Nummer 4: April 2007

042007_Cover


Op het omslag: In 1905 toen Mata-Hari haar danscarrière begon, was men totaal verrast door haar aanpak. Slechts gehuld in met juwelen bezette bustehouders en sluiers voerde ze extatische bewegingen uit. In Amsterdam waar ze jaren woonde, vertoonde ze zich nog maar eenmaal. Fries Museum.

- De Amsterdamse jaren van Mata-Hari
- Rembrandt en zwarte Amsterdammers
- Relletjes op Koninginnedag
- Het middeleeuwse Reigersbos
- Beemster vier eeuwen oud




Een huwelijksadvertentie als begin
Amsterdamse voetstappen van danseres en spionne Mata-Hari
Tekst: Jessica Voeten

042007_Mara_HariMata-Hari, ’s werelds beroemdste femme fatale, woonde in drie perioden van haar enerverende leven in de hoofdstad. Als Margaretha Geertruida Zelle werd ze in 1876 geboren in Leeuwarden en stierf ze in 1917 op een executieterrein buiten Parijs. Als Mata-Hari, de exotische danseres die tijdens de Eerste Wereldoorlog in een web van spionage verzeild raakte en dat met de dood moest bekopen, leeft ze voort.

Zonder de interventie van een journalist met een praktische instelling en een behoorlijke dosis humor was Margaretha Geertruida Zelle, de oudste van de vier kinderen van een apothekersdochter en een verwaande hoedenverkoper in Leeuwarden, nooit uitgegroeid tot de roemruchte Mata-Hari. De opzienbarende levensloop van de vrouw wier goedgekozen pseudoniem het internationale zinnebeeld werd voor femme fatale, begon niet in 1905 met haar gewaagde debuut als exotische danseres in de salons van Parijs, maar tien jaar daarvoor op de burelen van het Nieuws van den Dag op de Nieuwezijds Voorburgwal in Amsterdam.
Op zoek naar welingelichte bronnen over schermutselingen op het eiland Lombok was Jan François Leopold de Balbian Verster, verslaggever met als specialiteit Nederlands-Indië, in de loop van 1894 in contact gekomen met een kapitein van het Oost-Indische Leger, die na een lang en slopend verblijf in de kolonie tijdens zijn verlof weer op krachten probeerde te raken. Hij ontmoette deze Rudolph MacLeod, John voor zijn intimi, regelmatig in het American Hotel aan het Leidseplein. Na een van die bijeenkomsten, waarop de kapitein zich had beklaagd over zijn vrijgezellenbestaan, nam De Balbian Verster de vrijheid een huwelijksadvertentie te plaatsen.
De ene na de andere “beschaafde jonge dame, met vriendelijk uiterlijk en zacht karakter”, zoals de advertentie het had geformuleerd, stuurde een brief onder nummer naar de krant. Sommigen beschikten zelfs over “eenig fortuin”, zoals gewenst, maar MacLeod vond de practical joke van zijn nieuwe vriend allesbehalve amusant. Tot hij de brief onder ogen kreeg van een 18-jarige uit Den Haag. Ze had een foto bijgesloten.

Verzot op uniformen
Margaretha woonde bij haar oom Pieter en tante Geertruida Taconis-Zelle aan de Haagse Koningin Emmakade. Haar opleiding aan de kweekschool in Leiden was voortijdig geëindigd toen de directeur van de school, Wybrandus Haanstra, een vooruitstrevend pedagoog die in Nederland het fröbelen introduceerde, meer aandacht aan zijn leerlinge besteedde dan gepermitteerd. Margaretha, lang en aantrekkelijk en verzot op mooie kleren, was al sinds haar veertiende, toen haar moeder was gestorven, uit huis.
Haar vader Adam Zelle had na zijn faillissement en echtscheiding de wijk genomen naar Amsterdam en trouwde er met een weduwe die een zoon had. De opvoeding van zijn eigen dochter en drie zoons liet hij over aan familieleden. De vier kinderen hebben nooit meer bijeen gewoond en het lijkt erop dat Johannes en de tweeling Cornelis en Arie hun zuster zelden of nooit meer hebben gezien. Cornelis woonde in Amsterdam, in de Derde Weteringdwarsstraat 5. Op het moment dat zijn zuster reflecteerde op de advertentie, was hij bediende in een sigarenwinkel.
Margaretha had andere aspiraties. Later heeft ze verklaard dat het in Scheveningen was dat ze verslingerd raakte aan uniformen, of beter: aan mannen in uniform. Officieren met verlof uit Indië waren er bij de vleet. Misschien dat ze daarom de kolommen van het Nieuws van den Dag spelde: de meeste huwelijksadvertenties waren afkomstig van officieren of rijksambtenaren, vaak op verlof in het moederland. Diversen trouwden ‘met de handschoen’: de bruid leerde haar echtgenoot pas in Indië kennen. Een enkeling gaf hoog op van een gunstig uiterlijk, een schitterende carrière, of een ruim traktement. Bij de MacLeods, een familie van aanzien, was Margaretha aan het goede adres. Rudolphs vader John Brienen MacLeod was kapitein geweest, een oom generaal-majoor en een andere oom vice-admiraal.

Verrukkelijke meid
Volgens De Balbian Verster, die vele jaren later over zijn uit de hand gelopen grap vertelde aan Mata-Hari’s biograaf Sam Waagenaar, vond de 39-jarige kapitein de kandidate “een verrukkelijke meid”. De journalist adviseerde een ontmoeting in het Rijksmuseum. Na enig uitstel vanwege MacLeods reumatiek hebben ze elkaar daar voor het eerst gezien op 24 maart 1895, een zondag. Ze hebben geflaneerd en geflirt, rijtoertjes gemaakt en hevig en heftig gecorrespondeerd. Het gedrukte kaartje met het heugelijke feit van hun verloving dateert van zes dagen later.
MacLeod woonde toen nog op de P.C. Hooftstraat 140, vlakbij de Van Baerlestraat, maar kort daarna verhuisde hij naar de Leidsekade 79, het adres van zijn jongere zuster Jeanne, een weduwe met twee dochters. Hun moeder, eveneens weduwe, woonde bij hen in. De ringregisters tonen aan dat Margaretha een kleine maand voor het huwelijk al op dit adres werd ingeschreven, op 17 juni.
Het huwelijk werd voltrokken op 11 juli. Als getuigen tekenden naast twee collega-militairen van MacLeod ook De Balbian Verster en de uitgever H.J.W. Becht, wiens zoon en opvolger later een biografie van Mata-Hari zou publiceren. De vader van de bruid die, net als de minister van Koloniën, toestemming moest verlenen, had zijn eisen gesteld. Woonachtig in de groezelige Lange Leidsedwarsstraat 148-1, verlangde hij dat het aanstaande bruidspaar hem per landauer in plaats van in een gewoon rijtuig kwam bezoeken. Een tafereel dat het gewenste effect bij de buren had: men trad een dag later en masse aan om op de gracht bij het stadhuis de jonggehuwden toe te juichen. Maar Adam Zelle werd geweerd van het aansluitende déjeuner dînatoire in het American Hotel, een feestmaal in de namiddag waaraan de getuigen uiteraard wel aanzaten. Drie advertenties plaatste De Balbian Versters krant de dag erna. Die van papa bevatte de meeste tekst.
Zuster, moeder en nichtjes van MacLeod verhuisden kort voor de bruiloft naar Leidsekade 69, recht tegenover nummer 79, slechts gescheiden door het water van de Leidsegracht. Naar het schijnt bemoeide Jeanne Wolsink-MacLeod zich bij voortduring met het pasgetrouwde stel, tot ergernis van haar schoonzuster.
Hoogtepunt in het prille huwelijksleven moet de 23ste april van het volgende jaar zijn geweest. Koningin-regentes Emma en haar 15-jarige dochter prinses Wilhemina gaven een raout, een deftige avondpartij, in het Paleis op de Dam. Getuige een krantenverslag waren er zelden meer glanzende uniformen en schitterende colliers op decolletés bijeen. De jonge kapiteinsvrouwe MacLeod droeg opnieuw haar zachtgele bruidsjapon. Negen maanden later werd het eerste kind geboren: Norman John. Op zijn geboorteakte staat het adres Jacob van Lennepkade 61-2. Blijkbaar verdroeg Margaretha de bedilzucht van haar schoonzuster niet langer. Het vertrek naar Indië in mei 1897 moet een opluchting zijn geweest, maar het huwelijk met de veel oudere, ongelikte militair vertoonde toen al barstjes.
Vijf jaar later waren ze terug in Amsterdam. Niet meer dan een half jaar hebben ze gewoond in de Van Breestraat 188, een paar huizen van de Emmastraat. MacLeod, gepensioneerd, stond er ingeschreven op de begane grond met Margaretha en hun dochtertje Louise Jeanne. Het zoontje was overleden in Indië, naar verluidt vergiftigd door het personeel. Een paar dagen voor kerstmis verhuisden ze naar een adres dat nu niet meer bestaat: De Ruyterkade 53 naast het Centraal Station. Hoewel MacLeod zich ook hier met vrouw en dochter liet inschrijven, is het niet erg waarschijnlijk dat Margaretha zich bij hem heeft gevoegd op de tweede etage boven café Czaar Peter, dat werd gedreven door de weduwe Altink. De scheiding van tafel en bed was inmiddels uitgesproken.

