Vijftig jaar Ons Amsterdam Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     Januari 13, 2014    
4333   0   0   0   0   0

Dossiers

Uitgavebeslissing was een dubbeltje op z’n kant

Begin januari 1949 verscheen het allereerste nummer van Ons Amsterdam. In de 50 jaar die volgden, veranderde het blad ingrijpend in onderwerpskeuze, stijl, vormgeving en organisatie, maar bleef steeds zijn doelstelling trouw: Amsterdammers en Amsterdam-liefhebbers hun stad beter te laten kennen – en daardoor waarderen.

Dat eerste nummer had liefst twee ondertitels. Op het gelige omslag vol advertenties heette het Geïllustreerd maandblad, gewijd aan de hoofdstad des lands. Maar op de titelpagina stond Maandblad van de Gemeentelijke Commissie Heemkennis. ‘Heem’ betekent zoiets als de eigen woonomgeving en voor het vergroten van de kennis daarvan was het blad ook van begin af aan bedoeld. De Commissie Heemkennis verzorgde tot 1971 de uitgave van het blad.
Blad en commissie hadden in 1949 een flinke voorgeschiedenis. Al twee keer eerder had de gemeente een blad over Amsterdam uitgegeven: De Amsterdamsche Gids (1925-1930) en Amsterdam (april 1940-maart 1941). Doel was in beide gevallen (zoals het in 1925 werd geformuleerd) “door populaire, geïllustreerde beschrijvingen van verschillende Gemeentebedrijven en –instellingen een nauwer contact te bewerkstelligen tusschen de ingezetenen en genoemde diensten en bedrijven”.

Geen ‘Blut und Boden’
Op 16 januari 1942 nam het gemeentebestuur (niet al te enthousiast) een nieuw, goedkoper initiatief om de burgers meer bij hun stad te betrekken. Onder druk van de Duitsers installeerde burgemeester Voûte de Commissie voor Heemkunde. De bezetters zagen het als propaganda voor hun Blut und Boden-ideologie, die inhield dat niets boven de eigen geboorteplaats ging en dat mensen van elders per definitie minderwaardig zijn. Voûte echter was wel collaborateur, maar geen racist. Hij benoemde in de commissie merendeels mensen die wars waren van het nationaalsocialistische gedachtegoed, zoals Henk van Laar van de sociaaldemocratische Arbeiders Jeugd Centrale (AJC), onderwijsinspecteur en SDAP-veteraan Piet Hoogland, de non-conformist Ton Koot van de VVV, volkskundige Piet Meertens, Willem Sandberg van het Stedelijk Museum, G.J. Mol van het Gemeenteblad en Artispubliciteitsman A.F.J. Portielje. Hun doel werd bereikt: de commissie deed weinig, dus ook weinig fout. Eind 1945 bliezen B&W de commissie nieuw leven in, onder een subtiel veranderde naam. Het woord Heemkunde, populair bij nationaalsocialisten, werd vervangen door heemkennis. De Duitsgezinde leden werden ‘weggezuiverd’. Een van de nieuwelingen was prof. Dr. Lieven F. de Beaufort, directeur van het Zoölogisch Museum, die prompt voorzitter werd. Henk van Laar werd secretaris. De Beauforts functie was vooral een erebaan; het was chic om een hoogleraar als voorzitter te hebben. Het dagelijks werk werd vooral gedaan door Van Laar, die in 1949 ook de drijvende kracht werd achter Ons Amsterdam.
Henk van Laar, op 5 februari 1898 geboren in de Dapperstraat, groeide op in de Czaar Peterstraat. Hij was nog maar tien toen zijn moeder overleed. Omdat vader zeeman was, gingen Henk en zijn oudere zus naar pleeggezinnen. Zijn militaire dienst (1917-1919) vervulde hij met genoegen: hij was wel links, maar geen pacifist. Vanaf 1919 was Van Laar twintig jaar onderwijzer in ‘zijn’ Czaar Peterbuurt. Ook was hij actief in de AJC, waar hij natuurverkenning tot zijn specialisme maakte. Hij wilde, schreef hij in 1927, “de band tussen natuur en arbeidersmassa herstellen”. Om zijn didactische kwaliteiten huurde de VARA hem vanaf 1932 in voor radiolezingen en als dirigent van kinderkoor De Roodborstjes. Tijdens de Duitse bezetting werd Van Laar commandant van een rode paramilitaire verzetsgroep, die na de bevrijding de gemeentepolitie assisteerde. In augustus 1945 ging die groep Vrijwillige Politie heten. Tot 1951 bleef Van Laar onbezoldigd commandant.

