor den eersten maal den processieweg in 1887. In dit jaar anno 1912 geschiedt dit voor den 25en maal. Uit Zaandam waren er 180 in de Mis, Fransche kerk om 5½. Uit Hilversum 164 man per extra Gooische stoomtram en hebben 6 uur de Mis in de Singelkerk. Uit Alkmaar is het aantal geheel onbekend.’ In 1928 waren er zo veel dat men ze niet kon verwerken in de verschillende kerken: na lang beraad besloot men de deelnemers over twee zondagen te verdelen. Na de oorlog was men zelfs gedwongen naar drie zondagen uit te wijken.
In 1916 had het bestuur van het gezelschap een gesprek aangevraagd met bisschop A.J. Callier van Haarlem. De bedoeling was dat het bisdom aan Rome zou vragen om ‘geestelijke gunsten’ voor de pelgrims van de Stille Omgang. Dit was voor het bisdom een wat moeilijke zaak: men wilde daardoor als het ware een zekere erkenning vragen aan Rome. De bisschop adviseerde het gezelschap dit zelf te doen en in Rome werden de feiten die betrekking hadden op deze processie ernstig bestudeerd. Men kwam tot de conclusie dat men wel bepaalde gunsten kon verlenen zoals men voor samenkomsten van gelovigen gewoon was te geven maar geen toestemming kon verlenen voor een pauselijke zegen omdat dit indirect een erkenning van het wonder inhield. Het bestuur was met deze oplossing tevreden.
In 1954, toen volgens de kerkelijke rechtsorde de gunsten moesten worden vernieuwd, probeerde men het nog eens. Maar ‘hoewel men in Rome zeer sympathiek staat tegenover deze zaak’ kon men toch niet verder gaan. Toen in de zestiger jaren niet alles meer zo vanzelfsprekend was, waagde men opnieuw een poging om wat verder te komen. Maar, zo verzekerde men vanuit Rome, men had de zaak van alle kanten bekeken en daarom moest men de verantwoordelijke instanties niet langer lastig vallen met vragen.
Na de oorlog beleefde de Stille Omgang tot aan de zestiger jaren haar grootste bloei. Het is merkwaardig dat vanaf 1946 niet Amsterdam maar de andere Nederlandse gemeenten het gehalte van de omgang bepalen. ‘Minder nadrukkelijk dan men van een Amsterdamse bedevaart zou verwachten, bepalen de Amsterdammers na de oorlog de groep van deelnemers. De rest van de Randstad telt beduidend meer waarbij met name West-Friesland sterk overtegenwoordigd is.’
B.V.

In dezelfde tijd dat in Amsterdam de traditie van de Stille Omgang een georganiseerde vorm gaat krijgen en rector Klönne zijn conflict heeft met de jonge Anton Derkinderen over het schilderij in de Begijnhofkerk, gebeurt er nog meer dat in de kring van katholieke activisten opwinding veroorzaakt. In 1882 sterft ds. Brandt, de laatste vaste predikant van de Nieuwezijds Kapel aan de Kalverstraat en er wordt geen nieuwe predikant benoemd. De Doleantie had een scheuring teweeggebracht in de Hervormde Kerk en het aandeel van de oude kerk in de Amsterdamse bevolking in korte tijd van bijna vijftig tot veertig procent teruggebracht. Dat zal een van de redenen zijn geweest dat men aarzelde een nieuwe predikant te benoemen.
Een andere was dat de kerk bouwvallig begon te worden en er voor het dure herstel niet voldoende geld was; de overheid was toen nog niet zo royaal met subsidie voor restauratie van oude kerken. Maar wel beleefde de Kalverstraat een geweldige opgang als de beste winkelstraat van de stad en steeg de grondprijs in dit gebied naar voor die tijd ongekende hoogten.
Het is dus niet zo verwonderlijk dat het kerkbestuur ernstig begon te denken aan afbraak van het gebouw en verkoop of verhuur van de gronden aan de Kalverstraat voor de stichting van winkelpanden.