Extatische bewegingen
“Connaissez-vous Mata-Hari? C’est le dernier joujou de la saison Matahari nous a conquis.” Het Nieuws van den Dag plaatste op 17 april 1905 onder het kopje ‘Een Hollandsche danseres’ dit particuliere schrijven uit Parijs en vroeg zich net als de briefschrijver af wie dit nieuwe talent nu precies was. Twee dagen later antwoordde een lezer dat ze MacLeod heette, geboortig was van Java en met een Britse officier getrouwd. “Nu is ’t ons duidelijk wie de Hollandsche danseres is. Onze landgenoot, die zich terecht mata-hari (het oog van de dag = de zon) noemt, is niet née à Java,” corrigeerde de redactie, al heeft ze “geruimen tijd tusschen de keerkringen vertoefd”. De correctie draagt het handschrift van De Balbian Verster.
Het was ruim een maand na het eclatante debuut in het Parijse Musée Guimet van Mata-Hari. De beau monde van Parijs was vol van de bajadère, de exotische danseres, die slechts gehuld in met juwelen bezette bustehouders en sluiers (en soms zelfs zonder) extatische bewegingen uitvoerde. Nog nooit had men zo’n danseres gezien. Enorm waren haar successen en navenant haar inkomsten (en uitgaven). De Nederlandse primeur van een interview met Mata-Hari was voor Tom Schilperoort, correspondent van de Nieuwe Rotterdamsche Courant – beminnelijk en gracieus presenteerde ze zich als Lady MacLeod.
Een jaar later werd op de huwelijksakte in het bevolkingsregister een toevoeging gepleegd: de echtscheiding was erdoor. Het Nieuws van den Dag berichtte op 2 augustus 1906: “26 april 1906 is het huwelijk ontbonden zonder verzet, tussen Margaretha Geertruida Zelle, Mata-Hari, domicilie Da Costakade 65 Amsterdam, en Rudolph MacLeod, Gep. Maj. I.L.”
Domicilie Da Costakade 65. De ster van Parijs? Het lijkt onwaarschijnlijk dat ze het nieuwbouwpand vlakbij de De Clercqstraat ooit nog heeft bezocht. Ze stond er ingeschreven toen haar vader en stiefmoeder in mei 1902 op de eerste etage kwamen wonen en dat bleef zo, lang nadat ze resideerde in royale hotelsuites in Parijs en andere wereldsteden. Maar ze had een correspondentieadres nodig vanwege de echtscheiding en de voogdijzaak rond haar dochter.

Onridderlijk gedrag
Voor zover bekend keerde Margaretha pas in 1914 als Mata-Hari terug in Amsterdam. Kort na het uitbreken van de Grote Oorlog kwam ze uit Berlijn en nam haar intrek in het Victoria Hotel. Haar vader was in 1910 overleden, in 1913 gevolgd door haar stiefmoeder. Alleen broer Cornelis woonde nog altijd in de stad, maar zal ze hem hebben opgezocht, in zijn kleine optrekje in de Noorderstraat 60, nog altijd inwonend bij diamantwerker Johannes Schoemaker?
Ze had veel aan haar mooie hoofd. Door het uitbreken van de oorlog was haar engagement in Berlijn afgelast. Van haar vergaarde kapitaal was niet veel over en een rijke amant leek niet snel voorhanden. Onwillekeurig kan ze even hebben teruggedacht aan de kamers boven café Czaar Peter achter het Centraal Station waar ze ingeschreven stond voor ze naar Parijs ging, voor ze beroemd werd. Deed ze zich daarom voor als een gevluchte Russin die de stad wilde bezoeken waar tsaar Peter ooit rondliep, toen ze in het Frans werd aangesproken door de bankier Will van der Schalk? Ze bleven in het Frans converseren en ze wist zich van haar onderhoud verzekerd. Zelfs toen haar ware identiteit uitkwam, fourneerde de geachte broer van Henriëtte Roland Holst-Van der Schalk de hotel- en kleedkosten.
Lang woonde ze niet in het hotel, van waaruit ze pogingen deed engagementen te verkrijgen. Mata-Hari’s enige optreden in Nederland zou aan het einde van dat jaar volgen, in de Koninklijke Schouwburg in Den Haag, waar ze naartoe verhuisde en waar haar laatste, beruchte jaren een aanvang namen. Amsterdam speelt nauwelijks een rol in de spionageactiviteiten die zij ontplooide, die haar noodlottig werden en haar legendarisch hebben gemaakt. Drie jaar na haar vertrek uit het Victoria Hotel was ze dood.
Het Nieuws van den Dag was het enige dagblad dat, op 17 oktober 1917, met een vlammend protest kwam tegen het “onridderlijke en barbaarsche gedrag der Franschen tegenover een vrouw”. Het uitvoerige, ongesigneerde artikel op de voorpagina kan van de hoofdredacteur, de sterrenkundige C. Easton, zijn geweest. Maar misschien is De Balbian Verster, inmiddels een man van middelbare leeftijd, in de pen geklommen. Zonder twijfel herinnerde hij zich de 18-jarige bruid. Er werd niet over gerept in het artikel. Noch heeft hij er ooit zelf iets over op papier gezet.
Als vijftien jaar later, in het najaar van 1932, de speelfilm Mata Hari met Hollywood-ster Greta Garbo in de bioscoop komt, spannen de drie broers Zelle een kort geding aan tegen Abraham Tuschinski en diens compagnons wegens karaktermoord. Het dient op de dag af vijftien jaar na de executie van hun zuster. De eis tot verbod wordt niet ontvankelijk verklaard door de Rotterdamse rechter en de film draait maanden lang met veel succes in de grote steden.
Veel rest er niet van Margaretha Zelle in Amsterdam. Of het moest de luxe Mata Hari-suite met kingsize bed, leren zithoek en whirlpool zijn die het American Hotel speciaal voor bruidsparen heeft ingericht. Het past wel bij de ongrijpbare Mata-Hari dat juist het gebouw waar haar geschiedenis begon, er allang niet meer staat.