Krant voor gewone Amsterdammers
Van Laar was niet teruggekeerd in het onderwijs. Mr. A. de Roos, onderwijs-wethouder en partijgenoot, had ander werk voor hem. Ietje van Laar-Lamgermont, die in 1937 haar aanstaande in de AJC leerde kennen, schreef ons onlangs: “Nu Ons Amsterdam vijftig jaar bestaat, realiseer ik me dat ik de enige Amsterdammer ben die het idee voor de krant vanaf de eerste seconde heb meegemaakt. Toen Ab de Roos in 1945 aan mijn man vroeg of hij bezoldigd secretaris van de Heemkenniscommissie wilde worden, wilde Henk wel weten wat er van hem verlangd werd. ‘Je moet de Amsterdammer z’n stad leren kennen en hoe je dat doet laat ik aan jou over; ik ken je organisatietalent.’ Wij woonden in de Brinkstraat; daar achter zijn bureau begon Henk plannen te maken. Een eigen gebouw, tentoonstellingen, excursies, maar bovenal een krant, een krant voor gewone Amsterdammers, arbeiders, zo goedkoop mogelijk. Tot in bed praatte hij daarover. Het gebouw kwam er. Samen met de Vrijwillige Politie, waar Henk commandant van was, betrok de Heemkenniscommissie een groot huis op de Stadhouderskade. Wij woonden er boven.”
De Commissie Heemkennis telde meer dan twintig leden, afkomstig van diverse gemeentelijke instellingen. Van Laar maakte goed gebruik van oude AJC-connecties. Mede-lid Portielje bijvoorbeeld kende hij al van lezingen voor de AJC. En zijn AJC-pupil Jan Weggelaar, een jonge bouwvakker uit de Willemsstraat, werd in 1946 Van Laars hulp op kantoor. Wegelaar kreeg ƒ 112 per jaar; het bedrag kwam vooral uit de opbrengst van mobiele exposities over natuur, stadsschoon, de haven, Schiphol en wat al niet. De leergierige Weggelaar zette daarnaast onvermoeibaar speurtochten uit, gaf verkeersles en leidde scholieren rond door de Waag. De commissie bracht voorts een populaire serie boekjes uit, over Vondel, gevelstenen, de Watergraafsmeer, schoolhistorie, het raadhuis op de Dam, volksgebruiken, paddenstoelen enzovoorts. “De excursies, de tentoonstellingen kwamen er,” schrijft mevrouw Van Laar, “maar die krant moest nog komen. Amstelodamum gaf een maandblad uit, maar dat was alleen voor uitverkorenen.”