De besluitvorming komt in de jaren negentig op gang en in 1898 is het definitief, de Nieuwezijds Kapel gaat tegen de grond.
Op het Begijnhof raakt rector Klönne in steeds grotere staat van opwinding. Voor hem en met hem de groeiende kring van historische gezinde katholieken is die tochtige bouwvallige binnenstadskerk geen stadskapel zonder meer, maar de Heilige Stede, de kerk die al in de veertiende eeuw was gebouwd over de plek van het Mirakel en die alle eeuwen tot de Alteratie van 1578 het centrum was geweest van de Sacramentsdevotie en van de bedevaarten. In de verbeelding van de katholieke Amsterdammers van die tijd had Amsterdam zelfs zijn hele opkomst tot eerste stad van het land aan dat Mirakel te danken.
In de nacht van de Stille Omgang maakten de tientallen, later duizenden deelnemers aan het eind van de bedevaart letterlijk een stille omgang om het verlaten gebouw, vrome ingetogen, biddende mannen zonder agressie, maar in de fantasie van de mannen rond Klönne was die Heilige Stede steeds rijker, steeds triomfantelijker geworden en groeide het verlangen om die kerk weer in bezit te krijgen. Maar Klönne aarzelt om in actie te komen. Hij kent de gevoeligheden aan de andere kant en schrijft in zijn dagboek: ‘Ik had graag brieven gericht aan de verantwoordelijke besturen, maar men kan onze zorg verkeerd uitleggen.’
Het afbraakbesluit dwingt tot actie. Klönne worstelt lang met een concept voor een brief, maar gelukkig komen er nu medestanders van onverdachte huize. Het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap laat in het openbaar zijn protest horen.
Voor Klönne is nu de weg vrij. Het is opvallend dat hij zich niet richt tot de kerkeraad maar meteen tot het gemeentebestuur in een schrijven, dat door invloedrijke katholieke Amsterdammers mede wordt ondertekend en waarin wordt geprotesteerd ‘wegens een vernieling van een kapel, een monument van Amsterdams opkomst en met dat roemrijk verleden onafscheidelijk verbonden’.
Dat plaatste het gemeentebestuur in de noodzaak te reageren, want zowel in het Handelsblad als in De Tijd begonnen briefschrijvers zich te roeren. Natuurlijk was men zich er toen al van bewust dat het om iets méér ging dan het behoud van een, uit de middeleeuwen stammend kerkgebouw. Er was ook sprake van een strijd tussen kerkgenootschappen, een herhaling van het conflict uit de zestiende eeuw, maar nu met de katholieken als oppositiepartij.
Wat moest er dan precies gebeuren? Moest men de kerk restaureren? De zeer invloedrijke architect P. Cuypers, bouwer van het Rijksmuseum en het Centraal Station en van een aantal neogotische kerken in Amsterdam, had al een tekening gemaakt van zo’n restauratie en dat betekende in zijn fantasie een evocatie van een laat-middeleeuwse pronk kerk. De voorzitter van de kerkeraad der Hervormden, H. Harmesen, liet zich dan ook ontvallen dat restauratie ‘te veel rooms’ zou zijn. ‘Kunst heeft als gewoonlijk een roomse bijsmaak. Restaureren betekent hier, waar we in de gemeente een roomse referendaris hebben, gewoonlijk: rooms maken’.
Cuypers gooide olie op het vuur door in het Handelsblad voor te stellen de kerk maar aan de katholieken te verkopen en dat gaf de doorslag.
Ds. J. du Buy liet nog enigszins in het midden hoe men zou hebben gereageerd als het om een gewone kerk ging, maar ‘juist de wetenschap dat de kapel niet een roomse kerk zonder meer, maar de kerk van het Mirakel met al den aankleve van dien zou worden, velen gewetenshalve verbiedt in een overdracht toe te stemmen’. Dat was duidelijke taal. Een ander lid van de kerkeraad zei het nog korter: Nog voor geen tien miljoen!