Zwarten uit de schaduw
Rembrandt schilderde de eerste zwarte Amsterdammers
Tekst: Ulli Fischer

042007_RembrandtHet Rembrandtjaar is net achter de rug. Toch zijn nog lang niet alle mysteries rond zijn werk ontrafeld. Pas nu krijgt aandacht dat Rembrandt veelvuldig zwarten afbeeldde in zijn werk. De modellen ontleende hij aan zijn eigen buurt, want Amsterdam telde toen al zwarte inwoners. Wie waren zij, waar kwamen zij vandaan?

“Veel mensen denken dat Rembrandt maar twee of drie schilderijen maakte waarop zwarten te zien zijn. Het bekendste van die werken, De twee negers uit ongeveer 1655, hangt in het Haagse Mauritshuis,” vertelt Elmer Kolfin, kunsthistoricus en verbonden aan de Universiteit van Amsterdam. De twee zwarte mannen zijn gehuld in Romeins aandoende kledij. Wie waren zij? Kolfin kan hier geen eenduidig antwoord op geven. Wel vermoedt hij dat de twee mannen in Amsterdam zijn geschilderd. Nieuw onderzoek heeft namelijk uitgewezen dat de stad al zeker vanaf begin 17de eeuw zwarte inwoners kende.
Kolfin die eerder publiceerde over de verbeelding van de slavernij en zich nu bezighoudt met de verbeelding van zwarte mensen in de Europese kunst en cultuur, heeft het oeuvre van Rembrandt zorgvuldig doorzocht. “Het verbijsterende is dat er niet drie, maar ruim twintig werken zijn waarop zwarten staan afgebeeld. Het lijkt erop dat wij daar al die jaren blind voor waren. Soms staan die zwarten in de schaduw, maar soms ook midden in beeld en toch werd het niet gezien.”
Rembrandt van Rijn (1606-1669) was niet de eerste en ook niet de enige kunstenaar van zijn tijd die zwarten uitbeeldde. De Zuid-Nederlandse schilder Peter Paul Rubens – die door Rembrandt bewonderd werd – maakte rond 1615 een studie van het hoofd van een Afrikaanse man dat vanuit vier gezichtspunten is afgebeeld. En de Duitser Albrecht Dürer had al veel eerder, in 1521 toen hij in de Zuidelijke Nederlanden verbleef, de tekening Portret van Katherina gemaakt. Bekend is dat zij een twintigjarige donkere bediende was die behoorde tot het huishouden van een Portugese koopman in Antwerpen. Volgens Kolfin zijn deze werken nog maar een klein deel van het verhaal. “Vanaf de Middeleeuwen zijn zwarte figuren in ruime mate in de Europese kunst te vinden. Wel zijn het vaak bijfiguren die aan de rand van afbeeldingen staan. Ook zijn het vaak clichématige afbeeldingen.”

Witte negerin
Van veel zwarte bijfiguren weten wij niet of ze zijn gebaseerd op bestaande personen, of dat ze zijn geïnspireerd door verhalen en tekeningen van ontdekkingsreizigers. Ook kwam het voor dat kunstenaars figuren ontleenden aan het werk van voorgangers. Rembrandt deed dit eveneens. Toch is het onwaarschijnlijk dat de zwarte figuren in zijn werk uitsluitend op deze wijze tot stand zijn gekomen. Een vroege ets van Rembrandt wordt traditioneel betiteld als De witte negerin. Dat wil overigens niet zeggen dat zij een albino was; met een lijntechniek is het nu eenmaal moeilijk een donkere huidskleur weer te geven, legt Kolfin uit. “We kunnen aannemen dat deze vrouw echt heeft bestaan, want ook Rembrandts tijdgenoot Jan Lievens heeft haar geschilderd. Rembrandt en Lievens waren bevriend en deelden in hun jonge jaren een atelier in Leiden. Waarschijnlijk gebruikten ze hetzelfde model. Een zwarte vrouw die zij blijkbaar interessant vonden.”
Rembrandt onderscheidt zich van veel andere kunstenaars uit deze periode doordat hij zwarten natuurgetrouw schildert, als bijfiguur, maar soms ook centraal in beeld. Zijn zwarten dragen historische kostuums. Ze beelden de rol uit van koetsier, soldaat, koning of priester, en maken deel uit van een bijbels tafereel of een historische scène. Toch zijn de zwarten in het werk van Rembrandt nooit eerder onderzocht, tot verbazing van Kolfin. Een voorbeeld is de bekende ets De onthoofding van Johannes de Doper. Aan de rand is een jongetje afgebeeld, de beulsknecht. Hij heeft de schotel in zijn handen waarin het hoofd zal worden opgevangen. Niemand heeft ooit opgemerkt dat dit een zwart jongetje is. Dat geen onderzoek is gedaan naar zulk soort figuren in het werk van Rembrandt, wijt Kolfin aan een “gebrek aan belangstelling voor het motief van de zwarte in de kunst”.
Daarin komt nu verandering. Er is sprake van toenemende aandacht voor zwarte geschiedenis. Dienke Hondius, historica aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, benadrukt dat dit een internationale tendens is. “Ook in de ons omringende landen wordt steeds meer onderzoek gedaan naar het lot van de eerste zwarte mensen in Europa. Een onderwerp dat lange tijd weinig aandacht kreeg, omdat het raakt aan de minder fraaie kanten van het koloniale verleden. De eerste Afrikanen die in Noord-Europa arriveerden, waren meestal slaven of ex-slaven. Dat geldt ook voor de eerste zwarte inwoners van Amsterdam, die werden meegenomen door Portugees-joodse kooplieden.” Met de Spaanse verovering van Antwerpen in 1585 vluchtten veel Portugese joden voor de katholieke inquisitie naar Amsterdam. Maar ook voordien al kwamen Portugees-joodse kooplieden naar de opkomende handelsstad, waarbij echter onduidelijk is of zij ook al zwarte bedienden bij zich hadden.
Binnen Noord-Europa was slavernij verboden. De omvangrijke Nederlandse rol in de slavenhandel voltrok zich grotendeels later, tussen 1621 en 1814, en bleef bovendien buiten de grenzen van de Nederlandse Republiek. In Spanje en Portugal echter kwam slavernij wel voor. Toen zwarte slaven in het voetspoor van de Portugees-joodse kooplieden vanaf eind 16de eeuw in Amsterdam belandden, ondernam het stadsbestuur niets om de onvrije relatie van deze zwarte bedienden tot hun meester ter discussie te stellen, te bevestigen of te verbieden. Hondius: “Officieel kon een slaaf na zes maanden zijn vrijheid opeisen en zich vrijkopen. In de praktijk gebeurde dit zelden. De regelgeving was vaag en niet op schrift gesteld. Het houden van slaven werd dus blijkbaar gedoogd in Amsterdam.”