Het D.B. beslisse
Het werd ernst nadat Stadsdrukkerij-directeur Jac. Hekel tot de commissie was toegetreden. Uit het verslag van 19 februari 1948: “Bij het volgende punt, uitgave van een maandblad, geeft de secretaris in de aanvang een beeld van de financiële grondslag. 2000 ex. per maand zullen volgens opgave der Stadsdrukkerij 12 x ƒ 350 = ƒ 4200 per jaar kosten. De advertenties zullen volgens opgave van het gemeentelijk reclamebureau minstens ƒ 600 per jaar opbrengen; de kosten worden dus ƒ 3600 per jaar.” Bij een prijs van ƒ 2,50 en 1000 abonnees zou het blad exploitabel zijn. “Evenwel: deze financiële opzet geldt alleen in het geval, dat de leden van de Heemkennis Commissie gratis de kopij van het maandblad leveren.” Daarmee waren niet alle twijfels weggenomen. “Gevraagd wordt of het nieuwe maandblad het maandblad van Amstelodamum geen concurrentie zal aandoen. De Heer Cavelier [VVD-raadslid R.T.J. le Cavelier-PPdB] toont aan, dat dit stellig niet hoeft. Ook de Heer Mol is deze mening toegedaan. Op voorstel van de Heer Cavelier zal het maandblad de naam dragen van Ons Amsterdam, of Amsterdam. Het D.B. beslisse. (…) Daarna wordt tot uitgave besloten.”
Van Laar stortte zich op de praktische voorbereidingen. Op 27 februari vroeg hij PvdA-wethouder De Roos toe te staan “dat de kop van het nieuwe maandblad getekend zal worden door een Amsterdams kunstenaar, die uit het fonds voor opdrachten aan en aankopen van werk van beeldende kunstenaars zijn geldelijke beloning moge ontvangen”. In dit briefje heet het maandblad nog ‘Amsterdam’.
Op 19 april schreef Van Laar dat het blad half mei 1948 zou verschijnen. Maar vijf dagen later uitte voorlichtingschef mr. P.J. Mijksenaar in een briefje aan De Roos ernstige twijfels over de financiële haalbaarheid, gezien de ervaringen met De Amsterdamsche Gids en Amsterdam. Kon er niet worden samengewerkt met het Genootschap Amstelodamum? Mijksenaar vreesde een jaarlijks tekort van ƒ 3000. Van Laar was optimistischer: “Het eerste jaar wordt de kopie gratis door de leden van de Heemkenniscommissie geleverd. Foto’s voor het maandblad zullen aanvankelijk weinig nodig zijn (het archief der stad, handelsinrichtingen van Haven en Schiphol en meer zulke instellingen zullen helpen, vele clichés bij de Stadsdrukkerij).”
Intussen vergaarde de secretaris de kopij, ook buiten de commissie. Uit SDAP-kring kende hij Hendrik W. Alings (1896-1965), een groot kenner van gevelstenen en oude uithangtekens, die bij de Rotterdamsche Bank werkte. Toen Van Laar hem eens opbelde, zei Alings: “Ik heb hier nog wel iemand zitten die vast wel mee wil doen.” Dat was bankcollega Teun den Herder, net als Alings lid van Amstelodamum. Den Helder in 1989: “Ik stiefelde vaak met hem door Amsterdam, langs allerlei oude panden, net zoals ik als kind al met mijn vader deed. (…) Toen hebben we er nog maar wat mensen uit Amstelodamum bijgehaald: Van der Linden Vooren en Hermans (die werkten allebei bij de Nederlandsche Handel-Maatschappij), Jan Vriese, een oud-politieman, Van de Waal, Kruizinga, Muller van het Rembrandthuis, Schade van Westrum…”

