10 maart 1966: Het politiedraaiboek Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     Maart 15, 2013    
2723   0   0   0   0   0

Op 10 maart vieren koningin Beatrix en prins Claus hun zilveren huwelijksfeest. Hun trouwdag in 1966 staat alle Amsterdammers van toen nog in het geheugen gegrift. De verbintenis van de kroonprinses met een Duitser was nogal omstreden en de Amsterdamse politie was dan ook op alles voorbereid. Nou ja, bijna alles.

In het voorjaar van 1965 lekte uit dat kroonprinses Beatrix een relatie had met claus von Amsberg, een Duitse diplomaat. Kort daarop werd hun verloving bekendgemaakt. Dat nieuws veroorzaakte veel commotie. Waarom moest de toekomstige koningin nu uitgerekend trouwen met iemand uit de buurstaat die hier een kwart eeuw terug zo gruwelijk had huisgehouden? En waarom dan ook nog in de ‘stad van de Februaristaking’? In een informeel gesprek met vertegenwoordigers van joodse kerkgenootschappen in de burgemeesterswoning, op 31 oktober, liet Beatrix weten dat ze best in haar woonplaats Baarn wilde trouwen. Amsterdams burgemeester Van Hall zou daar niet rouwig om zijn geweest. Maar het kabinet-Cals zette door. Voor dreigementen mocht niet worden gezwicht: het huwelijk moest in de hoofdstad plaatsvinden.

“Okee, dan regelen wij dat!”
Luit Wit (63) woont nu in Groningen, waar hij in de jaren zeventig waarnemend hoofdcommissaris van politie was. In 1966 was hij hoofdinspecteur in Amsterdam bij het zogeheten eerste bureau: de uitvoerende dienst van de geüniformeerde politie, gevestigd in het hoofdbureau aan de Elandsgracht. Wat vond hij van Beatrix’ huwelijksplannen? “Dan moet je eerst een keer slikken, hè? Je denkt: waarom moet ze nou net een mof uitzoeken. Maar daar was ik gauw mee klaar. Ik heb ook zelf mijn vrouw mogen kiezen, dus… Wij officieren dachten: okee, hij is kennelijk gescreend, de politiek is akkoord, nou, dan regelen wij dat. Want als je blijft twijfelen, dan doe je het niet goed.”

Op 18 november 1965, ruim een week na de definitieve aanwijzing van Amsterdam als plaats van het huwelijk, vond op het stadhuis een eerste bespreking plaats over de voorbereidingen. Aanwezig waren gemeentesecretaris J.C. van den Berg, commissaris Kessler van de geüniformeerde politie, mr. Ruys, secretaris van de burgemeester, generaal Schaper, chef Militair Huis, en opperstalmeester, generaal Bisschoff van Heemskerk. Wit en enkele collega’s kregen het verslag. De hoofdzaken stonden toen al vast: het burgerlijk huwelijk vond natuurlijk plaats in het stadhuis aan het Prinsenhof, het kerkelijk huwelijk zou worden ingezegend in de Westerkerk, omdat zowel de Nieuwe Kerk als de Oude Kerk in restauratie waren. Na het huwelijk diende het paar te worden toegejuicht tijdens een korte rijtoer door de stad.
Er werden diverse voorbereidingsgroepen gevormd. Een commissie onder leiding van generaal Schaper zou het militair ceremonieel regelen. De politie bekeek de verkeersmaatregelen. Al deze draden kwamen samen in een coördinatiecommissie onder leiding van de gemeentesecretaris. De veiligheidsmaatregelen kwamen daar niet expliciet van de Amsterdamse recherche, de Rijksrecherche, de Binnenlandse Veiligheidsdienst en de Inlichtingendienst, die rapporteerden aan een speciale Veiligheidscommissie onder leiding van de burgemeester.

