Reis naar de dood Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     Oktober 11, 2013    
1747   0   0   0   0   0

Dossiers

Thema

Als dr. Zeldenrust geen doodsoorzaak kan vaststellen, dan ís de persoon niet dood. De grap deed de ronde in de groep Ernstige Delicten van de Amsterdamse politie, beter bekend onder de naam Moordbrigade. Sinds eind jaren zestig gingen stedelijke teams op afroep de zware misdaden te lijf.

De man die op 21 juni 1974 werd gevonden in het water van het Nieuwegrachtje, vlakbij de plek waar nu Bureau IJtunnel staat, was heel erg dood. Spelende kinderen agen op die eerste dag van de zomer een groot zwart voorwerp in het water drijven, naar later bleek een kledingzak. Tot hun schrik bevatte de zak echter geen kleding, maar een stinkend, sterk gezwollen lijk. Het gezicht van de dode was twee keer zo groot geworden en de oorspronkelijke vormen waren geheel verdwenen. De voorlopige conclusie van de chef van de Moordbrigade, Gerard Jan Toorenaar, was dat het lichaam ten minste drie weken in het water moest hebben gelegen. Hij zat er niet ver naast: Suzuki bleek exact vier weken in het water te hebben gelegen. En toen ze dat wisten, wisten ze ook waarom dr. J. Zeldenrust de doodsoorzaak niet had kunnen vaststellen.

Lopende zaken laten rusten
De groep Ernstige Delicten (ED) was eind jaren zestig opgericht. In die tijd beschikten de tien afdelingsbureaus in de stad elk afzonderlijk over een recherche-eenheid. Deze kon in sterkte variëren van vijf tot twaalf man. Sommige (ernstige) delicten, als moord met onbekende dader, vereisten echter de inzet van meer rechercheurs dan vijf of twaalf. Om dergelijke zaken goed aan te kunnen pakken, werd de groep ED opgericht. De groep beschikte over verschillende opsporingsambtenaren. Ten tijde van de vondst van Suzuki waren er drie hoofdinspecteurs, twee inspecteurs en 48 rechercheurs. De groep ED werkte ad hoc, de frequentie van ernstige delicten was nog niet zo groot dat het loonde voor onderzoeken naar deze misdaden mensen full-time aan te stellen. Telkens wanneer een ernstig delict zich voordeed, kregen rechercheurs de opdracht lopende zaken te laten rusten en zich te melden in een van de kamers op het hoofdbureau aan de Elandsgracht die de Moordbrigade waren toegewezen. De groep ED beschikte over eigen apparatuur, waaronder de zogeheten uitrukbus: een Volkswagen-busje met aan boord alle spullen nodig voor een sporenonderzoek. Het busje kon bovendien als rijdend hoofdkwartier worden gebruikt.
De groep ED was verdeeld in teams van rechercheurs, die elk met een specifiek deel van het onderzoek werden belast. Eén team verrichtte het sporenonderzoek, een ander het buurtonderzoek, een derde deed onderzoek naar de relaties van het slachtoffer. In het eerste jaar kreeg de Moordbrigade vijf moorden op te lossen en een roofoverval. De score was niet slecht: drie moorden en de overval werden opgelost.

Zelfmoord is uitgesloten
Behalve dat het lichaam sterk was opgezwollen, was er op het eerste gezicht niets aan de hand met Suzuki. Hij was dood, dat wel, maar waaróm was duister. Hij had in ieder geval geen hartaanval gekregen, liet dr. Zeldenrust de rechercheurs weten. Steekwonden werden niet aangetroffen, en kogelgaten al evenmin. Voor alle zekerheid liet Zeldenrust röntgenfoto’s maken. Het was immers mogelijk dat door de zwellingen de kogelgaten niet meer zichtbaar waren. Maar het lijk bevatte geen kogels. Toch was de Moordbrigade overtuigd van moord: weinigen plegen zelfmoord in een kledingzak verzwaard met stoeptegels. Het lijk werd dan ook niet begraven, maar in de koelcellen van het mortuarium bewaard.
De vraag die het eerst beantwoord diende te worden, was: wie is deze man? Het was een buitenlander, zoveel was duidelijk. Zijn huid was bruin-gelig, het was een Aziatisch type. De eerste gedachte was: het was een Chinees. Het feit dat hij vlak voor zijn dood een Chinese maaltijd had genuttigd, zei niet alles maar was wel een aanleiding voor deze veronderstelling. De tweede gedachte was: het is een afrekening binnen de Chinese onderwereld. Een weinig hoopvol idee: de Chinese onderwereld is een moeilijk doordringbaar milieu, waarbinnen zwijgzaamheid een – levensreddende – deugd is.
Veel aanknopingspunten waren er niet. Het was dr. Zeldenrust wel gelukt vingerafdrukken van de dode te nemen, zij het een vage. De ‘vingers’ zaten echter niet in het archief.