Ruige buurt
We weten dat Rembrandt vaak buurtgenoten als model gebruikte voor zijn schilderijen. Tussen 1639 en 1658, toen hij op het hoogtepunt van zijn roem verkeerde, woonde de schilder in de Sint Anthoniesbreestraat (of kortweg Breestraat) waarvan het zuidelijkste deel toen in de volksmond Jodenbreestraat ging heten. Die nieuwe naam ontstond doordat hier veel Portugese joden woonden – en dus ook zwarte bedienden. Hondius: “Rembrandt hoefde maar zijn deur uit te lopen om een zwarte buurtbewoner tegen het lijf te lopen.”
In de geschiedenisboeken over Amsterdam is weinig te vinden over hoe het de eerste zwarte inwoners van de stad verging. Hondius gaat ervan uit dat er ten tijde van Rembrandt een gemêleerde groep zwarte mensen in Amsterdam woonde. Het waren niet alleen slaven, maar ook vrije zwarte mensen die hun vrijheid hadden opgeëist of waren vrijgelaten door hun meester. Dat laatste gebeurde soms ook bij testament. Ook waren er zwarte echtgenotes van Portugese kooplieden, die zich dan voor hun huwelijk tot het joodse geloof moesten hebben bekeerd.
Hondius heeft in de archieven vermeldingen gevonden van burenruzies en vechtpartijen. In een kelder in de Breestraat woonde in 1632 een groep van zeven vrije zwarten, bestaand uit mannen, vrouwen en kinderen. Een van de vrouwen was aan haar meester in Hamburg ontvlucht. Er waren spanningen tussen deze zwarte bewoners en de Portugese en Hoogduitse joden in de buurt. Uit een notariële akte blijkt dat er sprake was van prostitutie, geweldpleging en diefstal. Hondius: “Het was een ruige buurt in die tijd. Zwarte mannen en vrouwen hadden geen gemakkelijk bestaan. Ze verrichtten ongeschoold en vuil werk om in leven te blijven. De vrije zwarten hielpen elkaar aan contacten en onderdak.”
Een ander gegeven dat Hondius heeft ontdekt, is dat er 400 jaar geleden al wel veel gemengde huwelijken werden gesloten in de koloniën. Hondius: “Ten tijde van de handelscompagnieën zoals de VOC was het beleid om gemengde huwelijken aan te moedigen tussen blanke mannen en inheemse vrouwen. Men dacht dat dit de onderlinge contacten en daarmee de handel ten goede zou komen. Tegelijkertijd was het beleid dat gemengde gezinnen nooit voet op Nederlandse bodem mochten zetten, vaak tot hun verdriet. De Nederlandse bevolking is zo lange tijd kunstmatig wit gehouden. Pas na de Tweede Wereldoorlog is in Nederland een immigratiestroom op gang gekomen vanuit de voormalige koloniën.”

Exotisch attribuut
Ook het onderzoek van historica Lydia Hagoort naar de geschiedenis van de Portugees-Israëlitische begraafplaats Beth Haim in Ouderkerk aan de Amstel heeft bewijs geleverd voor de aanwezigheid van zwarte inwoners van Amsterdam in de vroege 17de eeuw. In de periode 1616-1630 zijn daar negen personen begraven die in de registers als slaaf, zwarte of mulat zijn aangeduid. Maar het kunnen er heel goed meer zijn geweest, want zwarte bedienden werden vaak naamloos begraven, met slechts een houten bordje dat snel verging. Er is tot nu toe maar één graf teruggevonden van een zwarte bediende met een echte grafsteen en gelegen op een prominente plek van de begraafplaats: dat van de “goede bediende Elieser”. Hij was tot het joodse geloof bekeerd en in dienst bij een van de stichters van de begraafplaats. Hagoort: “Wellicht verklaart dit waarom hij als enige zwarte in heel West-Europa in deze periode een grafsteen kreeg.”
Er valt nog heel wat speurwerk te verrichten naar de eerste zwarte inwoners van Amsterdam. Zo zijn er verschillende schilderijen van Amsterdamse families waar zwarte bedienden op staan. Van sommige werken vermoedt Elmer Kolfin dat de zwarte bediende die erop staat een verzinsel is: dat hij is geschilderd als exotisch en statusverhogend attribuut. Maar van andere familieportretten is bijna zeker dat de afgebeelde zwarte bediende echt bestond. Kolfin: “Dat laat zich afleiden uit de kleding die realistisch is voor die tijd en uit de individuele gelaatstrekken. Een voorbeeld is het schilderij van de bruiloft van Willem van Loon en Margaretha Bas in 1637.”
Dienke Hondius duikt de komende jaren in het notariële archief van Amsterdam voor onderzoek. Kunsthistoricus Kolfin adviseert vakgenote Esther Schreuder bij het voorbereiden van een tentoonstelling in De Nieuwe Kerk in 2008 over zwarten op Nederlandse schilderijen van de middeleeuwen tot nu. Hondius verheugt zich erop. Ze hoopt van ieder schilderij te achterhalen wie erop staat. Volgens Schreuder die het initiatief voor de tentoonstelling nam, staan er veel meer zwarten op Nederlandse schilderijen dan iedereen denkt. Bovendien verbinden wij zwarten uit die tijd algauw met slachtofferbeelden. We denken aan slavernij en onderdrukking. In de 17de eeuw en eerder werd volgens Schreuder echter niet in die termen gedacht: “Zwart werd juist vaak met kracht en schoonheid verbonden.”
Sprekend in dat opzicht is een bijzonder werk dat het Rijksmuseum in 2005 aankocht, Portret van een Afrikaanse man, geschilderd door de Haarlemmer Jan Mostaert rond 1520-1530. Voorzover bekend is dit het enige geschilderde portret van een zwarte man uit de Renaissance. In het werk van Rembrandt spelen zwarten een rol als historisch figuur, maar hij heeft nooit een portret gemaakt van een zwarte man of vrouw omwille van de persoon zelf. Portretten waren kostbaar en werden alleen in opdracht van de elite geschilderd. De zwarte man van Mostaert moet dus tot de bovenlaag hebben behoord. Hij is conform de geldende conventies geschilderd. In eigen opdracht of in opdracht van een begunstiger? We weten het niet. Uit zijn rijke kleding, het zwaard in zijn hand, de prachtig versierde beurs en het pelgrimsinsigne op zijn muts is af te leiden dat hij een hoogstaand persoon was die zich in hofkringen bewoog, hoogstwaarschijnlijk in de Zuidelijke Nederlanden. Wie was deze man en hoe kwam hij in Europa? Fascinerende vragen waarop wellicht ooit een antwoord komt.




Rondvliegende stoeptegels en brandende barricaden
Koninginnedag in roerige tijden
Tekst: Theo E. Korthals Altes

042007_Oranje_ComiteKoninginnedag in Amsterdam is nu zo vredig, waar was vroeger het toneel van felle straatgevechten. Rond 1970 bereikten de jaarlijkse rellen een climax. In het Oranje Comité, toch een verzameling gesettelde heren, wist men de psyche van de jongeren te doorgronden. Dankzij hun ingenieuze plan was er in 1971 geen vuiltje meer aan de lucht.

“Na jaren eindelijk een Koninginnedag zonder ongeregeldheden in de Amsterdamse binnenstad. Geen charges, wegvluchtende wandelaars, ingegooide ruiten of brandende barricaden. De Dam en omgeving hadden zowaar een gezellige sfeer. Zonder daar veel ruchtbaarheid aan te geven was een uitvoerig plan de campagne gemaakt om ongeregeldheden te voorkomen. De politie manifesteerde zich niet provocerend. De paraat gehouden mobiele eenheid was aan het oog onttrokken; er was vrijwel uitsluitend soepel reagerend Amsterdams personeel op de been gebracht.”
Aldus een commentaar in Het Parool van 1 mei 1971, dat eindigde met een compliment aan het gemeentebestuur en de politie. De werkelijke hoofdrolspeler was daarmee echter niet genoemd. Niemand heeft ooit enig vermoeden gehad van de sleutelrol van het Oranje Comité, waarvan mijn vader toen voorzitter was. Zelf vond dit bedaagde gezelschap het raadzaam op de achtergrond te blijven.
Het wás inderdaad in alle opzichten onverwachts, de omslag die het comité in 1971 wist te bewerkstelligen. In de tweede helft van de jaren zestig werd Amsterdam juist bij gelegenheden die volgens de autoriteiten feestelijk hadden moeten zijn, geplaagd door hevige rellen. Koninginnedag trof geen beter lot. Dit bezorgde de gevestigde orde flinke kopzorgen. Beelden uit die tijd laten zien hoe de autoriteiten volslagen desperaat en totaal ineffectief reageerden, in feite met dezelfde bruutheid die zij juist wilden indammen.
De provocaties waaraan menigeen van mijn eigen generatie zulke vrolijke herinneringen bewaart, waren voor de generatie van mijn ouders een verschrikkelijke klap in het gezicht. Met geen mogelijkheid konden zij deze losgeslagen boel opvatten als een uitnodiging om de jeugd of hun nieuwe tijd beter te leren begrijpen. Integendeel, alles moest in het werk worden gesteld om het ‘langharig werkschuw tuig’ terug in het hok te krijgen, laat staan dat men wilde ingaan op de roep om inspraak en meer democratie. Die verbeelding kwam pas later aan de macht. Het heeft de keurige en ook zeer vriendelijke burgemeester Gijs van Hall, ooit binnengehaald als representant van het verzet in oorlogstijd, uiteindelijk zijn kop gekost, en in zekere zin werd het de nederlaag van al zijn keurige stedelijke soortgenoten. Daarmee kwam ook een einde aan de overheersend deftige tongval van het Amsterdamse stadsbestuur.