Jeugdig enthousiasme van 50-jarige
L.C. Schade van Westrum was 26 jaar en lid van Amstelodamum toen hij op 30 juni 1948 aan Van Laar schreef: “Van de heer Alings vernam ik dat de Gemeentelijke Commissie Heemkennis binnen afzienbare tijd een blad gaat uitgeven, waarvoor U gaarne kopij ontvangt. Als persmedewerker der V.V.V. Amsterdam behoef ik niet te zeggen dat ik dit plan van harte toejuich. Indien u ingesloten artikel voor bedoeld periodiek kunt gebruiken, wil ik het U gaarne belangeloos ter beschikking stellen.” Het stuk, over drie oude huisjes op de Bloemgracht, verscheen in het allereerste nummer. De definitieve uitgavebeslissing viel op vrijdag 29 oktober 1948. Het was een dubbeltje op z’n kant: “De secretaris wijst erop, dat de kopij door de leden (…) gratis zou worden geleverd. Daar is niets van terecht gekomen. (…) Hij acht het niet mogelijk zo het plan van het Maandblad in zee te sturen. De kopij zal gekocht moeten worden en daarmee is de oorspronkelijke financiële opzet geheel anders geworden. Er zal nu, zo de uitgave doorgaat, met een tekort, zeker in het eerste jaar rekening moeten worden gehouden.
Gerrit Mol van het Gemeenteblad wilde doorzetten: “Hij meent, dat de kopij wel komt als het blad er maar eenmaal is. (…) De heer W.E. de Mol is minder optimistisch; er verschijnt zoveel op het ogenblik en de tijden zijn slecht. De Commissie besluit evenwel tot uitgifte over te gaan; begin Januari zal het eerste nummer verschijnen. Op voorstel van de Heer J.R. Koning verbinden verscheidene leden zich door het plaatsen van hun handtekening kopij voor het Maandblad te leveren.”
De kogel was door de kerk. Op de volgende commissievergadering, 2 december 1948, kon Van Laar opgelucht melden dat er genoeg kopij was. Weggelaar had de stukken naar de Stadsdrukkerij gebracht en de meeste waren al gezet. Ook de clichés van de illustraties waren klaar. Een persconferentie was gepland. “Op 6 Januari, op Driekoningen, zal het maandblad bij de abonnées zijn. De verzending geeft nog moeilijkheid: besloten wordt het blad niet overlangs te vouwen. Er zullen van het eerste nummer 30000 exemplaren worden gedrukt; het zetsel zal overstaan om eventuele nabestellingen mogelijk te maken.” Van Laars weduwe: “Tegen de zin van mijn man was de oplage maar 3000 exemplaren. Hij had 10.000 gewild, maar de andere redactieleden geloofden niet zo erg aan het succes. Volgens de heer Hoogland, inspecteur van het onderwijs en redactielid, was het allemaal jeugdig enthousiasme van mijn man (Henk was 50 jaar!). Maar de krant werd een succes en de oplage van de tweede jaargang werd 10.000.”
Het eerste, dertienregelige bericht dat het blad verschenen was, stond op 4 januari in het Algemeen Handelsblad. Waarschijnlijk was de genoemde persconferentie dus op maandag 3 januari. De donderdag erop kregen de eerste abonnees het zestien pagina’s tellende blad in de bus. Het opende met een aanbeveling door burgemeester Arnold d’Ailly, gesierd met zijn foto. Verder waren er stukken over gevelstenen, ratten en muizen, het koggeschip in de stadszegel, de oudste bewaarschool, het Bloemgracht-artikel, een wandeling door de binnenstad, de eerste van vier artikelen over de 17de-eeuwse natuurwetenschapper Jan Swammerdam en een gedicht van C.S. Adama van Scheltema. Én een stukje ‘Van de redactie’: “Het woord Heemkennis is in een verleden, dat nog vlak bij ons ligt, veel misbruikt. Bij goede Nederlanders doet het herinneringen oprijzen aan een tijd, toen bloed en bodem voldoende redenen waren om alle misdaden, door mensen ooit begaan, ongestraft te bedrijven tegen hen, die van ander bloed op andere bodem vreedzaam een eerlijk stuk brood verdienden.” De redactie wilde iets anders: “Zij zou zich er zeer over verheugen, als een Amsterdamse vader, wandelend met zijn kinders, vertellen kon over de stad waarin wij wonen. Bijvoorbeeld het verhaal kon doen van dat vrome begijntje, dat naast de kerk op het Begijnhof begraven ligt. Of steeg der stad te gaan. (…) Denk eens aan een ongehuwde oom, die de zes smalle huizen van Amsterdam op zijn verjaardag aan z’n neven en nichtjes laat zien. (…) Begrijp, waarde lezer, het gaat niet in de eerste plaats om zwaarwichtige wetenschap, het gaat om de levensvreugde.”

Inhoud te historisch
Geleidelijk kwamen er meer vaste medewerkers. Alings haalde Jaap Kruizinga erbij, een 36-jarige onderwijzer op de christelijke Funenschool in Oost. Die had net een boek geschreven over de Watergraafsmeer, waar hij en Alings woonden. In juni 1949 debuteerde Kruizinga in Ons Amsterdam met een artikel over kinderspelen. Toen hij in 1996 overleed, had hij (naast zo’n 30 boeken) ruim 100 artikelen in Ons Amsterdam op zijn naam staan, nog steeds een record. In juli 1950 verscheen het eerste stuk van Barend de Ridder, ambtenaar bij de Sociale Dienst. Zijn favoriete onderwerp was het Burgerweeshuis, waar hij zijn jeugd had doorgebracht. Andere ijverige medewerkers uit de jaren vijftig waren pastoor B. Voets, hoofdonderwijzer W.C. Verdoorn, Frans Hupsch van het Gemeenteblad en F.J. Dubiez, werkzaam bij de Rijksluchtvaartdienst. “Grote dank moet hier worden gebracht aan de vele schrijvers en fotografen, die geheel belangeloos kopij en dikwijls illustraties verzorgden. Ons Amsterdam bedruipt zichzelf, óók door hun arbeid.” De natuur kreeg nog steeds veel aandacht: “Dr. Portielje zal proberen een artikel te maken over de vogels in Amsterdam. De Heer Koning heeft een artikel gereed over planten en bomen in de parken.”
Soms had de commissie lichte kritiek. Het eerste omslag vond men veel te saai. “Wat de inhoud betreft,” zo werd op 20 januari 1950 opgemerkt, “achten sommige leden deze te historisch.” De redactie was daar eigenlijk wel mee eens, maar ja, wie schreef – gratis – artikelen over het heden en de toekomst? Daar werd iet sop bedacht. Vanaf 1950 verschenen geregeld extra dikke themanummers, ter ere van jubilerende gemeentediensten en –bedrijven. De moderne tijd kreeg daarin ruim aandacht. Omdat de diensten vrijwel alle kopij leverden en een flink deel van de uitgave financierden, maakte het blad zowaar een bescheiden winstje.
Voor Van Laar en Weggelaar, de twee betaalde krachten van de heemkenniscommissie, was de werkdruk intussen wel erg hoog. Het vergaderverslag van 3 november 1949: “Van Laar is 14 dagen per maand bezig met het eigenhandig verzenden van Ons Amsterdam.” Maar groot was de bevrediging toen al op 21 juni 1950 de 10.000ste abonnee kon worden genoteerd. Intussen had Van Laar er nog een functie bij. Hij richtte in oktober 1949 met acht Ons Amsterdam-medewerkers de Heemkenniskring ‘Ons Amsterdam’ op (sinds 1952 Vereniging voor Heemkennis ‘Ons Amsterdam’), met de bedoeling voor abonnees die méér wilden excursies en lezingen te organiseren. Van Laar werd secretaris, Schade van Westrum penningmeester en het voorzitterschap viel toe aan de 73-jarige A.E. d’Ailly, oom van de burgemeester en schrijver van de befaamde Historische gids van Amsterdam. Die droeg al na een paar maanden zijn functie over aan A.M. van de Waal, archivaris van De Nederlandsche Bank en secretaris van het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap.

