De ijselijke moord aan de Ringsloot Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     September 06, 2013    
2335   0   0   0   0   0

Dossiers

Thema

In Nederland bestaat de doodstraf al lang niet meer. Formeel is ze afgeschaft in 1870, maar al zestien jaar eerder werd in Amsterdam voor het laatst een doodvonnis – met de strop – ten uitvoer gebracht.

De 22-jarige Johann Heinrich Kemper valt de twijfelachtige eer te beurt de laatste te zijn geweest die in Amsterdam in het openbaar werd terechtgesteld. Op 22 november 1854 klapte het valluik weg onder de voeten van deze Duitser van geboorte, die in een boerderij aan de Ringsloot in de Watergraafsmeer twee dochters en de vrouw van de 38-jarige warmoezenier Hendrik Frederik Preckwinkel op gruwelijke wijze met een bijl had vermoord.
Enige tijd tevoren had Kemper drie maand bij Preckwinkel gewerkt, maar was wegens traagheid en luiheid ontslagen, zoals hem wel vaker gebeurd was. Zelfs de directeur van de gevangenis waar Kemper na zijn daad werd opgesloten, noemde hem iemand die “alleen in het nuttigen van overmatig veel voedsel en een daarop noodzaaklijk volgende zware slaap zijn genoegen vindt”. Op het moment van de moord werkte Kemper als polderjongen bij putbaas Karel Haverland, die in de tweede keet na Halfweg woonde. Het werk in de polder beviel hem maar matig; liever wilde hij naar Amerika, waar zijn vader leefde. Maar het geld voor de oversteek ontbrak hem; dat gaf Kemper liever uit in de tapperij van Bierman in de Pieter Jacobszstraat.

Schokkende aanblik
Op de avond voor de moord was Kemper ook bij Bierman geweest en bij Knies in dezelfde straat, waar hij voor tien cents genever met suiker had gedronken. Vermoedelijk is hij ook nog in het naburige café Hagedoornbosch geweest, dat tot vier uur ’s nachts open bleef en waar viool werd gespeeld. Van de laatste twee bezoeken kon Kemper zich evenwel later, tijdens de verhoren, niets meer herinneren.
Ook Hendrik Preckwinkel was die avond, 19 juli 1854, naar de stad gegaan, waar de volgende dag groenmarkt was. Hij liet zijn zwangere vrouw, zijn drie kinderen, de meid en de knechten op de boerderij achter. De laatsten waren in de ochtend van de 20ste juli al om half vier naar het land gegaan. Omstreeks zes uur hoorden zij de meid gillen. Een van die knechten was de 28-jarige Chris Teilen, een spaarzaam man die zijn bezittingen – 200 gulden en een horloge – in een linnen zak in zijn kist bewaarde. Hij was het die de meid als eerste hoorde gillen.
De aanblik moet Teilen en de andere knechten geschokt hebben. De meid zat onderuit gezakt op een stoel terwijl het bloed uit diverse wonden stroomde, de vrouw van Preckwinkel lag in dito toestand op de vloer. Bovendien bleken Preckwinkels bureau en Teilens kist opengebroken te zijn; de inhoud van de laatste was weg. In alle consternatie schoof een van de knechten het gordijntje van de bedstee van de drie kinderen dicht, in de veronderstelling dat ze sliepen. Toen de later te hulp geschoten kastelein van tapperij De Warme Hand het gordijn opende, bleek dat ook de kinderen waren aangevallen. De oudste, van acht, was reeds dood en bij aankomst in het gasthuis bleek ook de jongste te zijn overleden. De vrouw van Preckwinkel stierf de volgende dag, zonder dat ze gehoord had kunnen worden.

Verschillende verdachten
De meid verklaarde later niemand gezien te hebben, maar het middelste kind, de vierjarige Mietje, fluisterde in haar krib de naam Hein als antwoord op de vraag wie haar zo had toegetakeld. Mietje werd evenwel pas op 19 augustus – een maand (!) na de moord – voor het eerst officieel verhoord. In juli werden niet minder zes verdachten gearresteerd, onder wie een 60-jarige aan lager wal geraakte slachter en een 47-jarige ernstig gestoorde landloper. Alle (voormalige) knechten van Preckwinkel werden stevig aan de tand gevoeld, maar één bleef onvindbaar: Johann Heinrich Kemper.
Dat Kemper uiteindelijk gepakt werd, was nauwelijks de verdienste van de politie. Een logementhouder uit Nieuwe Diep, bij Den Helder, verklaarde dat een man die voldeed aan het signalement onder de naam Frans de Haas in zijn herberg had gelogeerd en op 22 juli de boot naar Londen had genomen. Kemper alias De Haas werd op 26 juli in Hotel de Nederlanden aan de Londense Commercial Street gearresteerd. Hij was in het bezit van een passagebiljet voor de boot naar Amerika. Desondanks werd te Grambergen de volgende dag nog een fantast vastgenomen, die beweerde met vijf medeplichtigen de moord gepleegd te hebben.
Twaalf dagen lang ontkende Hein Kemper elke betrokkenheid; het grote geldbedrag dat hij op zich droeg en dat exact gelijk was aan de gestolen som had hij, uiteraard, gewonnen in een loterij. In vroeger tijden zou Kemper ongetwijfeld op de pijnbank terecht zijn gekomen, om hem een bekentenis af te dwingen of om de bewijsvoering rond te krijgen. De gevangene werd dan naar de pijnkamer in het stadhuis op de Dam geleid, waar hij – op z’n rug op de pijnbank gelegen – in reliëfs aan het plafond kon zien wat hem te wachten stond: een roede en een gesel. Werd de doodstraf uitgesproken, dan verzamelden de negen schepenen en de schout zich in de Vierschaar. Bij de uitspraak zaten ze op marmeren banken voor reliëfs die Genade, Wijsheid, en Rechtvaardigheid voorstelden. De veroordeelde kon in het laatste reliëf zien hoe de straf werd voltrokken: per hakbijl.