Potsierlijk gezag
Mijn vader, Philip John Korthals Altes (1922-2000), die geen stadsbestuurder was maar zelfstandig zakenman in het hart van de stad aan het Spui, bleef in deze tumultueuze periode grotendeels onverstoord. Bovendien stond hij ervoor een gezin met zes opgroeiende kinderen draaiende te houden, dus erg veel tijd om zich druk te maken over rellen en vernielingen had hij niet, zelfs niet toen zij ongeveer tot onder het raam van zijn werkkamer aan het Spui waren genaderd. Toch ging de ontwikkeling hem wel aan het hart. En zijn hart was van hetzelfde type dat ook klopte in het fameuze standbeeld aan het Spui, het hart van het Lieverdje – waarop hij dagelijks uitkeek. Intuïtief besefte hij dat een hardhandige, autoritaire reactie op de provocaties alleen maar averechts kon werken. Desondanks ergerde hij zich natuurlijk wild, om het in zijn eigen termen te zeggen, aan de toeslaande wanorde en het gebrek aan wellevendheid van grote horden jongelingen en hun ophitsers in zijn stad.
Het Amsterdam dat hij had geërfd was toch – “verdraaid nog an toe” – de stad van vrijheid: vrijheid van beweging, vrijheid van meningsuiting, vrijheid ook om in opstand te komen, jazeker, maar dan wel voor goed onderbouwde zaken, zoals die er in de loop van de eeuwen met regelmaat waren geweest, bijvoorbeeld tegen het opdringende bevoegde gezag van een jonge onervaren stadhouder Willem II van Oranje die in 1650 zijn maat niet had geweten, of de rellen in de Jordaan, het fameuze Palingoproer, aan het eind van de 19de eeuw, waarbij de gemeente in veler ogen terecht werd gezien als de grote spelbreker, en natuurlijk ook het oorlogsverzet. Men zou toch denken dat die voorgeschiedenis in de sterk vrijzinnige tradities waarin ook nette Amsterdammers waren opgegroeid, ten minste tot enige natuurlijke sympathie zou leiden met jongelui die de potsierlijkheid van het gezag wilden tarten. Maar naar veler gevoel waren de jongeren te ver doorgeslagen, vooral in de vormen die zij hanteerden.
Tekenend is het volgende citaat van mijn vader uit zijn in 1996 opgetekende herinneringen aan 25 jaar voorzitterschap van het Oranje Comité. “In onze jonge jaren zijn we allemaal, net als de jeugd van tegenwoordig, enige tijd in opstand geweest tegen onze ouders. Het was vroeger echter zo dat er met die ouders altijd gemeenschappelijke vijanden waren (de werkloosheid in de crsisjaren, de nazi’s enz.), zodat je in de confrontatie met je ouders immer kon komen tot een werkbaar compromis. Dat veranderde in de jaren zestig toen al die duidelijk gemeenschappelijke vijanden waren opgekrast en de oudere generatie te maken kreeg met de meest onbegrijpelijke, vaak tegenstrijdige protesten, waarbij bovendien de vormen niet meer in acht werden genomen. Dit laatste vooral is heel onverstandig. Ik heb me vaak verzet tegen de inhoud van wat mensen beweerden en elkaar napraatten, maar heb er dan wel voor gezorgd dat ik dat in een net pak en in gepolijst Nederlands bracht, zodat ze me nooit op de vorm konden vangen.”

Herrie tegen herrie
In deze geestesgesteldheid nam mijn vader in het najaar van 1970 de voorzittersrol op zich van het Oranje Comité, met als voornaamste opgave het barre tij van vernielingen op Koninginnedag te keren. In het comité hadden tal van notabelen zitting, onder wie ook de hoofdcommissaris van politie.
In zijn terugblik onthulde mijn vader dat de analyse van politiepsycholoog Fris, die een verhandeling was komen geven voor het comité, voor hen het ei van Columbus was geweest. Volgens Fris heb je altijd een harde kern van onruststokers, dat is nu eenmaal een gegeven. Veel belangrijker is de grote groep die daaromheen zit: de jongeren die mee gaan doen met beginnende relletjes. Zij komen pas echt op stoom als er toeschouwers zijn, ze doen het voor die kick. Zonder publiek is voor hen de lol er gauw af. Het is dus cruciaal, aldus politiepsycholoog Fris, om te zorgen dat er geen publiek op beginnende relletjes afkomt. Daarvoor is het nodig dat de politie tactvol reageert op provocaties – iets waar het tot die tijd bepaald aan ontbrak. Bovendien moet het publiek de handen vol hebben aan andere zaken.
Vooral die laatste raad nam mijn vader zich ter harte. Vandaag de dag is het nauwelijks meer voorstelbaar, maar de hele oranje-mikmak van nu met gek uitgedoste mensen, fluitspelende kinderen, tafeltjes met vreemdsoortige etenswaren en de eindeloze vrijmarkt, was er toen nog helemaal niet. Dat werd dus het eerste actiepunt: het tevoorschijn toveren van zoveel mogelijk onschuldig feestende mensen. In de kern kwam de aanpak van mijn vader erop neer dat hij iedereen wilde mobiliseren – iedereen, met elke denkbare feestelijkheid en elk denkbaar spelletje – om de Dam te bezetten, volledig en volkomen vrij van doorgaand verkeer.
“Laten we het eens één keer proberen, om te bewijzen dat het kan,” zei hij in een van zijn eerste comitévergaderingen, nog enigszins vervuld van onzekerheid over de medewerking die hij hiervoor van alle betrokken instanties zou krijgen. Bij voorkeur zou het één nationaal feest moeten worden op het ene nationale plein. Hij vulde dit onmiddellijk aan met de aanwijzing dat hij er daarbij niet op uit was om het Oranjehuis centraal te stellen. Daar ging het niet om. Bovendien, dat deed de koningin toch zelf, bij haar thuis op Soestdijk. “Doel is vooral de leegte op ons nationale plein, de Dam, te vullen; op nationale schaal, met een feest dat gedragen wordt door het hele land. We moeten Koninginnedag verkopen, niet het Oranjehuis.”
Mijn vader mocht dan enigszins van de oude stempel zijn, de activiteiten die hij bedacht waren zeker niet belegen. In zijn terugblik schreef hij ironisch: “In die tijd van de opkomst van de verdovende middelen hebben we een van de ergste van die middelen gebruikt om het publiek te binden: de popmuziek, er aldus in slagende om herrie met herrie te bestrijden.” Zo werd het popfestival op de Dam geboren. Het zou nog tot 1979 daar plaatsvinden en toverde het eertijdse centrum van de rellen om tot een vredige plek waar veel publiek op afkwam.