Het gemeentebestuur van Amsterdam voelde er weinig voor partij te kiezen in zo’n hachelijke zaak als een strijd, waarin artistieke, religieuze, historische en materialistische gevoelens en verlangens onontwarbaar door elkaar gingen. In de nadagen van het liberale burgerregime zullen wel de verlangens naar behoud ter wille van de historie en de artistieke waarde van het gebouw hebben overheerst en men waagde een kans via een originele invalshoek.
In antwoord op Klönne’s vraag: Wie behoort eigenlijk de kapel? stelde het gemeentebestuur zich kandidaat voor het eigendom en startte een proces.
Het begin had het karkater van een kleine comedie. Op een maandag in februari 1900 zond architect Posthumus Meyjes enige werklieden naar het dak van de kapel om het slopen te beginnen, waarop de eveneens ter plaatse verschenen stadsadvocaat Kappeyne van de Coppello staking eiste van dit ‘vergrijp tegen goed der gemeente’.
Dat vormde het begin van een proces dat zich over jaren zou voortslepen en dat enige rust bracht in de discussies. Achter de schermen speelde een zich, voor belangstellenden fascinerend steekspel af, waarin de hele vaderlandse en Amsterdamse kerkgeschiedenis overhoop werd gehaald in het verzamelen van argumenten voor de sleutelvraag: wie was na alle stormen die zich over het gebouw in de loop der eeuwen hadden voltrokken, de eigenlijke rechthebbende. De uitspraak in oktober 1906 bevestigde het eigendom van de Hervormde Kerk. Hoewel de stadsadvocaat nog vol goede moed was om de zaak in hoger beroep toch te winnen, besloot de Amsterdamse gemeenteraad in geheime zitting te berusten in de uitspraak van de rechtbank.
In februari 1908 viel met een grote meerderheid het besluit in de kerkeraad: afbraak. Onmiddellijk werd de discussie in de pers hervat. Hoogleraren, notabelen uit de burgerij pleiten voor herstel en ook Derkinderen laat van zich horen. Hij wijst op de geslaagde actie om het Melkmeisje van Vermeer voor Nederland te redden, maar wat helpen alle overvolle musea als ‘de straten en pleinen onzer steden, het openbare leven, het eenmaal zo rijke centrum, waar het volk in al zijn geledingen schoonheidsindrukken mocht opdoen en genieten, - dat wij bezig zijn dit hopeloos te verarmen’. Er is al zoveel afgebroken, klaagt hij en zijn beroep op de kerkeraad is heel gevoelig en dringend om de kapel te sparen.
Er mengt zich nog een medestander uit de kring van Klönne in het debat: J.F.M. Sterck, die zich van heel wat krachtiger taal bedient en de kerkeraad van vandalisme en winstbejag beschuldigt en ook van verwaarlozing van kunstbezit, zoals de oude schilderingen van Jacob Cornelisz van Oostsanen ‘een schilder wiens werken in ’t buitenland als Rembrandt betaald worden’. Die laatste opmerking is typerend voor Sterck en voor zijn omgeving. In hun strijdlust en opwinding verliezen ze de proporties uit het oog en worden die eenvoudige middeleeuwse kapel en niet minder de middeleeuwse processie door de stad en de kunstwerken die ooit de kapel hadden gesierd, meesterwerken van schoonheid en rijkdom. Wat de werkelijkheid niet vertoonde, werd in romantische dromen en gedichten voor ogen getoverd. Dat juist die romantische, katholieke fantasie de tegenpartij steeds koppiger maakte, drong onvoldoende tot hen door, zodat een opmerking van prof. Lindeboom: ‘Wordt de paganistische ouwelcultus daardoor niet hernieuwd’ alleen in die samenhang nu nog begrijpelijk is.
Sterck bleef als Jeremias treuren om de afbraak. Hij was niet weg te slaan bij de sloopwerkzaamheden en met hem velen die zich meester maakten van brokstukken en die als relikwieën bewaarden. Klönne schreef een Klaagzang: ‘Als een vorstenkind werd ik bij mijn geboorte gehuldigd: als een verstoteling sterf ik.’