Meten met verschillende maten
De Amsterdamse rechtpleging werd tot ver in de 18de eeuw gekenmerkt door bevoordeling van de rijken en aanzienlijken. Het waren de neuzen en handen van vooral de arme ingezetenen die gesplitst respectievelijk afgehakt werden. Brandijzers schroeiden veelvuldig hún vlees en maar zelden dat van de vrouw van een rijke koopman – de rijke koopman die men slechts bij hoge uitzondering kon zien stuiptrekken aan de galg. Hij kon immers vervolging composeren, afkopen. Dat de mogelijkheid tot composeren leidde tot misbruik mag niet verbazen, gezien het feit dat zowel de schout als de rechter geen vast salaris hadden, maar werkten volgens het profijtbeginsel.
Voor hen die wel veroordeeld werden, had de rechter een grote variatie aan straffen tot zijn beschikking. Met een geduchte uitbrander kwam men er nog goed van af. Zij die tot tentoonstelling gedurende 24 uur of langer werden veroordeeld, hadden ook nog weinig te klagen. Minder ver ging het lieden die gegeseld en/of gebrandmerkt werden. En een verblijf in het rasp-, spin- of werkhuis was zeker geen pretje. Dan kon men nog beter verbannen worden, want alleen bij een volgende misdaad kon worden vastgesteld dat de dader zich ten onrecht in de stad had opgehouden.
In 1798 werd de pijnbank afgeschaft, op 26 juni 1854 gevolgd door afschaffing van schavotstraffen. Pijnbank en schavot zouden Kemper dus bespaard blijven. Maar hoe Kemper tot een bekentenis te krijgen zonder pijnbank? Geen nood: Kemper was rooms-katholiek opgevoed, blijkens het werkje Die reuige Seele in ihrer Andacht vor Gott dat in zijn bagagekist was gevonden. Op 12 augustus bekende hij de moorden nadat een godsdienstleraar hem ervan had overtuigd dat zijn ziel nimmer rust zou hebben als hij geen bekentenis aflegde.

Moord of doodslag?
Waren pijnbank en schavot afgeschaft, de doodstraf was dat niet. De advocaat, mr. F.th. Westerwoudt, was een tegenstander van de doodstraf en net als Kemper rooms-katholiek. Zijn doel was het “die algemente kreet te smoren die bloed voor bloed vraagt”. Westerwoudt was weliswaar blij dat de dader een vreemdeling was, maar voor hem was ook Kemper een “mensch” en “een kind van ons aller Vader”. De advocaat wees de rechter op de ongelukkige jeugd van de verdachte. De relatie van de jonge Kemper met zijn stiefvader was bepaald geen goede, en Kemper was in Duitsland na een paar kleine diefstallen tot enkele dagen gevangenisstraf veroordeeld. Hij was naar Nederland gevlucht om daar het geld te verdienen voor de oversteek naar Amerika. Hij wilde zijn natuurlijke vader achterna, een wens die volgens Westerwoudt een idee-fixe werd en Kemper ertoe bracht het benodigde geld voor diefstal te verkrijgen. Overigens was de voorgenomen reis naar Amerika geen vlucht; al enige tijd tevoren had Kemper een geboortebewijs, nodig voor de oversteek, aangevraagd. Bovendien, zo stelde de jonge advocaat, was het geen moord maar doodslag. Was het niet zo dat Kemper altijd met een geladen pistool op zak liep, waarmee hij vaak demonstraties gaf? En was het niet zo dat hij z’n pistool ook op die bewuste morgen bij zich droeg? Als hij van plan was geweest deze mensen te vermoorden, waarom heeft hij zich dan niet van dat wapen bediend in plaats van een bijl? Omdat hij met die bijl bezig was de kist van Teilen open te breken toen hij door de meid werd betrapt, aldus Westerwoudt. Geen moord, maar doodslag.

Geen gratie
Westerwoudt werd in het gelijk gesteld: doodslag, oordeelde de rechter. Maar tot zijn teleurstelling werd Kemper toch ter dood veroordeeld. In een brochure over de nieuwe wet van 1854 had Westerwoudt er op gewezen dat de doodstraf  in de voorgaande jaren weliswaar nog wel was uitgesproken, maar nimmer meer was uitgevoerd. Steeds had de koning gebruik gemaakt van zijn recht gratie te verlenen. Zijn vertrouwen dat de koning ook dit keer gratie zou verlenen was echter misplaatst. Kemper werd min of meer de dupe van de afschaffing van de schavotstraffen op 26 juni, een maand voor de moord. Die afschaffing betekende een versoepeling van de strafmaat. Als reactie daarop (en uiteraard gezien de ernst van de zaak) weigerde de koning gratie te verlenen. Een ander gevolg van de nieuwe wet was de introductie van de strop en het valluik. Kemper had niet alleen de ‘eer’ de laatste te zijn onder wiens voeten het valluik wegklapte, hij was ook de eerste. In 1870 werd in Nederland de doodstraf afgeschaft.

Eric Slot
Februari 1991
                                                                                                                                                                                                                 

Powered by JReviews