Van Hall: geen koetsen

De eerste coördinatievergadering, die moest leiden tot een sluitend draaiboek voor 10 maart, vond plaats op 15 december ten stadhuize. Daarna was er bijna elke week zo’n vergadering. Wit: “We keken allereerst naar het draaiboek voor de inhuldiging van koningin Juliana in 1948, want dat was ook in Amsterdam gebeurd. Daar hebben we vooral wat aan gehad voor de samenstelling van de stoet, maar verder waren de omstandigheden toch te anders om het te kunnen kopiëren. Van Hall wilde eigenlijk geen koetsen in de binnenstad, want dat vond hij veel te onveilig. Maar het hof hechtte daar veel waarde aan. Misschien hoopte Van Hall wel dat het huwelijk dan toch nog naar Den Haag werd verplaatst, maar daar was geen sprake van.”
Op vrijdag 14 januari verkende Wit met het ‘staldepartement’ van het hof de inmiddels vastgestelde route die de koetsen door de stad zouden volgen. ’s Morgens om tien uur zou de stoet vertrekken vanaf het paleis op de Dam door de Damstraat en over de Oudezijds Voorburgwal naar het stadshuis. Na het burgerlijk huwelijk zou men doorrijden over het Rusland en de Kloveniersburgwal, langs de Munt en over het Rokin terug naar de Dam en verder door de Raadhuisstraat naar de Westerkerk. Na de kerkelijke plechtigheid volgde dan een rijtoer: weer naar de Dam en dan een rondje Nieuwezijds Voorburgwal-Prins Hendrikkade-Damrak, terug naar het paleis. Volgens de verkenners was de route te rijden, al zaten er enkele moeilijke hoeken en steile bruggen in. Een ander probleem waren de hotels voor de hoge gasten. Natuurlijk wilden alle grote hotels wel in die eer delen, maar uiteindelijk werd om veiligheidsredenen besloten alle gasten onder te brengen in het Hilton en het Amstelhotel. Wit: “Een paar dagen tevoren waren alle gewone gasten weg; de recherche doorzocht ze van boven tot onder en daarna werden ze bewaakt door de recherche binnen en de uniformdienst buiten.”

Politie in het Anne Frankhuis?

Bij voorbaat stond vast dat de Amsterdamse politie het niet alleen aan zou kunnen. Behalve 1000 man gemeentepolitie, zouden daarom 1700 man Rijkspolitie en 1300 marechaussees worden ingezet. Niet zozeer voor praktische taken als wel voor het ceremonieel kwamen daar nog 4000 militairen bij. Waar moesten die allemaal verblijven op de grote dag? “De bedoeling was,” zegt Wit, “dat we langs de route tien verzamelpunten hadden en bij ieder verzamelpunt een aantal steunpunten. Die steunpunten waren de plaatsen waar men een plasje kon doen, een kop koffie drinken en dan, roets, weer terug. Het was zo geregeld dat die punten altijd van twee kanten bereikbaar bleven.”
De keus van de verzamelpunten verliep niet helemaal probleemloos. Eind december meende de chef van bureau Warmoesstraat een prima verzamelpunt te hebben gevonden vlakbij de Westerkerk: de kantine van het Anne Frankhuis. Maar toen het bestuur van de Anne Frankstichting daar lucht van kreeg, werd het contract weer snel geannuleerd. Uniformen riepen juist daar onaangename herinneringen op.
Over de fouragering van de manschappen werd uitvoerig beraadslaagd, vertelt Wit. “Daar zijn zelfs voedingsdeskundigen aan te pas gekomen. We zijn er van uitgegaan dat we onze posten acht uur bezet moesten houden en dat die jongens als ’t moeilijk was er niet vandoor konden vóór alles achter de rug was. Intussen moesten ze niet flauwvallen, maar je moest ook zo goed mogelijk voorkomen dat ze naar de wc moesten. Dus dat is precies uitgekiend.” Het resultaat staat in een dienstmededeling: “Het resultaat staat in een dienstmededeling: “Op de verzamelplaatsen wordt het personeel (…) na het appel uitgereikt een zakje suikerklontjes en frujetta, een zakje koeken met reep chocolade alsmede twee lunchpakketjes, elk inhoudende twee belegde broodjes. De lunchpakketjes kunnen in de buitenzakken van de overjas worden geborgen.”