Klaagmuur
En zo werkte het Comité, dat vaak bij ons thuis aan de Oranje Nassaulaan of in het kantoor van mijn vader aan het Spui vergaderde, de formule voor integrale feestelijkheden met grote ijver en toewijding uit – de hele potpourri van kinderwedstrijden, amateurvoorstellingen, sportvermaak, de vrijmarkt en alle andere ingrediënten van Koninginnedag zoals we die nu kennen. Regelmatig zaten wij in die tijd thuis met ons gezin over de eettafel met de kaart van het centrum van Amsterdam uitgevouwen het Grand Design van het Oranje Comité kritisch door te nemen op mogelijke verbeteringen en verdere uitbreiding van het concept.
Voor een niet onbelangrijk detail had mijn vader trouwens het koningshuis wel degelijk nodig. Want de “klaagmuur” die het potdichte Paleis op de Dam in zijn ogen was tijdens de feestelijkheden, was hem een doorn in het oog. Er kon niet eens een vlag van worden uitgehangen, want het paleispersoneel had altijd een vrije dag. Hoe te zorgen dat het paleis zijn deuren opende? Mijn vader was het liefst daarvoor zelf afgereisd naar paleis Soestdijk, maar daarvoor ontbrak hem als eenvoudig Oranjecomité-voorzitter het mandaat. Burgemeester Samkalden liet het afweten en zo strandde dit plan.
Maar het feest van verdraagzaamheid en absolute vrijheid zoals mijn vader het in gedachten had, is in alle andere opzichten een succes geworden. Wie de foto’s bekijkt van Koninginnedag in Amsterdam ‘voor en na’ 1971 ziet het grote verschil. In plaats van met charges en rookbommen zijn de foto’s sindsdien enkel nog gevuld met opa’s en oma’s, grote en kleine kinderen, draaimolens en suikerspinnen. In plaats van enkele tienduizenden feestgangers trekken nu jaarlijks op 30 april vele honderdduizenden mensen door de binnenstad.
In de loop der jaren werd Koninginnedag voor mijn vader een aangename routine, eerst van de gedreven zakenman die de openbare orde ging redden, en ten slotte van de vriendelijke oude heer die nog graag het spuitbal kwam openen om aldaar een feestelijke natte broek te halen. Toen hij aftrad als voorzitter van het Oranje Comité Amsterdam, kreeg hij de erepenning van de stad. Het openbare leven was in de ogen van mijn vader en de andere comitéleden het dagelijkse product van de gewone burger zelf en niet van politici of ambtenaren. Het was aan mijn vader niet besteed passief te blijven wachten tot ‘de overheid’ het probleem van de relletjes op Koninginnedag zou oplossen.




Reigers na 600 jaar terug
Wijk Reigersbos genoemd naar middeleeuws jachtgebied
Tekst: Ruud Siekerman

042007_ReigersbosIn Gaasperdam bestaat sinds een kwart eeuw de wijk Reigersbos met gelijknamig winkelcentrum. Weinigen weten dat deze naam afstamt van een hier gelegen middeleeuws bos, dat inderdaad vol reigers zat. Sinds een paar jaar zijn deze vogels terug van weggeweest – na zes eeuwen.

De woonwijk Reigersbos in Zuidoost is in eerste instantie vernoemd naar een boerderij. En wel een exemplaar aan de Abcouderstraatweg dat in 1967 voor de aanleg van Zuidoost moest wijken; nu bevindt zich daar het voorplein van het AMC. Iets westelijker lagen in eerdere periodes ook al twee boerderijen met die naam. En op een kaart uit 1641 is Reigersbos bovendien de naam van een deel van de Holendrechterpolder ten westen van de Abcouderstraatweg.
Maar de oorsprong van de naam gaat veel verder terug in de tijd. In de 12de eeuw strekte zich een groot veengebied uit tussen het Bijlmermeer (toen nog een woeste watervlakte), de Gaasp en het Gein. Het was een moerassig gebied (broec) met veel bomen. In Abcoude woonden toen al mensen, net als in Ouderkerk, Amstelveen, Duivendrecht, Diemen, Amsterdam en Weesp. Het land tussen deze woonplaatsen, Amstelland geheten, viel onder het bestuur van de bisschop van Utrecht, die het in leen had van de Duitse keizer. Op zijn beurt gaf hij land aan trouwe vazallen in leen.
Op die manier had in de 12de en 13de eeuw het geslacht Van Aemstel het gebied in beheer. In documenten uit die tijd wordt voor de streek tussen het Bijlmermeer, de Gaasp en het Gein de naam Bindelmerebroec of Bindelmerebosch gehanteerd (Bindelmeer was de eerdere naam voor het Bijlmermeer). Eind 13de eeuw is voor het eerst sprake van een ‘reigerbos’. In die jaren zijn er problemen tussen de heren Van Aemstel en hun leenheer, de bisschop van Utrecht. In 1285 verliezen de Van Aemstels hun rechten en krijgt graaf Floris V van Holland het Bindelmerebroec in leen, samen met “dat bussce, daer die reygers inne broeden”. Tevens ontvangt Floris V Muiden, Weesp, Diemen en Naardingerland in leen. De huidige grenzen van Noord-Holland en Utrecht zijn daardoor bepaald.
Het zijn roerige tijden. Na de moord op Floris V in 1296, waar Gijsbrecht van Aemstel bij betrokken is, worden de goederen van de Van Aemstels verbeurd verklaard. Bij de regeling van de nieuwe eigendomsverhoudingen in 1298 is dan opnieuw sprake van “Bindelmere broeck, daer die reijgers inne broeden”.

Reigers als lekkernij
De reigers worden steeds weer apart genoemd in de stukken. In 1300 draagt Jan II, graaf van Henegouwen en Holland, het beheer van Amstelland over aan zijn broer Gwijde met uitzondering van het “Reygersbosch in Aemstellant”. Dat houdt hij voor zichzelf. In 1363 staat hertog Albrecht van Beieren, die dan graaf van Holland is, de heren van Egmond en IJsselstein toe “den Reijgerbosch te Bindelmeerebroec” voor de jacht te gebruiken. Maar hij schrijft ook voor dat de gewoonte in stand moet blijven om “grauwe” (blauwe) reigers te leveren aan de herberg, waar hij met zijn gevolg vertoeft als hij in Holland is. Ook bepaalt hij dat geen hout mag worden gekapt in het bos waar de reigers wonen en dat geen andere schade mag worden aangericht. Tegen stropers zal streng worden opgetreden
In 1417 is voor het laatst sprake van het Reigersbos. Daarna is het bos met de reigerkolonie verdwenen. Soms is verondersteld dat dit historische Reigersbos door een geweldige orkaan is verwoest, maar dat moet een mythe zijn. De werkelijke reden is dat het Bindelmerebroec vanaf de 13de eeuw in cultuur is gebracht, een operatie die doorging tot in de 15de eeuw. Door de groei van de stedelijke bevolking was de afzet van de boerenproducten gegarandeerd. Amsterdam bijvoorbeeld groeide in de 14de eeuw van 1000 tot ruim 3000 inwoners. Het Bindelmerebroec werd ontgonnen vanaf de bewoonde oevers van het Bijlmermeer, de Gaasp en het Gein. Vanuit die nederzettingen ging men het moerasgebied te lijf.