Benjamin onder de bestuurders
In maart 1953 verhuisden de commissie, de redactie en de familie Van Laar naar Willemsparkweg 125. Datzelfde jaar ging de Stadsdrukkerij de verzending van het blad verzorgen. Op 3 december 1955 overleed Van Laar aan een hersenbloeding. Van de Waal (die een indrukwekkende Amsterdam-collectie bezat) werd waarnemend secretaris en eindredacteur. Die waarneming duurde veel langer dan gepland. Het was een publiek geheim dat De Roos de gedoodverfde kandidaat, Schade van Westrum, niet wilde benoemen omdat deze geen sociaal-democraat was. In 1960 ging de wethouder alsnog door de bocht.
Louis Céril Schade van Westrum was in 1923 in Heemstede geboren. Zijn vader, Amsterdammer van geboorte, overleed toen Wiet tien jaar was. Met zijn moeder verhuisde hij terug naar Amsterdam. Zij had een brede culturele belangstelling en leerde hem de stad kennen. Op het Christelijk Lyceum werd geschiedenisleraar en Amsterdam-kenner J.C. van der Does zijn mentor. Ook diens koningsgezindheid nam hij over, zoals soms ook uit Ons Amsterdam blijkt.” Dat zat heel diep; daar plaagden we hem weleens mee,” zegt Jet Schade van Westrum-Backer. Om te ontsnappen aan de Arbeidsinzet, dook hij onder en las in die tijd enorm veel, ook over Amsterdams verleden. “Na de bevrijding zag hij ineens die stad waarover hij gelezen had. Hij ging ineens leven!” Schade werd persvoorlichter bij de Vereniging voor Vreemdelingenverkeer, de VVV dus, waar hij in 1954 zijn aanstaande zou leren kennen. Hij maakte mailings en krantjes en maakte toeristen wegwijs in de stad. “Met buitenlandse journalisten ging hij de Zeedijk op, naar Bet van Beeren – niet alleen de geijkte attracties. Met de Amsterdamse persjongens ging hij na de donderdagse persconferentie van Mijksenaar naar café Polen of Scheltema. Hij vond het fantastisch!” In 1950 werd hij bestuurslid van Amstelodamum. Gemeentearchivaris De Bussy was gecharmeerd van de jongeman die af en toe iets kwam uitzoeken op het Archief; dat kwam nog niet veel voor. Hij was de benjamin onder de bestuurders van het genootschap en stak veel van de oude garde op. In 1956 had Schade genoeg van het toerisme en solliciteerde naar de baan van wijlen Van Laar. Met succes: de commissie droeg hem meteen als enige kandidaat voor bij B&W. Op 1 augustus 1960 trad hij eindelijk in dienst.
Ellenlange stukken
Al onder Van de Waal was Ons Amsterdam drastisch van koers veranderd. In november 1956 besloot de gemeenteraad geld te geven voor een verdubbeling van het aantal pagina’s van 16 tot 32: Ons Amsterdam kon dan veel meer aandacht geven aan heden en toekomst van de stad en een “contact- en voorlichtingsorgaan voor de burgerij” worden. Dat was nodig, want door de groei van de stad en de stedelijke problemen werd de kloof tussen burgers en stadsbestuur te groot, aldus B&W.
Naast de artikelen van amateur-historici verschenen sindsdien ellenlange stukken gemeentepropaganda. Vooral de ambtenaren van Publieke Werken lieten zich niet onbetuigd: dr. Lucas Jansen (bedrijfshistoricus) en ir. L. van Genderen waren uiterst productief. Illustratief is het nummer van juli 1962: naast een stuk over oude koffiehuizen bevat dat artikelen over de Wibautstraat, de Cornelis Lelylaan, de gloednieuwe aansluitingen van Geuzenveld en Slotermeer op de Haarlemmerweg en het hervatte werk aan de IJtunnel, met vele technische illustraties. Later ging het vaak over de Coen- en de IJtunnel, de Bijlmer en de ‘Stadsspoorweg’-plannen. Wat de lezers ervan vonden, is de vraag – aan lezersonderzoek deed men nog niet. De historie werd intussen niet vergeten. F.G.M. Douwes schreef stuk na stuk over scheepsbouwgeschiedenis, F.H. Freese over trams, Jaap Groen jr. over ‘zijn Noord, straatfiguren enzovoorts. Jet Schade: “Ellenlange stukken! Maar ja, het blad moest vol en schrijvers werden niet betaald voor hun kopij, dus je mocht dankbaar zijn voor wat je binnen kreeg.” Pas in 1963 besloot de commissie voortaan een (miniem) honorarium uit te betalen. Buitengewoon populair werd de rubriek ‘Het Oude Amsterdam’ (later ‘Oud Amsterdam’) die de nieuwe eindredacteur in december 1960 begon. Twee of drie pagina’s met oude foto’s of prentbriefkaarten van een bepaald stukje stad, veelal afkomstig uit “Uit de prentbriefkaartenverzameling van L.C. Schade van Westrum”. Rond 1950 kocht Schade de eerste oude prentbriefkaarten op het Waterlooplein. Zijn collectie groeide snel, ook omdat hij veel kreeg, van abonnees die hun zolder opruimden. In 1965 publiceerde hij toppers uit zijn collectie in de bestseller Groeten uit Amsterdam.

