De Vondelbrug: verkeersschakel, schuilkelder en beatkelder Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     November 13, 2012    
3748   0   0   0   0   0

Dossiers

Mini-lezing van Merel Ligtelijn tijdens manifestatie Toen Hier, bij de Vondelbrug over het Vondelpark, zaterdag 8 september 2012 (Open Monumentendag)

Dames en heren!

De brug over het Vondelpark tussen de Van Baerlestraat en de Eerste Constantijn Huygenstraat speelt een interessante rol in de geschiedenis van Amsterdam. Vele kwesties speelde zich op die locatie af op en onder de brug. Hiervan wil ik er hier twee bespreken: de aanleg van de brug, waarop Amsterdam ruim 80 jaar heeft moeten wachten, en de herinrichting van een ruimte ín die brug tot schuil- annex beatkelder: de Vondelbunker.

Sinds de aanleg in 1865 was het Vondelpark, dat bijna 100 jaar in particulier bezit zou blijven, voor gemeenteambtenaren een obstakel in hun verkeersplanning. Een wig in de stad. Desastreus voor de stadsontwikkeling! Wat de planners op dat moment nog níet konden bevroeden, was dat die situatie nog minstens 80 jaar zo zou blijven.

Met de economische opleving in de tweede helft van de 19de eeuw barstte Amsterdam door sterkte bevolkingsgroei uit haar voegen. Uitbreiding was noodzakelijk, ook van het wegennet. In zowel het gemeentelijke uitbreidingsplan van Van Niftrik uit 1857 als dat van Kalff uit 1876 werden de wijken West en Zuid opgenomen. Het Vondelpark lag daar als een groene muur tussen. In 1875 al was de Van Baerlestraat in voltooid, en in 1872 de Bilderdijkstraat (pas in 1894 kreeg het eerste deel van deze straat bij het Vondelpark de naam Eerste Constantijn Huygenstraat), in het westelijk stadsdeel. Natuurlijk was het de bedoeling deze twee straten met elkaar te verbinden ten behoeve van de centrumring waarvan de Ceintuurbaan deel zou gaan uitmaken. De werkelijkheid was dat ze doodliepen. Recht tegenover elkaar, met daaronder, twee meter lager, pakweg 200-250 meter Vondelpark. Daar viel met het parkbestuur ook niet over te praten. Dat wilde niets van doen hebben met die ambtenaren. Zij wilden de rust in hun park bewaren, én de visuele eenheid. Nu opeens een rijweg dwars door of over hun park? Geen sprake van! Het parkbestuur had trouwens zijn handen vol aan al die lastige heerschappen uit het stadhuis die zich probeerden te bemoeien met zaken van algemeen belang in hún Vondelpark. Ze vonden dat wielrijders in het park moesten kunnen rondrijden. Ze eisten betere verlichting.

De stadsplanners eind 19de eeuw hadden bij de uitvoering van hun verkeersplannen te maken met nóg een dwarsligger: Sociëteit De Hereeniging, gelegen áán het park, nabij de Bilderdijkstraat, de latere Eerste Constantijn Huyghenstraat, met prachtige gebouwen en idyllische tuin. De sociëteit was op haar rust gesteld en moest evenmin iets weten van een verkeersweg of dijk langs hun terrein. Maar toen in 1890 de sociëteit werd opgedoekt, kwamen opstallen en grond in handen van projectontwikkelaars. Deze braken de boel direct af, om de grond opnieuw te bebouwen. De druk op het Vondelparkbestuur werd groter, nu een medestander (de sociëteit dus) was weggevallen en er een ‘tegenstander’ bij kwam (de projectontwikkelaars).

Het parkbestuur ging overstag. Het zag ook wel in dat een goede verkeersdoorstroming noodzakelijk was voor de stedelijke ontwikkeling.

Eerste brugontwerpen

De eerste voorbereidende werkzaamheden voor de toekomstige brug begonnen begin twintigste eeuw. Het eerste ontwerp dat architect Piet Kramer maakte in opdracht van de gemeentelijks dienst Publieke Werken dateert uit 1919. Door de Eerste Wereldoorlog, waarin Nederland weliswaar neutraal was, maar waarvan het veel economisch nadeel ondervond, kwam het werk stil te liggen. Tot irritatie van Amsterdammers moesten de tramlijnen 2 en 3 én fietsers nog steeds omrijden via de Stadhouderskade om van bijvoorbeeld de Van Baerlestraat naar de Vondelstraat te komen. Burgers klaagden in de krant “dat particulieren zomaar rechten kunnen doen gelden over een gebied dat in de loop der tijd openbare weg is geworden - schandalig! Is het nu niet eens tijd het park over te dragen aan de gemeente?’ (Die overdracht zou pas plaatsvinden in 1953.)

