Het Amsterdamse Quartier Latin Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     Juni 24, 2011    
2770   0   0   0   0   0

Theaterschatten

In de depots van Theater Instituut Nederland zijn duizenden documenten en voorwerpen bijeengebracht: stille getuigen van bijna drie en een halve eeuw Nederlandse en vooral ook Amsterdamse theatergeschiedenis. Ons Amsterdam haalt, in een vaste regelmaat, steeds zo’n document of voorwerp voor het voetlicht, met het verhaal dat eraan verbonden is. Een kijkje in de depots van Theater Instituut Nederland, maar vooral in de levens van al die Amsterdamse artiesten en toneelkunstenaars van voorheen.

“’t Was in een van die weinige mooie lentenachten, dat Henri en Willem voor ’t open raam van ’n woning drie hoog in de Tweede Jan Steenstraat, ‘t hart van de ‘Nieuwe Pijp’, destijds dat Amsterdamsche ‘quartier Latin’, genoeglijk een pijpje zaten te rooken.”
Zo begint de roman Boheemsch Amsterdam, geschreven door de acteur Gérard Arbous, die handelt over een groepje Amsterdamse studenten en artiesten. En het is niet voor niets dat het verhaal in de Pijp begint. Toen daar in 1869 de eerste woningen werden opgeleverd, werd de wijk al snel ontdekt door kunstenaars en studenten, die vaak bij een eerzaam burger een kamer huurden. Maar ook veel prostituees, die door een verscherpt politieoptreden uit de binnenstad waren verdreven, namen hun intrek in de wijk.
Ook Arbous was een van die ‘migranten’; hij verhuisde van een kelderwoninkje aan de Geldersekade naar een van de zes zolderkamertjes van een pand in de Ferdinand Bolstraat: “Het kamertje was afgeschut met latten waarover kranten waren geplakt, en dat verblijf kostte ƒ 1,50 per week zonder schoonhouden.” Bij het schrijven van zijn roman, maakte hij dan ook dankbaar gebruik van zijn eigen ervaringen. Dat geldt ook voor twee andere oud-Pijpbewoners die romans publiceerden die zich deels in de wijk afspelen en waarin theatermensen een hoofdrol spelen: Kamertjeszonde van de toneelschrijver en –leider Herman Heijermans en Dood-zonde van de regisseur-acteur Mari Ternooy-Apel. Heijermans woonde eerst op kamers bij een juffrouw op de Ceintuurbaan en later in een benedenhuisje in de Burmanstraat. Over het leven van deze bekende Pijpbewoner schreef Hans Goedkoop een biografie, waarin is te lezen hoe Heijermans, als hij na een schouwburgbezoek zijn toneelrecensie voor De Telegraaf had geschreven, om even stoom af te blazen naar een café ging, bijvoorbeeld het bekende Mast op het Rembrandtplein. Daar trof hij immers altijd wel bekenden. “En na sluitingstijd gingen ze met een groepje door naar de Van Woustraat, in de Pijp, waar visboer De la Fuente altijd open was. Ze kwamen er graag, De la Fuente pofte. Met komkommers in het zuur, paling in gelei, gerookte elft, ansjovis en sardines, iedereen wat, verdwenen ze naar een van hun kamers, en dan werd het ‘nachtpicnic’. Buldergelach en katterigheid, sentiment en jaloezie en ruzies. Tegen het ochtenduur ging ieder weer zijns weegs en in de middag, tussen twaalf en twee, begint de nieuwe dag.”1
In Kamertjeszonde beschrijft Heijermans ook van deze scènes. Zo wonen de romanpersonages een optreden bij van de legendarische cabaretier/zanger Eduard Jacobs in de nachtsociëteit De Kuil. In deze sociëteit in de Quellijnstraat kwam na sluitingstijd de harde kern bijeen om te luisteren naar de protestliederen die Jacobs al staande achter de piano ten gehore bracht. Die liedjes hadden vaak misstanden in de Pijp als onderwerp, zoals blijkt uit titels als ‘De loreley van buurt YY’, ‘Buurt YY’ en ‘Ruysdaelkade’. Uit deze liederen komt een beeld naar voren van een wijk, waarin het eerder regel dan uitzondering was dat je aan lager wal raakte. Vooral de drankgelagen, de losse zeden en de schulden waren een doorn in het oog van de nette burgers in de wijk.
Maar is het in deze liederen geschetste beeld eigenlijk wel juist? Woonden er zo veel toneel- en andere kunstenaars in de Pijp? Was het er echt zo slecht gesteld met de moraal? Vragen die deels beantwoord kunnen worden aan de hand van het Dramatisch Jaarboek (jaren 1910 en 1911). Deze almanakken bevatten naast een overzicht van de Nederlandse toneelgezelschappen en de gespeelde stukken van dat seizoen, adressenlijsten van acteurs. Op deze lijsten staan 225 acteurs en actrices vermeld, waarvan er 193 in Amsterdam woonden. Als we de lijst langsgaan, blijkt dat er van die laatste groep 75 (39%) in de Pijp woonden, waarbij vooral lange straten als de Van Woustraat (13) en de Rustenburgerstraat (11) extra hoog scoren. Twee derde van de Amsterdamse acteurs woonden in het gebied omsloten door de Stadhouderskade, Amsteldijk, Rustenburgerstraat en Eerste Sweelinckstraat, Sarphatipark, Verbindingsstraat. Opvallend is dat van de acteurs/actrices die buiten de Pijp woonden, er redelijk wat op de Overtoom woonden (9), terwijl drie jonge actrices (waarschijnlijk op kamers) op één adres woonden: Derde Helmersstraat 3.
Al met al woonden er dus inderdaad relatief veel acteurs in de Pijp. Maar ook de iets jongere Kinker- en Helmerbuurt huisvestte in die tijd verhoudingsgewijs veel theatermakers – maar die waren dan meestal ook verbonden aan de betere gezelschappen. Van de wat kleinere toneelgezelschapjes woonde 50 à 60 % van het personeel in de Pijp, terwijl van de deftige Koninklijke Vereeniging Het Nederlandsch Tooneel – het gezelschap dat de Amsterdamse Stadsschouwburg bespeelde - slechts 25 % van de acteurs en actrices in de ‘kunstenaarsbuurt’ woonde. De rest van dat gezelschap – of ten minste twee derde daarvan - woonde in de Kinker- en de Helmerbuurt. Waar het er misschien toch minder wild aan toeging.

Tekst: Paul Post

Mei 2001

Paul Post is medewerker van Theater Instituut Nederland.

Noten
1| Hans Goedkoop, Geluk. Het leven van Herman Heijermans, Amsterdam 1996.

Powered by JReviews