Koppen in kleine letters
Een volgend keerpunt was 1971. De Gemeentelijke Commissie Heemkennis werd opgeheven. Aanleiding was de verhuizing van het Amsterdams Historisch Museum naar het voormalige Burgerweesthuis in de Kalverstraat. Daar kreeg het museum veel meer ruimte dan in de Waag en meer armslag voor educatieve activiteiten. Dan moest het museum meteen maar de inhoudelijke verantwoordelijkheid voor Ons Amsterdam overnemen, bedachten B&W. De stadsdrukkerij Amsterdam (SDA) werd belast met de exploitatie. Museumdirecteur Simon Levie had er wel oren naar, net als Schade, die wat vereenzaamde op die saaie Willemsparkweg. Weggelaar mocht zijn populaire heemkennislessen op lagere scholen voortzetten onder de vlag van een schooladviesdienst. Voortaan benoemde de AHM-directeur de redactie. Naast Schade, eindredacteur-redactiesecretaris én perschef, bestond deze nu uit veteraan G.J. Mol, bioloog prof. H. Engel en diens veelzijdige medewerker dr. Dick Hillenius, museumdirecteur Levie en A. Stork, SDA-directeur. In januari 1972 kreeg het blad (met 29.000 abonnees!) een nieuw uiterlijk. Het vertrouwde rode omslag werd vervangen door een veel dynamischer stramien. Ook het binnenwerk werd herzien: het lettertype was een stuk compacter dan voorheen en koppen werden niet meer in iele hoofdletters, maar in forse kleine letters gezet. Nieuw waren ook de series van ‘Henk van Noord’ (Ben Kroon) over Noord en van M.G. Emeis over merkwaardige 18de-eeuwers, alsmede de rubrieken ‘Amsterdamse data in zilver en goud’ en ‘Nieuwe boeken’. (In 1977 volgde ‘Kort & Klein’.) Die rubrieken bestaan nog steeds, al heet de eerste sinds 1990 ’25 & 50 jaar geleden’. Nog een markante vernieuwing was de kolom ‘Aan de lezers’ op de eerste pagina, waarin ‘S.v.W.’ op causerende toon kond deed van de inhoud. Tot dan toe werd de lezer noch op het omslag, noch op de titelpagina verteld wat hem in die maand te wachten stond. Het museum drukte een stevige stempel op het blad door themanummers te wijden aan spraakmakende exposities, vingeroefeningen voor de ‘vaste opstelling’ die in 1975 zou opengaan: ‘Amsterdam, die kleine stad’ (1972, over Amsterdam tot 1600), ‘Amsterdam, die grote stad’ (1973, over de 17de en 18de eeuw) en ‘Amsterdam onder stroom’ (1974, over de 19de eeuw). Eigenlijk zou de laatste ‘Amsterdam, die rooie stad’ gaan heten, maar dat vond de directie te gewaagd. In die tentoonstellingen kreeg de sociale geschiedenis een veel sterker accent dan voorheen, wat de artikelen in Ons Amsterdam weerspiegelden.