Ook architecten mengden zich in de discussie. Onder wie Hendrik Wijdeveld, vertegenwoordiger van de Amsterdamse School, ex-leerling van architect Pierre Cuypers. Ongetwijfeld dacht hij aan het Vondelparkbestuur verwees, toen hij in een essay zijn grieven uitte over “irriterende wegstremmers voor het groote stadsverkeer: zij moeten hun pseudo-romantisme opgeven voor een versmelting in de hoofdstroom van het moderne verkeer”. Wijdeveld, die er bepaald geen kruideniersmentaliteit op nahield, ontwierp vervolgens zelf een visionaire stadswijk ín het Vondelpark, met vele dwarsverbindingen. Centrale as was een brede boulevard – lopend van het Leidse Bosje naar een reusachtige volkstempel aan de Amstelveenseweg. Deze tempel had van boven de vorm van een kikker; vanaf de boulevard dat van een liggende vrouw met opengesperde benen, de entree pal in het midden. Amsterdam, vond hij, moest een wereldstad worden – Plan the impossible! Utopia! Ontwerp de stedeloze stad! Voor het parkbestuur én ambtenaren was dit tegen dovemans oren gezegd - die dachten in respectievelijk parkbegrenzingen en ringwegen.

Huwelijk tussen Zuid en West

In 1931, het jaar waarin de Ceintuurbaan werd aangewezen tot derde ringweg, gingen bouwers en planners weer aan de slag. Duidelijk was nu dat er een viaduct zou komen, géén dijk dus of gelijkvloerse weg. Alweer kwam er een kink in de kabel: door de economische crisis was er geen geld meer. Uiteindelijk bleken er alsnog financiële mogelijkheden via een crisisfonds, maar op dezelfde dag dat dit verheugende bericht bekend werd gemaakt, werd in Nederland de mobilisatie aangekondigd. De ringweg liet nóg langer op zich wachten.

Na de Tweede Wereldoorlog werd de bouw dan eindelijk weer hervat, en op 16 oktober 1947 opende burgemeester Arnold d’Ailly de brug: “Het huwelijk tussen Zuid en West is een feit”, verklaarde hij, en sneed het lint door met een fruitmesje. Brug 200, in de volksmond Vondelbrug, was op dat moment het grootste Amsterdamse bouwwerk van na de oorlog. Piet Kramer, een van de belangrijkste architecten van de Amsterdamse School, was de architect, al is zijn ontwerp slechts ten dele uitgevoerd. De brug is gesierd met beeldhouwwerken uit 1942 van de vermaarde Hildo Krop: ‘Gijsbrecht van Aemstel’ en ‘Jongen en meisje aan de wandel’. De twee met elkaar verbonden wijken vierden drie dagen lang feest, met vlaggen, reclame- en kinderoptochten, fanfare, zangkoren, Bengaals vuurwerk, en een tentoonstelling in het Stedelijk Museum over verleden en toekomst van Zuid en West.

‘Niemand last’

Het waren de jaren van de Beatles en de Stones. In Amsterdam maakten groepen als ZZ & De Maskers en The Outsiders van Wally Tax, furore. De nieuwe club in de kelder kreeg de naam Lijn 3, vernoemd naar de tram die al sinds 1904 in de Vondelbuurt rijdt. Het Polygoonjournaal meldde op de dag van de opening dat deze ontmoetingsplek de ‘eerste halte is op het traject van het gemeentelijke plan om voor de jeugd enige vrijetijdscentra te creëren.’