Men waagde nog een laatste poging toen de kwestie van de grafrechten ter sprake kwam. De familie Alberdingk Thijm, die een eigen graf in de kapel bezat, startte in mei 1909 een civiele procedure met de eis van ‘erkenning en eerbiediging van het recht van de familie op een eigen graf op het terrein van de gesloopte N.Z. Kapel, waardoor de plek die door dit graf werd ingenomen vrij van op- of aanbouw diende te blijven’. De eis werd in 1912 toegewezen, maar architect Posthumus Meyjes had al een oplossing gevonden door boven het graf een kleine ruimte uit te sparen, die van de Enge Kapelsteeg uit bereikbaar was. Aan de eis was voldaan. Bovendien werd in hoger beroep in 1919 het vonnis van de rechtbank vernietigd en de Hervormde Gemeente in het gelijk gesteld. De merkwaardige ruimte in een van de winkelpanden aan de Kalverstraat is er echter gebleven en zij spookte nog altijd door de Amsterdamse folklore.
Voor de romantici rond Klönne was de nederlaag een geweldige teleurstelling. Sterck zou doorgaan tot aan het eind van de jaren dertig met het publiceren over de Heilige Stede. De droom van een herleving van de oude processie en van rijke bloeiende kapel aan de Kalverstraat was vervlogen.
Wat Derkinderen had bewogen om zijn bonte middeleeuwse fantasie van de oude processie gaandeweg terug te brengen tot een vaag droombeeld – de erkenning van de eigen tijd – werd nu ook voor het Gezelschap van de Stille Omgang de leidraad; inkeer, stilte, verdieping in de oorspronkelijke religieuze betekenis van het gebeuren, zonder vertoon. Dat was de lijn die een van de leden van het Gezelschap, Leonardus van den Broeke, in zijn vele publicaties voortdurend had gepropageerd.
De Stille Omgang was voor hem niet allereerst een herinnering aan de grote middeleeuwse processie door de hele stad, maar van de individuele omgang van de bedevaartgangers. Die laatstgenoemde omgang, zo hield hij vol, was door de eeuwen heen behouden gebleven en de werkelijke erfenis die men van het voorgeslacht had aangereikt gekregen.
Met enige vrijmoedigheid mag men de veronderstelling wagen dat Leonardus van den Broekes benadering typisch is voor de sobere Amsterdamse burgermentaliteit zoals de benadering van Klönne en zijn vrienden meer de klerikale houding weerspiegelt, die van weelde en groot vertoon niet afkerig was.
In de hele verdere geschiedenis van de Stille Omgang zal die ambivalentie steeds weer tot uitdrukking komen als een duidelijke afspiegeling van de geestelijke spanningen binnen de hele, zich emanciperende katholieke bevolking.
H. v. N.

III Hoe het veranderde…
Na 1960 werd het gezelschap geconfronteerd met teruggang van het aantal pelgrims. Om de oorzaken daarvan op te sporen, gaf het bestuur aan het bureau Veldkamp opdracht een grondig onderzoek in te stelen. Het rapport kwam in 1967 uit en zo raakte de hele zaak op de helling. Men meende dat men het historische feit waarop de Omgang stoelde, wat naar achter diende te schuiven: men moest het meer gaan zien als een uiting van geloof. Veldkamp formuleerde dit als volgt: ‘Men moet aan de Stille Omgang groter bekendheid geven als middel voor het gelovige volk om zijn verbondenheid met het maatschappelijk gebeuren te tonen en blijk te geven van zijn geloof van Gods plaats in dat gebeuren.’
In de toespraak op de algemene vergadering te Amsterdam in 1967 haakte bisschop J.G.M. Willebrands op dat gegeven in en verschoof de aandacht van de Stille Omgangers van het wonder naar het belijden van het geloof.
Maar deze andere duiding had, althans in 1967, niet het beoogde effect. De teruggang was in dat jaar nog erger dan Veldkamp had geconstateerd. Het bestuurd meende dan ook in een speciale bijeenkomst voor alle afdelingen het keihard te moeten stellen: moeten we ermee doorgaan of niet. Ondanks de wat pessimistische opmerkingen zoals: ‘Heeft U nog moed om naar Amsterdam ter bedevaart te gaan wanneer je pastoor of kapelaan vertelt dat dat gedoe middeleeuws is’, was de meederheid van gevoelen ermee door te gaan.