35 seconden per auto
De tijdschema’s werden in januari en februari diverse keren bijgesteld. Zo werd het vertrek van de bussen vanaf het Europaplein met genodigden ‘uit de burgerij’ voor het gebeuren in de Westerkerk vervroegd van 9.45 tot 9.15. De tijdsduur van het voorrijden van de dure auto’s bij de kerk was aanvankelijk ook wat te optimistisch geschat, omdat men vergat dat al die lieden met sabels, kronen en steken, mantels en lange robes grote moeite zouden hebben hun auto’s uit te komen. De gold vooral de AA-groep, de Europese vorsten en edelen. Zij werden in een aparte kolonne naar de toreningang gedirigeerd en berekend was dat hun uitstappen per auto zo’n 20 seconden zou duren. Met 100 auto’s kwam dat op 35 minuten. De 300 auto’s met iets minder hoge en (dus) mobielere gasten (ambassadeurs, kamerleden e.d.) zouden bij de oost- en zuidingang stoppen. Met twaalf seconden per wagen zou dat een uur gaan duren. En zo was alles tot in detail vastgelegd, vanaf de aankomst vna de eerste hoge buitenlandse gasten in Amsterdam op 7 maart tot het vertrek van de laatste gravin naar Schiphol op 11 maart.
Toen de publiciteit rond de voorbereidingen eenmaal was losgebarsten, werd het politiebureau overstroomd met telefoontjes en brieven van particulieren en verenigingen die graag een mooi plaatsje langs de route wilden, binnen de politieafzetting. Iedereen kreeg antwoord. Over verzoeken om een plaats in de erehaag besliste de politie. Zo kreeg op 17 februari de Bond van Oudstrijders een plaats langs de Amstel toegewezen, evenals de Oranjevereniging Prinses Christina en een bus met spastische meisjes uit Bennekom. De Vereniging Bijbel en Oranje uit Den Haag mocht zich met 50 leden posteren in de Sint Agnietenstraat, de Schuttersvereniging Sint Gregorius uit Brunssum op het Rokin. Dankzij een telefoontje naar hoofdinspecteur Wit kreeg het Jachthoorn- en Trompetterkorps Eendracht maakt Macht uit Rijen op het laatste moment de plaatsen die eerst bestemd waren voor een erewacht van gemeenteagenten. Journalisten moesten geaccrediteerd worden door de Rijksvoorlichtingsdienst, maar een uitzondering werd gemaakt voor de hoofdredacteur van de Schoolecho van de lagere school te Meerlo, die dankzij hoofdcommissaris Van der Molen een plaatsje vooraan kreeg.
Op één punt haalde het hof bakzeil. Graag had Beatrix al haar vrienden die er in de Westerkerk niet meer bij konden, willen laten plaatsnemen op een grote tribune op de Westermarkt. Maar voor die tribune was geen plaats. Een beperkt aantal relaties van de bruid kon wel een plekje krijgen op de tribune op de Dam, die verder was bestemd voor journalisten en voor hofdignitarissen en hun familie.
Op de Westermarkt voorzag men ruimteproblemen, met al die te parkeren auto’s en koetsen. Ernstige obstakels, bleek op de vergadering van 15 december, waren vier kramen en de noodwinkel van horlogerie Compaan. Op 23 januari werd besloten dat de kramen weg moesten en de noodwinkel in de decoraties werd ‘ingebouwd’.