Aandacht voor de gewone man
Op de redactie trad een jongere generatie aan. Kunsthistoricus Boudewijn Bakker van het Gemeentearchief (redacteur sinds 1975) en Michiel Jonker van het AHM (sinds 1977) stelden hogere wetenschappelijke eisen dan tot dan toe gebruikelijk en oordeelden kritischer over het illustratiebeleid. En de Beatles, Provo en de Maagdenhuiz-bezetting waren aan hen niet voorbijgegaan. “Ik was een linke sociaal-democraat; dat was al heel links voor de oude garde,” zegt Jonker. Maar bij Schade kon hij een potje breken, omdat Michiel als 16-jarige bij hem thuis in de Johannes Verhulststraat oude Amstelodamums was komen ophalen. Bakker was ook geen radicaal, maar had in 1975 wel kritiek op de opzet die de ingehuurde NRC-stadsredacteur Jaap Balk had gemaakt voor het themanummer ‘Wonen in monumenten’. “De heer Bakker merkt op dat in Balks opzet ‘de gewone man’ bij ‘wonen’ en ‘werken’ te weinig aandacht krijgt.”
Typerend is ook dat architect H. Knijtijzer het plan van de gemeente om het Pintohuis te slopen mocht bekritiseren. Schade van Westrum had zich als secretaris van Amstelodamum vaak fel tegen sloopplannen gekeerd, maar in Ons Amsterdam (tenslotte een gemeentelijk blad) schreef hij geen onvertogen woord. Met Herman Diederiks en Michiel Wagenaar traden (in 1977 en 1984), twee prominente sociaalhistorici aan. Vooral Diederiks droeg onvermoeibaar ideeën aan en trad op als gelegenheids-eindredacteur van twee themanummers: over 100 jaar Noordzeekanaal (1976; nog vóór hij redacteur werd) en ‘Misdaad en straf’ (1982). De redactie vergaderde maandelijks; het dagelijkse werk kwam neer op Schade van Westrum. Die werd sinds 1972 gesteund door Jan Wagener, geboren in de Staatsliedenbuurt en getogen in Betondorp. Na de hbs werd Wagener corrector bij Het Vrije Volk, later medewerker reclame van platenmaatschappij Phonogram. In 1971 werd hij hoofdcorrector bij de Stadsdrukkerij. Omdat Schade het niet meer alleen aan kon, werd hij diens assistent, met de titel redactiesecretaris. In de praktijk deed hij steeds meer de bureauredactie. Schade beperkte zich tot het leggen van contacten en het in losse stijl voorzitten van vergaderingen. “Hij kon met iedereen overweg,” zegt Jonker.  “Eigenlijk een straatjongen met pochet! Wiet hield echt de boel bij elkaar. Hij was een solist, maar je kon geen ruzie met hem krijgen.” Schade gaf Wagener een spoedcursus Amsterdam-kunde. Al de eerste dag nam hij hem mee naar de Nieuwendijk, waarover hij net een stuk had geschreven, en wees Wagener alle bijzonderheden. Het duo raakte zeer op elkaar ingespeeld.

