Een homoseksuele crime passionnel? Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     Oktober 04, 2013    
1766   0   0   0   0   0

Dossiers

Thema

De dader van de wurgmoord op Herman G. is nooit gevonden. De politie zocht hem in de vriendenkring van het homoseksuele slachtoffer en was er ook van overtuigd dat er een seksuele betrekking aan de moord ten grondslag lag. De verdachte bleef ontkennen en het bewijs was niet te leveren.

Het regende hard, die avond van vrijdag 12 augustus 1955. Toen de lucht voor de meeste Amsterdammers was opgeklaard, bleef die voor enkele rechercheurs van het bureau Leidseplein donker. En zou nog maanden donker blijven.
Voor de 44-jarige Herman G. was het licht die avond voorgoed gedoofd. ’s Nachts om 01.45 werd de man in zijn woning, Eerste Helmersstraat 101, door een huisgenoot dood in een stoel aangetroffen. Aan het hoofd van de vermoorde troffen de rechercheurs twee wonden aan: één boven het rechteroog en één op het achterhoofd, beide aangebracht met een stomp voorwerp. De armen van het slachtoffer waren bij de polsen samengebonden met het snoer van een schemerlamp. De gebruikte knoop was een platte knoop. Om de hals van G. zat een stuk drie strengs sisaltouw, “van betrekkelijk nieuwe hoedanigheid”. Ook hier was een platte knoop gebruikt. De dader had een van de einden van het touw, dat vanaf de knoop zo’n vijftien centimeter lang was, tussen de hals en het omgelegde touw vastgezet. Op de politiefoto’s was dit touw echter niet te zien.

Seksuele handeling met dodelijk gevolg?
De doodsoorzaak bleek strangulatie (wurging) te zijn en iet de twee slagen op voor- en achterhoofd. “Gezien het speciale aspect van deze doodsoorzaak, die in de praktijk meer is voorgekomen bij slachtoffers, overleden tijdens sexuele handelingen, zonder dat dan van zelfmoord gesproken kon worden, doch nimmer, althans in zeer sporadische gevallen bij geweldsmisdrijven veroorzaakt door anderen, hebben wij, verbalisanten, hoezeer ook de omstandigheden aan en om het lijk dit tegenspraken, in het begin van ons onderzoek de mogelijkheid van sexuele handelingen, gevolgd door dodelijke afloop, niet willen uitsluiten.” Maar er werd geen spatje sperma gevonden.
De gedachte aan wurgseks moet de rechercheurs ingegeven zijn door het feit dat alle bewoners van het bovenhuis homoseksueel waren, want wat dat soort mensen allemaal niet doet…! G. woonde al twintig jaar samen met een man die als verpleger in het Wilhelmina Gasthuis werkte. Nog een verpleger bewoonde samen met zijn (werkloze) vriend de achterkamers op de bovenste verdieping. Verder woonde er een “chef de hotel”, op de voorkamer van de bovenste verdieping. Op de bovenverdieping van de benedenwoning woonden nog twee mannen. G. was kamerverhuurder van beroep. Aanvankelijk dacht de politie aan roofmoord, omdat uit een ijzeren geldkistje geld was ontvreemd, maar ze liet dit motief al snel los. Door middel van deductie kwam de politie tot de volgende kenmerken van de dader. De dader moet dokter of ziekenverpleger zijn (geweest). Want hij (aan een vrouw werd geen moment gedacht) maakte niet de fout twee keer op dezelfde plek op het hoofd te slaan; kennelijk wist hij dat slaan op een bloedende plek bloedspatten (op bijvoorbeeld de kleding van de dader) oplevert. Deze kennis is niet algemeen. Bovendien legde de dader een platte knoop, zoals in ziekenhuizen gebruikelijk is, en stopte hij (gedachteloos) het losse eindje van de knoop onder het touw gebruikt als bindmiddel. Aangezien deze techniek vooral bij het verbinden van wonden wordt toegepast, moest eerder gezocht worden naar een verpleger dan naar een dokter.
Hij moet een bekende van de vermoorde zijn geweest, gezien de houding van het slachtoffer (één been onder het zitvlak). Zijn vriend verklaarde dat G. alleen zo zat als hij zich op z’n gemak voelde. Bovendien waren geen braaksporen gevonden. Men nam aan dat de dader een sleutel had gehad, of door het slachtoffer was binnengelaten. En aangezien er in de familie van de vermoorde noch in de familie van zijn vriend een verpleger zat, moest eerder aan een vriend dan aan een familielid worden gedacht.
Wanneer er sprake was van een crime passionnel, zo redeneerde men aan het Leidseplein, moesten ze zoeken naar een homoseksueel van het vrouwelijk type – dat was G. tenslotte ook – en misschien was het slachtoffer wel een concurrent op het amoureuze vlak.