Maar de grote teruggang moest nog komen. Het bestuur vroeg zich af of de beslissing die men in 1967 had genomen wel de juiste was. Zij legde de kwestie weer voor op een algemene vergadering, zij vroeg ook aan de geestelijkheid van Amsterdam om raad. ‘Het jeugdsentiment van ouderen’, zo constateerde het bestuur, ‘ziet met weemoed al dit dierbare verdwijnen maar dat is nog geen reden om er een nieuwe generatie mee lastig te vallen. Zou het niet beter zijn om maar afscheid te nemen van dit eerbiedwaardige maar schijnbaar overleefde gebruik?’
Zowel door de priesters als door de zusterverenigingen werd aan het bestuur gevraagd er niet mee op te houden. Een andere duiding van de Stille Omgang, zoals deze in 1967 was aangewezen, had nu eenmaal tijd nodig en men vond het te vroeg om nu af te haken. De bisschop van Haarlem wilde zich niet in het debat mengen maar was blij met deze reacties. ‘Ik ben erg verheugd’, zo schreef hij, ‘dat U op de jaarvergadering een grote massieve tegenstand hebt ontmoet voor uw plannen het bijltje er bij neer te leggen’.
Deze reactie was voor het bestuur een stimulans om de Stille Omgang op een meer moderne manier te presenteren. Het verliet het oude standpunt geen reclame te maken en schakelde radio en televisie in om grotere bekendheid aan deze devotie te geven. Het historische aspect dat tot aan 1960 steeds naar voren was gebracht, werd bijna niet meer genoemd: niet omdat men zich een oordeel wilde aanmatigen over de werkelijkheid van dat gebeuren maar ‘omdat dit gegeven als manifestatie onvoldoende aanknopingspunten biedt voor een maatschappelijk engagement.’
Ook wilde men in de veranderde opzet vermijden om op de en of andere wijze niet-katholieken voor het hoofd te stoten. Men wilde bovendien, ook al stonden andersdenkenden wat vreemd tegenover dit geloof, hen er op de een of andere manier bij betrekken.
 Men had daarbij het oog op de gastvrijheid. ‘Amsterdam’, zo constateerde het bestuur, ‘is voor de bezoekers van buiten in de kille voorjaarsnachten een ongastvrij oord aan het worden’. De horecabedrijven konden niet open blijven hoewel zij toestemming hadden van de gemeente en daarom zocht men naar andere mogelijkheden. En hier kwam de hulpvaardigheid van mensen die vreemd stonden tegenover de devotie, op een warme, hartelijke manier om de hoek kijken. Bij de omgang van 1980 bood het bestuur van de Lutherse Gemeente de bedevaartgangers de kerk op het Spui aan om daar na de tocht koffie te drinken en uit te rusten.
De gezelschappen buiten Amsterdam kregen na 1972 gelijk. Het aantal pelgrims dat in 1972 op een dieptepunt was gekomen, steeg weer. Met dankbaarheid vermeldde het bestuur dit in een rapport, dat ten behoeve van de zusterverenigingen in 1974 was opgesteld. Met een zekere trots schreef men: ‘Opmerkelijk is de grotere deelname van vooral jeugdige Amsterdammers.’
In de volgende jaren was het vooral Amsterdam dat de doorslag gaf voor het voortbestaan van de Stille Omgang. Hoewel de geloofsuitingen in de gewone zin verminderden, vond men zich toch als christenen terug in de Stille Omgang. En nu dan deze bedevaart haar honderdste verjaardag viert, hoort zij echt nog thuis in het leven van Amsterdam en draagt zij de naam van de stad uit door het gehele land.
B.V.