Witte geruchten
De grootste zorgen baarden echter de vele geruchten over ordeverstoringen. Al begin november ontving de hoofdcommissaris een anonieme brief, waarin werd gewaarschuwd voor een “slachtpartij”, met name een moordaanslag op Claus. Andere dreigementenwaren minder bloedig, maar wel zeer origineel. Wit: “Er waren de gekste verhalen: er zouden bommen worden gegooid, zodat de paarden zouden uitglijden. De Westerkerk zou worden gebombardeerd met oranje verf. De provo’s zouden LSD in het drinkwater doen.”
Inderdaad bevat het politiearchief, tussen de besprekingsverslagen, een rapportje dat op 4 maart door een rechercheur werd opgesteld. “Ondergetekende is benaderd door iemand die niet genoemd wenst te worden, maar wiens identiteit bekend is. Het heeft betrekking op een jongeman, die bezig is zijn bestaande onderwater-duikuitrusting te completeren, teneinde ‘een karweitje in de haven’ te kunnen opknappen. Betrokkene heeft getracht langs verschillende wegen zijn uitrusting aan te vullen en te verbeteren. Uit bijkomende omstandigheden kan worden afgeleid dat het gaat om het onderwater vervoeren van springstof dan wel het gooien ermee, op en aan kwetsbare objecten, verband houdende met de bruidsstoet. Betrokkene bezit de capaciteiten en de mentaliteit om dergelijke dingen ook praktisch tot uitvoering te brengen, zonder enige angst te hebben voor de gevolgen ten opzichte van zich zelf of anderen. Wordt als zeer fanatiek en ‘tot alles in staat’ beschreven. Getracht zal worden om betrokkene zo mogelijk op heterdaad te betrappen bij de voorbereidende werkzaamheden, waarbij een tijdig tevoren verricht onderzoek zou worden ingesteld. De betrokkene is genaamd: Laurens Maria Hendrikus Schimmelpenninck, van beroep uitvinder/adviseur, wonende te Asd., Heiligeweg 7-I. Pasfoto bijgevoegd.”
Het verhaal staat in grote trekkin in de memoires van burgemeester Van Hall en is oud -provo Luud Schimmelpenninck – bekend als uitvinder van de Witkar (1967) en onlangs de Solo – dan ook bekend. “Ik deed inderdaad aan duidken, bij de Amsterdamse Duikclub, die oefende in het Heiligewegbad vlak bij mijn huis. En ik had een werkruimte in het kantoor van textielmakelaar Haring op Prinsengracht 287, vlak bij de Westerkerk. Maar mijn duikuitrustig heb ik in één keer compleet gekocht en van zo’n bommenplan is natuurlijk nooit sprake geweest. Wel is er eens geopperd om, hoe heet dat, die rotte-eierenstank door het riool de kerk in te blazen, maar dat is niet eens een concreet plan geworden. Daags voor het huwelijk werd er een inval gedaan in het kantoor op de Prinsengracht, waar we wel eens vergaderen. Het hele archief werd meegenomen; de week daarop kregen we het terug. En in de nacht van 9 op 10 maart, terwijl ik voor de zekerheid elders sliep, hebben ze bij mij thuis huiszoeking gedaan.”
“Alles werd nagetrokken,” zegt Wit. “Naar aanleiding van dat LSD-verhaal [op 11 februari in De Telegraaf red.] hebben we bijvoorbeeld contact opgenomen met de Gemeentewaterleidingen om te vragen of dat kon en, zo ja, waar. Aan de Haarlemmerweg of verderop? Als we dat wisten, werd er gezorgd voor extra beveiliging. Kwam er een verhaal over leeuwestront, waar paarden paniekerig van zouden worden, dan belden we Artis of dat mogelijk was. Op verschillende data zijn luchtfoto’s gemaakt van de hele route om te zien of misschien voorheen met duivestront dichtgegroeide dakramen opeens open waren. Nee, natuurlijk geloofden we niet alles. Van sommige bedreigingen dachten we: dat zal hier in Nederland niet gebeuren. Maar je kon het niet naast je neerleggen. De moord op Kennedy lag vers in het geheugen. In Frankrijk waren wel meer gekke dingen gebeurd. En de provo’s stelden ons steeds voor verrassingen.”
Die provo’s deden er intussen zelf alles aan om de geruchtenstroom gaande te houden. Omdat wit de provo-kleur bij uitstek was, noemden ze het ‘witte geruchten’. Af en toe werd de provo-kas gespekt door het ‘onthullen’ van zo’n gerucht aan de buitenlandse sensatiepers ,waardoor indirect de rechercheurs aan het werk werden gehouden.