Begerenswaardig bezit
Leggen we nu oude en nieuwe kaarten over elkaar, dan blijkt dat het historische Reigersbos ongeveer op de plaats lag van de huidige wijk van die naam. Het bos moet wel een uitzonderlijk oord zijn geweest, anders is niet te begrijpen dat het in de documenten steeds apart wordt genoemd. Waren reigers in die tijd zo bijzonder? Niet alleen hertog Albrecht kreeg ze graag als gebraad voorgezet. Margaretha van Kleef, zijn tweede echtgenote, liet in 1401 in Amsterdam “uten Reyghersbosch 19 reyghers” bezorgen. De adel vond reigers blijkbaar niet te versmaden.
Ook Jacob van Maerlant heeft het in zijn Der naturen bloemen over reigers. Dit beroemde werk is te omschrijven als een middeleeuwse natuurencyclopedie, de eerste in de volkstaal. Omstreeks 1270 schreef Van Maerlant dat er witte en scire (blauwe) reigers bestonden. Van die twee soorten waren de ‘scire’ het lekkerst en het gezondst. En over reigervet zegt hij: “Smout van den eigher es specie diere” – oftewel, vet van de reiger is een kostbaar geneesmiddel. Het zou helpen tegen jicht. Reigers dienden ook als lokaas bij de valkenjacht, een aan de adel voorbehouden sport. Een reiger was dus niet zomaar een vogel. Een bos met reigers was een begerenswaardig bezit voor heren en dames van adel.
Maar vanaf de 15de eeuw was het dus gedaan met het bos. Reigers zullen er in de polders tussen het Bijlmermeer, de Gaasp en het Gein al die eeuwen na het verdwijnen van het Bindelmerebroec genoeg hebben rondgevlogen. Nu liepen ze echter geen gevaar meer op de tafel van bewoners van de polders te belanden. Van broedende kolonies is zes eeuwen lang geen sprake meer – tot de aanleg van Zuidoost. Het Gaasperpark, oorspronkelijk aangelegd als Floriadepark in 1982, groeide uit tot een flink bos. Vorig jaar waren er enkele nesten van reigers te vinden. We telden er deze winter al acht.
Reigers in Bindelmerebroec? Na 600 jaar ‘terug van weggeweest’.




400 jaar Beemster
Amsterdamse investeerders boekten forse winsten
Tekst: Niels Wisman

042007_BeemsterOp 21 mei 2007 is het vierhonderd jaar geleden dat een groep hoofdzakelijk Amsterdamse investeerders vergunning kreeg de uitgestrekte watervlakte van de Beemster droog te maken. Nog jarenlang drukten Amsterdamse kooplieden als bestuurders, grondbezitters en bewoners van prestigieuze buitenverblijven hun stempel op het leven in de polder.

De Beemster is zeker niet het enige 17de-eeuwse landwinningsproject waar Amsterdammers bij betrokken waren. Maar het is wel een van de eerste, grootste en bekendste. Na vijf jaar bedijkingswerkzaamheden kwam het nieuwe Noord-Hollandse land in het voorjaar van 1612 gereed. Al van drie jaar later dateert de eerste vermelding van een landhuis, waarvan er nog vele zouden volgen. “Hier jaagt de windhond ’t wild, hier rijdt de koets uit spelen, men danst, men banketteert in ’s koopmans rijke buurt, hier lacht de goude tijd, in lieve lustprieelen.” Zo beschreef Joost van den Vondel in 1644 de Amsterdamse koopman die zich amuseerde in een paradijs dat hij voor zichzelf uit het water had geschapen. Het gedicht was opgedragen aan Vondels stadgenoot Carel Looten en handelde over het leven op diens buitenhuis aan de Volgerweg in de Beemster.
Het moet ook voor de tijdgenoot verbijsterend zijn geweest dat het hier bezongen lieve buitenleven zich afspeelde op een plaats waar nog geen halve eeuw voordien het water had gekolkt. Ooit ontstaan als bescheiden veenstroom had de Beemster (oorspronkelijk: Bamestra) zich sinds eeuwen steeds verder uitgebreid en het water was een gestage bedreiging voor het omliggende land geworden. De vroegst bekende plannen voor bedijking dateren al van na de Allerheiligenvloed van 1570, maar pas begin 17de eeuw kwam het ervan.
Dat was te danken aan de “Edele Heren Bedijkers van de Beemster”, zoals de bekende Noord-Hollandse molenbouwer en waterbouwkundige Jan Adriaensz Leeghwater ze noemde in zijn Haarlemmermeerboek (1643). Leeghwater speelde een rol bij de aanleg van de Beemster als opzichter bij het maken en stellen van de 26 molens die het meer moesten droogmalen. Maar anders dan later wel is gesuggereerd, is hij niet verantwoordelijk voor de start ervan. Die eer komt toe aan vijftien machtige heren, die behalve uit Amsterdam vooral uit Den Haag kwamen. De Amsterdammers waren met zijn achten in de meerderheid en verschaften het meeste geld. De anderen brachten hun relaties en invloed bij de Staten van Holland in. Het waren de Staten die in mei 1607 behalve vergunning (octrooi) voor het project ook een aantal belangrijke fiscale gunsten verleenden.

Puissant rijk
Onder de Amsterdammers van de Beemster Compagnie gold koopman Dirk van Os als de drijvende kracht achter de plannen. Bij de eerste intekening op 9 juli 1607 stelde hij zich samen met zijn broer Hendrik garant voor 1600 van de 4760 morgens in te dijken land die toen werden verdeeld (1 morgen is ongeveer 0,85 hectare). De zes stadgenoten van de gebroeders Van Os tekenden ook voor veel land in en gezamenlijk namen de Amsterdammers zo’n zeventig procent van de toen verdeelde grond voor hun rekening. De kosten van de onderneming zouden worden omgeslagen naar evenredigheid van ieders aandeel. Het bleef overigens niet bij deze eerste verdeling van 4760 morgens onder de initiatiefnemers. De totale oppervlakte aan bruikbare grond die de Beemster zou opleveren werd geschat op zo’n 7500 morgens en buitenstaanders konden zich inschrijven voor wat daarvan na de eerste verdeling nog over was. Ook onder deze latere intekenaren waren Amsterdammers goed vertegenwoordigd.
De acht Amsterdamse initiatiefnemers hadden met elkaar gemeen dat ze puissant rijk, zeer machtig of allebei tegelijk waren. De gebroeders Dirk en Hendrik van Os (samen dus 1600 morgens) stuurden hun schepen naar Rusland en het Middellandse-Zeegebied. Ze stonden aan de wieg van de Verenigde Oostindische Compagnie, waarin ze ook een groot financieel aandeel hadden. Ze waren behalve rijk opvallend ondernemend en niet wars van risico. Twee andere broers die deelnamen in de Beemster waren Arent en Jan ten Grotenhuys (samen 575 morgens). Ook zij dreven handel tot in de verre uithoeken van de toen bekende wereld, namen deel in de VOC en vervulden hoge functies in het bestuur van de stad.
Jacob Poppen (450 morgens) was de rijkste man van Amsterdam. Zijn vermogen werd bij zijn overlijden in 1624 gesteld op 920 duizend gulden, waarvan meer dan de helft belegd in grond in de Beemster. Poppen was drie keer achtereen burgemeester. Jan Claasz Crook (400 morgens) was een zeer rijke Amsterdamse goudsmid en deelhebber in de VOC. Pieter Boom (250 morgens) was behalve succesvol koopman ook een aantal malen burgemeester. Barthout Cromhout (100 morgens) ten slotte was ook al een vooraanstaand lid van het Amsterdamse regentenpatriciaat. Hij werd berucht door zijn grondspeculatie bij de stadsuitleg van 1612 (de uitbreiding van Amsterdam met de grachtengordel).
Grond was in deze jaren van economische expansie een schaars goed en door de prijsstijging kon er veel op worden verdiend. In de handelsstad Amsterdam werden enorme winsten gemaakt en de behoefte die duurzaam te beleggen leidde haast vanzelf naar onroerend goed, grondaankoop en uiteindelijk ook landwinning. In Noord-Holland tekenden vooral Amsterdamse particuliere beleggers na de Zijpepolder (droog in 1597) voor een lange reeks droogmakerijen, waarvan de Wieringerwaard (1611), de Beemster (1612), de Purmer (1622), de Wormer (1622), de Heerhugowaard (1630) en de Schermer (1635) de belangrijkste waren.
Bij de bedijking van de Beemster waren de leden van de Compagnie bedacht op de gevaren van grondspeculatie en legden deze nadrukkelijk aan banden. Als buitenstaanders te veel land tegelijk op de markt zouden brengen, kon dit tot prijsdaling leiden wat men uiteraard wilde voorkomen. Daarom hielden de heren alles zoveel mogelijk in eigen hand. Toch is juist door henzelf nog tijdens de inpolderingswerkzaamheden gehandeld in “gronden onder water”. Vanzelfsprekend konden uitstekende prijzen gemaakt worden voor de drooggelegde grond.