Koper kledingzak niet te achterhalen
Het onderzoek naar de kledingzak waarin het lijk was aangetroffen, leek meer suces op te leveren. Het betrof een type kledingzak waarvan er maar vijf waren gemaakt, door een bedrijf uit Arnhem. Van die vijf waren er twee naar België gegaan, één was in het Limburgse Heerlen terechtgekomen en twee waren geleverd aan Zumpolle in de Amsterdamse Kalverstraat. De Belgische zakken hingen nog in de winkel, de Heerlense was wel verkocht, maar de koper had de zak nog in zijn bezit. Bleven de Amsterdamse zakken over. Eén zak was nog in voorraad, de andere was verkocht. Aan wie kon de verkoper zich evenwel niet meer herinneren, ook niet onder hypnose. Zelden leidde een zo uniek voorwerp niet tot de dader.
Op een ander punt zat het de recherche wel mee: de vermoorde was geen Chinees maar een Japanner. De wasvoorschriften in de schaarse kleding van Suzuki waren in het Japans. Was hij wel een Chinees geweest, dan had men de zaak waarschijnlijk als onoplosbaar terzijde geschoven: in een Chinese hooiberg is de bekende speld nog moeilijker te vinden dan in een Japanse. Nu werd via Interpol de Japanse politie om inlichtingen verzocht. Vanaf dat moment raakte het onderzoek in een stroomversnelling. Aanvankelijk leidden de vingerafdrukken, de gebitsanalyse en een foto van het slachtoffer nog niet tot identificatie: Suzuki was niet bekend bij de Japanse politie. Het opsporingsbericht dat daarna werd uitgevaardigd, had wel succes: de vader van Yoshiaki meldde zich. Pas toen kreeg het lijk een naam. Suzuki senior vertelde dat zijn zoon in april 1974 naar Siberië was gereisd en vandaar met de trein via Moskou naar Helsinki. Waarschijnlijk is hij daarna liftend door Europa getrokken. Op 20 mei schreef hij vanuit een jeugdherberg in Rotterdam een brief aan een vriend in Tokyo, waarin onder meer stond: “Beste vriend, het leven is één grote reis.” In die brief noemde hij ook een Japanner die hij onderweg had leren kennen, ene Yoshida.

Nieuwsgierigheid werd Suzuki fataal
Van de vader vernam de politie dat Yoshiaki Suzuki bij vertrek een camera, polshorloge en reischeques in zijn bezit had. Van het polshorloge was het serienummer bekend. Opkopers werd gevraagd na te gaan of zij het horloge gekocht hadden. Als degene die dit verzoek opstelde het serienummer nu maar correct had opgeschreven, dan was onmiddellijk bekend geworden dat het horloge bij de lommerd beleend was. Helaas, een belangrijk spoor liep dood.
Via de hotelregisters was de politie er inmiddels achter gekomen dat Suzuki in jeugdherberg De Doelen had geslapen. Ook Yoshida, de landgenoot die Suzuki onderweg had ontmoet, had daar overnacht. Yoshida zwierf door heel Europa, maar toen hij hoorde dat de Amsterdamse politie hem wilde spreken, kwam hij zich melden. Hij ontkende iets met moord te maken te hebben. Maar waarom had hij dan een cirkeltje op de plattegrond van Amsterdam bij de vindplaats van het lijk geplaatst? En was het niet zo dat hij altijd in geldnood zat?
Ondanks dat hij de schijn tegen had, bleek Yoshida onschuldig. De reischeques brachten uiteindelijk de oplossing. Via de centrale computer van American Express kwam aan het licht dat sommige cheques na de dood van Suzuki waren uitgeschreven, en wel in hotel Canal House in Amsterdam. De hotelier beweerde de cheques te hebben gekregen van een Fransman, Jean Paul Ventura, kunstschilder en verslaafd aan heroïne. Hoofdinspecteur Toorenaar had die naam al eens eerder gehoord. Sterker nog, hij had hem zelf ingesloten nadat Ventura een vrouw van haar tas had beroofd. De Fransman bekende snel. Hij en zijn eveneens verslaafde Franse vriendin hadden Suzuki ontmoet op het Damrak, bij het kantoor van American Express. Op kosten van de avontuurlijke Japanner hadden ze wat hasj gekocht, die ze oprookten in hotel Canal House. Ventura kocht in de buurt ook nog een gram heroïne. Suzuki, die zelfs nooit eerder hasj had gerookt, liet zich overhalen tot een shotje heroïne. De dosis was te hoog en ondanks reanimatiepogingen van zijn gezellen werd die z’n dood.
Ventura en vriendin ontdeden Suzuki de volgende dag van z’n horloge, verborgen zijn lijk in een kast, en haalden met de sleutel die ze in zijn zak vonden de bagagekluis op het Centraal Station leeg. De kluis bevatte onder meer Suzuki’s camera en zijn reischeques. Ventura beleende het horloge en de cheques schreef hij uit. Van dat geld kocht Ventura ook de kledingzak. Ze verpakten het lijk erin en dumpten het uiteindelijk in de Kromboomssloot. De laatste reis van Yoshiaki Suzuki eindigde in het Nieuwe Grachtje.
Suzuki was zeker niet de eerste heroïnedode in Amsterdam, maar normaliter worden ze gevonden met de naald nog in hun arm. Omdat het lijk zo was opgezwollen, had Zeldenrust het ene prikgaatje niet kunnen vinden. Uiteindelijk bleek de moord geen moord te zijn. Zelfs dood door schuld werd niet bewezen.

Eric Slot
Februari 1993

Powered by JReviews