Een zeer bedachtzaam type
Jan Gerard F. voldeed aan al deze kenmerken. Hij was diezelfde nacht al gearresteerd, omdat hij vlak voor de moord met een vriend bij G. op bezoek was geweest. Door gebrek aan bewijs was hij ook weer vrijgelaten. De politie zag in hem opnieuw een verdachte na uitlatingen van een minderjarige jongen die tegen vergoeding seksuele handelingen met F. had gepleegd. Deze jongeman (gevlucht uit het gesticht Huize Padua te Boekel) verklaarde dat F. met hem over de moord op G. had gesproken. De jongen, die gedeeltelijk nog in gestichtskleren rondliep maar ook weer niet geheel gek was, stapte naar de politie. Uit het gesprek bleek dat F. dingen had verteld die alleen de dader kon weten.
F. die ook in de Eerste Helmersstraat woonachtig was, had onder meer verteld dat G.’s vriend hem had gevraagd bij hem in te trekken. Het zou dus kunnen dat G. in de weg stond. Verder had F. verteld dat hij tegen vergoeding een al wat oudere advocaat aan zijn gerief hielp. Maar de aandacht van de rechercheurs werd vooral getrokken door zijn opmerking dat het slachtoffer een touw om zijn nek had. Op de politiefoto’s (die hem tijdens het eerste verhoor waren getoond) was dit touw niet te zien. F. kon dit alleen maar weten als hij de dader was. Reden genoeg om F. scherp te ondervragen.
Geërgerd noteerden de rechercheurs na dat verhoor: “F. ontkent álles, zelfs die dingen, die van zeer ondergeschikt belang zijn, wat in zijn nadeel kan worden uitgelegd. Hij geeft eerst dan toe, wanneer door getuigen of andere feiten blijkt, dat het hem ten laste gelegde niet kan worden ontkend. F. geeft alles toe, waarvan hij denkt, dat hij daar geen kwaad mee kan.” Een zeer bedachtzaam type, meenden de rechercheurs.
Naar aanleiding van de opmerking van F. over het gebruikte touw, zochten de rechercheurs in diens omgeving naar identiek touw. Noch in de woning van de vermoorde, noch in de woning van F. vond de politie dergelijk touw. Ook bij kennissen was het resultaat negatief. Maar bij een zus van de verdachte was het raak: op de vliering van haar woning vond men een grote hoeveelheid sisaltouw, van hetzelfde soort als dat waarmee het slachtoffer was gewurgd. Ook het aantal windingen en strengen was gelijk. Optimistisch gestemd namen de rechercheurs einden van het gevonden touw mee naar het bureau. Tot hun teleurstelling kon echter niet worden aangetoond dat het bij de moord gebruikte touw ooit aan het gevonden touw had vastgezeten. Evenmin kon bewezen worden dat het gebruikte touw niet aan het gevonden touw had vastgezeten; het materiaal was domweg onbruikbaar voor onderzoek.

Een blunder of een dwaalspoor?
Een opmerking van F. tijdens het verhoor versterkte echter de overtuiging van de politie dat F. de dader was. Al tijdens het eerste verhoor (direct na de moord) had F. verklaard door een man in een auto te zijn achtervolgd, nadat hij de vriend met wie hij bij G. op bezoek was geweest naar de tram had gebracht. Destijds had hij geen bijzonderheden van de auto kunnen geven “omdat hij geen aandacht aan die auto had geschonken”. Tijdens het tweede verhoor, vijf maanden later, wist F. zich plotseling te herinneren dat het een donkergroene Ford van het bouwjaar 1947, 1948 of 1949 betrof. De rechercheurs redeneerden aldus: “Hoewel dit zeer moeilijk valt te bewijzen, omdat het ingestelde onderzoek, om deze auto en de bestuurder daarvan op te sporen, niet is geslaagd, lijkt het ons, rechercheurs, niet onwaarschijnlijk, dat deze auto in de gedachten van F. daarom zo een grote plaats inneemt doordat de bestuurder van die auto F. naar binnen zou hebben zien gaan in de woning van G., op een tijdstip, dat F. ons heeft verzwegen, van welke wetenschap F. op de hoogte is. Een andere mogelijkheid is, dat de bestuurder van die auto F. het huis van vermoorde op een tijdstip, gelegen na 22.45 uur, heeft zien verlaten en F. heeft gezien, dat die bestuurder dat heeft gezien.”
Stel dat de politie gelijk had en stel dat F. zijn blunder inzag (verdachten vertonen vaak de onbedwingbare neiging meer te vertellen dan ze eigenlijk willen), dan is de kans groot dat F. met zijn verklaring de politie op het verkeerde been heeft willen zetten en dat de auto in werkelijkheid licht van kleur was, van het bouwjaar 1955 en alles behalve een Ford.
De politie spoorde ten slotte ook de oude advocaat op over wie F. had gesproken. De man deelde de politie mee dat F. een “dure jongen” was en dat hij bij hem had geïnformeerd naar de strafmaat voor moord direct nádat F. tegenover de jongen uit het gesticht zijn mond voorbij gepraat had.

Wetenschap over touw is geen bewijs
De politie was redelijk zeker van haar zaak. F. had geen alibi en kon om ongeveer half twaalf bij de woning van G. terug zijn geweest, nadat hij de vriend met wie hij bij G. op bezoek was geweest bij de tram had afgezet. Een getuige hoorde G. om half twaalf de deur openen. G. werd tussen 22.45 en 01.30 uur vermoord. Het kon bovendien zijn dat G. wist dat F. zou terugkomen; ook met hem verrichtte F. tegen vergoeding seksuele handelingen.
Maar F. bleef ontkennen. En, zoals de commissaris terecht opmerkte, het feit dat F. wist dat G. een touw om zijn nek had terwijl dat niet op de politiefoto’s te zien was, zei niets. Die informatie kon F. tenslotte ook van de werkelijke dader hebben gekregen.

Eric Slot
Juni 1992
 

Powered by JReviews