Vette ossen
In meerdere opzichten legde de droogmakerij de initiatiefnemers geen windeieren. Als ze zelf boerenbedrijven opzetten, konden ze profiteren van de goed renderende landbouw met “vette ossen, koeien en schapen”, alsmede “overvloedig veel boter en kaas”, aldus Leeghwater. Bij de verkoop van gronden konden ze een stevige winstmarge incasseren, want zelf hadden ze de zaak voor een appel en een ei gekregen. In het octrooi waren namelijk aan de bedijkers allerlei gunsten toegezegd door de Staten van Holland, die later nog zouden worden uitgebreid.
Belangrijk was dat de grond voor vele jaren na de drooglegging vrij zou zijn van verschillende belastingen. Verder hoefden de bedijkers maar een uiterst geringe vergoeding te betalen voor de rechten op het deel van de Beemstergronden dat in eigendom was van de Staten van Holland (ongeveer driekwart van het totaal). Bovendien werden geen problemen gemaakt over de rechten op de overige Beemstergronden, die eigendom waren van de adellijke familie Van Arenberg maar door de Staten verbeurd waren verklaard, omdat deze familie in de oorlog tegen Spanje de kant van de vijand had gekozen. De twijfelachtige regeling die de bedijkers hadden getroffen met een vertegenwoordiger van de familie, zou later nog leiden tot complicaties over de status van deze ‘Arenberger-gronden’. Vooral met deze grond werd tijdens de bedijkingswerkzaamheden al gespeculeerd.
De coulante afhandeling van de octrooi-aanvraag in Den Haag doet iets vermoeden over het werk dat achter de schermen was verricht door de niet-Amsterdamse leden van de Beemster Compagnie. Dit zevental bestond uit Nicolaas Cromhout (broer van Barthout, raadsheer bij het Hof van Holland), Jan Buijes (ook raadsheer bij het Hof), Rombout Hogerbeets en Jan van Santen (beiden lid van de Hoge Raad), Johan Basius (lid van de Rekenkamer van Holland), Adriaan Teding van Berkhout (stadspensionaris van Monnickendam en later ook raadsheer bij het Hof van Holland) en Elias van Oldenbarnevelt (broer van landsadvocaat Johan van Oldenbarnevelt). Laatstgenoemde nam de octrooi-aanvraag op 9 mei 1607 persoonlijk in ontvangst en twaalf dagen later was alles in kannen en kruiken.
“Naderhand heeft de Almogende God de Beemster van alles zo overvloedig gezegend, dat het nu genoegzaam het grootste lusthof van Noord-Holland is, zo in weiden, bouwlanden, boomgaarden, huizen ende lusthoven.” Leeghwater wordt in zijn Haarlemmeermeerboek niet moe van het bezingen van de lof van de Beemster en het waren de prachtige buitenhuizen die de meeste aandacht trokken. Vooral aan de Volgerweg – vlakbij Purmerend – stak men elkaar de loef af in pracht, praal en toepassing van de laatste inzichten op het gebied van bouwkunst en tuinaanleg.

Perfect geometrisch
Deze paleizen in de modderige polder kregen voor de tijdgenoot een extra allure dankzij het bijzondere, door mensenhand ontworpen landschap waarin ze waren neergezet. Wie een kaart van de droogmakerij bekijkt, wordt nog steeds getroffen door de opvallend symmetrische verkaveling waarbij ernaar gestreefd is het nieuwe land zoveel mogelijk op te delen in zuivere vierkanten. Ook in andere polders kom je een rechthoekige indeling tegen, maar nergens lijken de principes van de rechte lijn en de gelijkzijdigheid zo consequent te zijn toegepast als hier. De verkaveling van de Beemster werd gerealiseerd volgens beginselen die in de Renaissancetijd werden voorgeschreven door vooraanstaande Italiaanse bouwmeesters en in de 17de eeuw ook in de Lage Landen opgang maakten. Dezelfde principes zijn overigens – in minder zuivere vorm toegepast – ook terug te vinden in de Amsterdamse grachtengordel, die tot stand kwam in dezelfde periode. Een vermaarde landmeter en kaartenmaker als Lucas Jansz Sinck was in 1612 betrokken bij de inrichting van zowel de Amsterdamse grachtengordel als de Beemster.
Waarom hebben Amsterdamse kooplieden de Beemster drooggelegd? In de vergunning die ze in mei 1607 kregen, was sprake van het goede werk dat werd verricht door “van water land te maken tot voedsel, bewoning en dienst der mensen”. Hoewel het maatschappelijk nut van de droogmaking niet onderschat moet worden, mogen we intussen toch wel aannemen dat het de heren in eerste instantie te doen was om eigenbelang. Niet alleen vonden ze zo een profijtelijke belegging voor hun enorme kapitalen, maar bovendien konden ze voor zichzelf in het nieuwe land buitenplaatsen laten ontwerpen met wandeldreven en prieeltjes.
Zo leverden Amsterdammers in de 17de eeuw een doorslaggevende bijdrage aan het tot stand komen van de Beemster en hun nakomelingen kunnen nog steeds van hun werk genieten. “Wie Holland op zijn mooist wil leren kennen, moet van de Rijp door de Beemster naar Purmerend gaan,” lezen we in de Rijper Zeepostil (1669), een godvruchtige almanak voor zeevarenden. De hier aanbevolen wandeling leidde in de 17de eeuw via Rijperweg, Middenweg en Volgerweg behalve door een perfect geometrisch landschap langs indrukwekkende herenboerderijen en prachtige buitenhuizen van Amsterdammers. Maar vandaag de dag is er van de ruim vijftig buitens die de Beemster ooit telde, niet één meer terug te vinden. Rond 1800 maakte Nederland een economische terugval door, waardoor veel landgoedeigenaren hun bezit moesten verkopen. Boeren kochten deze gronden op en maakten zowel de buitenplaats als de ooit zo fraaie tuinaanleg met de grond gelijk.
Gebleven echter is het bijzondere landschap van de Beemster. Deze als typisch Hollands ervaren verkaveling is nu een van de belangrijkste toeristische troeven van de Beemsterpolder, die inmiddels de status heeft van Werelderfgoed van de Unesco. Voor diezelfde onderscheiding is de Amsterdamse grachtengordel momenteel ook genomineerd. Als het er onverhoopt niet van komt, kan de stad toch een beetje delen in de eer van de Beemster. Zonder Amsterdam was de polder er met zijn unieke kavelpatroon vast niet in deze vorm gekomen. Met dank aan de Edele Heren Bedijkers.