De laatste instructies

Naast het controleren van concrete geruchten (in het politiearchief zitten ook tips over ballonnen met hakenkruizen, het loslaten van ratten, en Zaanse scholieren die zich wilden vastketenen aan de gouden koets), werden ook algemene voorzorgsmaatregelen genomen. De acht lakeien naast de gouden koets waren bijvoorbeeld BVD-agenten. De koetspaarden waren al in de Haagse stallen getraind op het negeren van kabaal. In het Wilhelmina Gasthuis werd een operatiekamer vrijgehouden voor burgerslachtoffers en in het binnen Gasthuis een voor gewonde politiemensen; de ervaring, aldus Wit, had geleerd dat je die twee groepen maar beter apart kon houden. Er was een lijst opgesteld van mensen die in de gaten moesten worden gehouden: mensen met wapentuig in huis (legaal en illegaal), provo’s, ‘acitivisten’ en bekende tegenstanders van het huwelijk. Op een aantal adressen werden op 9 en 10 maart invallen gedaan. Bij een provo-scholier op de Nassaukade werden chemicaliën in beslag genomen. Zijn moeder vertelde de rechercheurs dat het altijd al een moeilijke jongen was geweest. Elders werd beslag gelegd op een voorraadje oranje verf.
Op 2 maart waren de koetsen en paarden naar Amsterdam vervoerd en ondergebracht in de Heinekenstal aan de Ruysdaelkade. In de vroege ochtend van maandag 7 maart maakte de gouden koets, gecamoufleerd met zeildoek, een proefrit door de donkere stad; hoofdinspecteur Wit liep er naast en zag dat het goed ging. En eindelijk brak de grote dag aan: donderdag 10 maart.
Het begon allemaal volgens plan. Om zes uur kreeg de politie haar laatste instructies in de Apollohal, waarna iedereen naar zijn post ging. Om half acht was de binnenstad afgesloten voor verkeerd. Om 6.30 uur werden de schaatshelden Ard Schenk en Kees Verkerk afgehaald van het vliegtuig uit Noorwegen, terwijl chauffeur Schot stipt om 8.15 uur aanbelde bij oud-premier Drees in Den Haag, getuige van de bruid. Maar toen rond kwart over tien de bruidsstoet vertrok van het paleis naar het stadhuis, begon elders het ongeplande gedeelte: ongeveer 1000 demonstranten trokken van de Dokwerker door de Amstelstraat naar het centrum. Op de Nieuwezijds voerde de politie harde charges uit. Terwijl bruid en bruidegom elkaar ten stadhuize het jawoord gaven, bereikte de provo-stoet de Raadhuisstraat, nu en dan al een rookbommetje gooiend. De twee meest fotogenieke rookbommen ontbrandden echter vlak bij de gouden koets, tegen half één op de heenweg naar de Westerkerk en om tien voor twee op de terugweg. Behalve die rookbommen werd -  bij de hoek Raadhuisstraat/Herengracht – om 12.00 uur ook een “levende kip” naar de koets gegooid, aldus het politieverslag. “Deze kip is door een politieman opgevangen en in een vuilniskarretje gedeponeerd.”

“Vlekkeloos verlopen”

Hoofdinspecteur Wit zat het grootste deel van die dag op het hoofdbureau en volgde tevreden de berichten. “Als er iets mis zou gaan, dan moest je er zijn om dingen te regelen, extra detachementen regelen of zo. Maar dat hoefde niet. ’t Liep allemaal volgens het draaiboek, de ene bladzijde na de andere. Dus toen ook in de kerk het huwelijk gesloten was, ben ik naar het centrum gegaan en heb het laatste stukje rijtoer, van het station naar de Dam, nog meegelopen. Laat nou uitgerekend om tien over twee, terwijl de koets de Dam op draaide, nog een bommelding komen! Loos alarm, gelukkig.”
Maar ’s middags werden er toch nog harde charges uitgevoerd op het Rokin, volgens de politie omdat er vlaggemasten werden omgetrokken. Volgens persverslagen werd een jongen door zes agenten in elkaar geslagen. Wit gelooft dat niet echt; foto’s kunnen erg suggestief zijn. En politiemannen krijgen ook wel eens een pak op hun sodemieter van demonstranten. Maar ja: “Politiemannen zijn gewone mensen en als die in het nauw komen vallen er ook wel eens klappen teveel.”
Voor hem mag het de pret niet drukken. “Die kip, dat had ik niet verwacht, maar die paar rookbommen, ach, dat calculeer je in. Dus toen Beatrix en Claus weer het paleis binnen waren, zeiden we: jongens, het is vlekkeloos verlopen! En dan kan je wel zeggen dat er daarna wat nare dingen zijn gebeurd, maar op de route zélf had je alleen een rookbom en een witte kip.”
Maar als die rookbom nou een echte bom geweest was? Wit: “Tja, het systeem is alleen waterdicht als je de route hermetisch afsluit, de huizen ontruimt en de straten schoonveegt. Maar echt feestelijk is dat niet.”

Tekst: Peter –Paul de Baar

Maart 1991

Powered by JReviews