Op de openingsavond van de beatkelder trad de Sammy Soul Set op. Buiten ontstond een rel omdat er meer mensen in wilden dan erin pasten. Maar binnen ging het er, zoals te zien op het Polygoonjournaal, kalm en braaf aan toe, met keurig geklede schuifelende stelletjes. Illustratief voor die vermeende rust en braafheid in de club was dat binnen zes weken tijd maar liefst twaalfhonderd glazen sneuvelden tijdens relletjes en vechtpartijen. Na twee jaar ging de noodlijdende club failliet, om door te gaan als Studio 7. De bunker lag middenin het Vondelpark, in 1968 het internationale Mekka van de hippies. Het park van de love-ins. Mensen zaten naakt in de vijvers te trippen, hingen omgekeerd in een boom te mediteren, anderen kankerden op dat fucking system of kickten af van een bad trip. Hippies die zich verloren in good vibrations werden steeds vaker slachtoffer van delinquenten. De criminaliteit in het park en ook in Studio 7 nam halsoverkop toe. Naast de toegangsdeur van Studio 7 hing de waarschuwing: ‘no dealing, no hard drugs, smoking OK’. Het baatte niets. Augustus 1971 deden 40 rechercheurs met hasj-hond een inval. 25 jongeren werden ingerekend, onder wie acht buitenlanders, in bezit van hard drugs, LSD of mescaline, gestolen en valse paspoorten, stiletto’s en gaspistolen. De officier van justitie wist tevoren van de razzia, maar voor wethouder Harry Verhey kwam het out of the blue. Hij was woedend! De Tweede Kamer kreeg hierover later politieke vragen, maar minister Van Agt van Justitie wuifde de bezwaren weg – de situatie in het park was immers niet meer te houden en Studio 7 stond al lang te boek als levendig centrum van de drugshandel in het Vondelpark.

Eind 1971 werd het park schoongeveegd en maakte een politieverordening een einde aan het love-park. Studio 7 bleef tot in elk geval 1973 openbaar podium, daarna ging het, voor zover bekend, dicht. Over het gebruik ervan in de daaropvolgende decennia bestaat veel onduidelijkheid.

Vast staat dat de Vondelbunker in 2010 particulíer verhuurd werd, als oefenruimte voor de band Moss. De bandleden moesten er bergen puin ruimen. Het stond er vol oude stellages en andere zooi, aldus een van de musici in een interview. In het zelfde artikel deed hij de opmerkelijke mededeling dat de ruimte gebouwd was in de Koude Oorlog voor de opslag van zaadjes en plantjes voor na een mogelijke kernoorlog. Zou de man daar wellicht nog marihuanazaadjes en plantjes hebben aangetroffen? Wist hij dat het een schuilkelder was? Dat roept de vraag op: Wisten de bezoekers van Lijn 3 en Studio 7 dat eigenlijk wél? Ze waren er vermoedelijk niet mee bezig. Bovendien, eind jaren zeventig moeten er in Amsterdam minstens 40 schuilkelders zijn geweest, maar vrijwel niemand wist waar deze zich bevonden. Voor wie waren die schuilkelders eigenlijk? Voor de toevallige passant of toevallige bezoeker van die ruimte? En wie bepaalde wie erin mocht? Er schijnt nooit een gemeentelijke publieke voorlichtingscampagne geweest, en evenmin gemeentelijke protocollen.

Overigens, zou de Vondelbunker bij een atoomaanval enig nut hebben gehad? Zo’n bunker zou alleen zin kunnen hebben gehad als eerste schuilplaats tegen radioactieve straling en fall-out bij inslag op afstand.

In het gemeentebeleid lijkt de dreiging van een atoomoorlog geen rol meer te spelen. Sinds naar verluidt 1999 onderhoudt Amsterdam haar schuilkelders niet meer. Sinds 2004 zijn de metrostations van hun schuilfunctie ontheven, en zijn aggregaten en gasinstallaties en andere zaken ontmanteld. Maar hoe zit dat met de Vondelbunker? Is daar nog wat te zien? Als het goed is staan er nog een olietank, een waterreservoir en de originele fietsen waarmee via dynamo’s energie kon worden opgewekt voor het aanzwengelen van de luchtzuiveringsinstallatie.

Sinds kort organiseert collectief Schijnheilig in de bunker debatten, exposities en muziek. Op donderdagen is er een activistische salon.

Tot slot was de Vondelbrug en omgeving een van de beruchtste tonelen van de krakersrellen in met name 1980, maar dit onderwerp valt buiten het bestek van dit praatje.

Merel Ligtelijn is freelance-journalist. Zij was in 1997 co-auteur van het fameuze boek Ode aan het Vondelpark. Al jaren werkt zij aan een groots project over ‘Amsterdam Ondergronds’.

Powered by JReviews