Intellect versus anekdotiek
In 1984 nam Schade om gezondheidsredenen afscheid. Wagener werd nu eindredacteur-redactiesecretaris. Net als Schade hield hij kantoor op de zolder van het museum, maar bleef in dienst van de SDA. Museummedewerkster Renée Kistemaker werd redactievoorzitter. De jonge intellectuelen in de redactie hadden moeite met de vaak langdradige, anekdotische stukken van de amateur-historici. Zij beschreven liever maatschappelijke structuren en brede ontwikkelingen. In de autodidact Jan Wagener vonden de oudere medewerkers en abonnees een pleitbezorger. “Zoals ik u destijds al meedeelde, is het schrijven van nieuwe artikelen door de ‘oude generatie’ bij ons blad een riskante aangelegenheid geworden. Andere tijden, andere maatstaven,” schreef hij wat bitter aan een oudere medewerker. En: “Ik ben niet in de positie te gaan discussiëren met de wetenschappelijk geschoolden in de redactie.”
In de praktijk ging Wagener, net als Schade, zijn eigen gang. Gelukkig maar, want anders hadden we het wellicht moeten doen zonder het heerlijke stuk van H.J.M. Roetemeijer over de geschiedenis van het rolschaatsen in Amsterdam (Juli 1972), waardoor ikzelf op het blad verliefd raakte. Zakelijk gesproken ging het niet goed met het blad. Terwijl het aantal abonnees sterk daalde (de eerste lichting haakte af; aan werving werd niets gedaan; iedereen kreeg tv en het aantal tijdschriften groeide explosief), bouwde de gemeente sinds 1985 in etappes haar jaarlijkse subsidie af. Redacteur Jan Hengeveld, als directeur van Stadsherstel doorkneed in financiële zaken, bekritiseerde geregeld het zakelijk beleid van de Stadsdrukkerij. Voor het eerst werden lezersonderzoeken gehouden en folders verspreid, maar het tij liet zich niet keren. In 1988 gaven B&W niettemin de hele uitgeversverantwoordelijkheid aan de SDA, als troost voor de afschaffing van de ‘gedwongen winkelnering’ (het exclusieve recht van de SDA op gemeentelijk drukwerk). Ook de redactiestructuur veranderde – gelukkig ten goede.

De eerste hoofdredacteur
Er trad een kleine, professionele redactie aan, die geen verantwoording meer hoefde af te leggen aan derden. Die instellingen behielden hun inbreng in de redactieadviescommissie. Schrijver dezes, journalist-historicus Peter-Paul de Baar, was 36 toen hij in januari 1989 de eerste hoofdredacteur werd. Negen maanden later werd Jan Wagener, die medisch was afgekeurd, vervangen door de 35-jarige Gerda Kooger, voorheen eindredactrice van Boekblad.
Het is altijd lastiger over jezelf te schrijven dan over anderen. ‘Ons’ Ons Amsterdam-verhaal kan beter over een jaar of 25 worden geschreven. Organisatorisch was het belangrijkste feit de verkoop van het blad aan uitgeverij Weekbladpers. De redactie nam hiertoe in 1992 het initiatief, toen overduidelijk bleek dat de SDA prima kon drukken, maar onvoldoende was toegerust voor het (zonder subsidie) uitgeven van een publiekstijdschrift. Het was wél Hein Heuff, uitgeverijchef van de Stadsdrukkerij, die eind 1988 de vormgeving ingrijpend liet vernieuwen. In 1996 begeleidde de redactie een nieuwe, bescheiden restyling door vormgeefster Madzy Dekema. De journalistieke stijl werd aangepast aan de eisen der tijd. Zo kwam er een overzichtelijke inhoudspagina en artikelen kregen een ‘intro’, die de lezer kort vertelt waar het stuk over gaat. De artikelen worden strenger geredigeerd en zijn bondiger dan voorheen. De redactie streeft naar een originele en afwisselende onderwerpskeuze. De trend werd meteen in 1989 gezet met een artikel over The Beatles in Amsterdam: een onderwerp dat vorige redacties te dichtbij en frivool gevonden zouden hebben. Ook de voorgeschiedenis van de Noord-Zuidlijn (sinds 1922!) werd belicht, inclusief de argumenten van voor- en tegenstanders. Waardevolle elementen van vroeger bleven: stadsarcheoloog Jan Baart schrijft al een kwart eeuw over opgravingen, en er is nog altijd plaats voor aardige, typisch Amsterdamse jeugdherinneringen. (Goed voor nostalgie, al was vroeger echt niet alles beter.) Ook in die stukken vindt de oplettende wetenschappelijke geschiedvorser informatie over maatschappelijke veranderingen die hij of zij vergeefs zoekt in dikke handboeken. In Amsterdam ligt de geschiedenis op straat. En Ons Amsterdam helpt al 50 jaar bij het spoorzoeken.

Peter-Paul de Baar
Januari 1999

 

Powered by JReviews