Zoals reeds naar aanleiding van de strijd om de Nieuwezijds Kapel werd opgemerkt is er, ondanks het vrome en ingekeerde karakter van de Stille Omgang, toch steeds sprake van polemiek en publiciteit. Tekenend is bij voorbeeld de opwinding aan het eind van de eerste wereldoorlog rond de afsluiting van de Ramskooi, een steeg tussen de Nieuwendijk en de Prins Hendrikkade, die al in de oudste aantekeningen werd aangegeven als de route van de Omgang. De zeer welvarende rederij Kon. Hollandsche Lloyd bouwde daar op de hoek van de kade en de Martelaarsgracht een pompeus kantoorgebouw en kreeg toestemming om de steeg gedeeltelijk te bebouwen, ondanks de protesten van katholieke zijde.
Toen vrij spoedig na de eerste wereldoorlog de rederij in moeilijkheden kwam en zijn behuizing moest opgeven, was het meesmuilende commentaar van katholieke zijde niet gering. De Stille Omgang-route werd verlegd, maar tekenend is dat nog enkele jaren geleden een Duitse belegger die het gebouw wilde afbreken, steun bij katholieken zoch voor zijn plannen met de belofte dat de Ramskooi weer open zou gaan. Amsterdam heeft soms een goed geheugen. Het vertoon dat de deelnemers ontzegd bleef in de nachten van de Omgang, kwam wel naar buiten in de vele plechtigheden rond het gebeuren.
Vooral de jubilea werden met veel luister gevierd en elk gebeuren leidde weer tot nieuwe publicaties, gedichten en liederen. Het oude verhaal werd steeds weer opnieuw doorverteld en overal in het land kwamen er afdelingen, want de nachtelijke tocht door het ‘zondige’ hart van de hoofdstad had ook los van de religieuze inhoud voor velen een merkwaardig soort fascinatie.
In de lange rij van feesten verdienen er twee bijzondere vermelding: het Internationaal Eucharistische Congres in oktober 1922, dat voor de tijdgenoten een geweldige belevenis was en dat sterk leunde op de Amsterdamse Mirakeltraditie, en de viering van het zesde eeuwfeest van het Mirakel in 1946, dat vanwege de oorlog een jaar was uitgesteld. De aaneenschakeling van plechtigheden met als hoogtepunt het grote feest in het Olympisch Stadion leeft in de herinnering van de nu ouderen als een van de laatste grote katholieke volksfeesten, waarbij de oorspronkelijke intenties van de Stille Omgang volkomen overwoekerd werden door een triomfalisme dat nu als verouderd wordt beschouwd.
Wat bleef was de Stille Omgang zelf. In de oorlog en vooral tijdens de benarde maanden van de Hongerwinter waren veel Amsterdammers de Omgang spontaan gaan lopen, individueel, als bedevaart. Dat gebeurde ook even spontaan op de dag dat de Russen in Hongarije binnenvielen. En het is zelfs waarschijnlijk dat de nu traditionele Stille Tocht op 4 mei zijn inspiratie heeft gevonden in dat woordloze optrekken van de Stille Omgang, dat ook daarmee zijn erkenning als een typisch Hollandse uiting heeft gevonden.
En omdat in de Amsterdamse binnenstad alles van de samenleving met elkaar in aanraking komt, kan ook niet onvermeld blijven het merkwaardige samentreffen in 1966 van de Stille Omgang en de provo-rellen, die door Mulisch in zijn boek ‘Bericht aan de Rattenkoning’ zeer ‘ludiek’ wordt geïnterpreteerd.
Die verwarrende ontmoeting is tekenend voor de verwarring waaraan de hele binnenstad nu blootstaat en die ook de Stille Omgang niet onberoerd heeft gelaten.
Wat enige vrome Amsterdammers begonnen als een stille nachtelijke bedetocht door de stad van hun hart, heeft in die afgelopen eeuw allerlei ontwikkelingen gekend maar keert nu terug naar zijn oorspronkelijke bedoeling, vreemd aan vertoon maar met dezelfde ernst, om God onder de mensen te zoeken in het hart van de stad.
H. v. N.

B. Voets en H. van Noord
Februari 1981


Powered by JReviews