Nummer 4: April 2007



400 jaar Beemster
Amsterdamse investeerders boekten forse winsten
Tekst: Niels Wisman

042007_BeemsterOp 21 mei 2007 is het vierhonderd jaar geleden dat een groep hoofdzakelijk Amsterdamse investeerders vergunning kreeg de uitgestrekte watervlakte van de Beemster droog te maken. Nog jarenlang drukten Amsterdamse kooplieden als bestuurders, grondbezitters en bewoners van prestigieuze buitenverblijven hun stempel op het leven in de polder.

De Beemster is zeker niet het enige 17de-eeuwse landwinningsproject waar Amsterdammers bij betrokken waren. Maar het is wel een van de eerste, grootste en bekendste. Na vijf jaar bedijkingswerkzaamheden kwam het nieuwe Noord-Hollandse land in het voorjaar van 1612 gereed. Al van drie jaar later dateert de eerste vermelding van een landhuis, waarvan er nog vele zouden volgen. “Hier jaagt de windhond ’t wild, hier rijdt de koets uit spelen, men danst, men banketteert in ’s koopmans rijke buurt, hier lacht de goude tijd, in lieve lustprieelen.” Zo beschreef Joost van den Vondel in 1644 de Amsterdamse koopman die zich amuseerde in een paradijs dat hij voor zichzelf uit het water had geschapen. Het gedicht was opgedragen aan Vondels stadgenoot Carel Looten en handelde over het leven op diens buitenhuis aan de Volgerweg in de Beemster.
Het moet ook voor de tijdgenoot verbijsterend zijn geweest dat het hier bezongen lieve buitenleven zich afspeelde op een plaats waar nog geen halve eeuw voordien het water had gekolkt. Ooit ontstaan als bescheiden veenstroom had de Beemster (oorspronkelijk: Bamestra) zich sinds eeuwen steeds verder uitgebreid en het water was een gestage bedreiging voor het omliggende land geworden. De vroegst bekende plannen voor bedijking dateren al van na de Allerheiligenvloed van 1570, maar pas begin 17de eeuw kwam het ervan.
Dat was te danken aan de “Edele Heren Bedijkers van de Beemster”, zoals de bekende Noord-Hollandse molenbouwer en waterbouwkundige Jan Adriaensz Leeghwater ze noemde in zijn Haarlemmermeerboek (1643). Leeghwater speelde een rol bij de aanleg van de Beemster als opzichter bij het maken en stellen van de 26 molens die het meer moesten droogmalen. Maar anders dan later wel is gesuggereerd, is hij niet verantwoordelijk voor de start ervan. Die eer komt toe aan vijftien machtige heren, die behalve uit Amsterdam vooral uit Den Haag kwamen. De Amsterdammers waren met zijn achten in de meerderheid en verschaften het meeste geld. De anderen brachten hun relaties en invloed bij de Staten van Holland in. Het waren de Staten die in mei 1607 behalve vergunning (octrooi) voor het project ook een aantal belangrijke fiscale gunsten verleenden.

Puissant rijk
Onder de Amsterdammers van de Beemster Compagnie gold koopman Dirk van Os als de drijvende kracht achter de plannen. Bij de eerste intekening op 9 juli 1607 stelde hij zich samen met zijn broer Hendrik garant voor 1600 van de 4760 morgens in te dijken land die toen werden verdeeld (1 morgen is ongeveer 0,85 hectare). De zes stadgenoten van de gebroeders Van Os tekenden ook voor veel land in en gezamenlijk namen de Amsterdammers zo’n zeventig procent van de toen verdeelde grond voor hun rekening. De kosten van de onderneming zouden worden omgeslagen naar evenredigheid van ieders aandeel. Het bleef overigens niet bij deze eerste verdeling van 4760 morgens onder de initiatiefnemers. De totale oppervlakte aan bruikbare grond die de Beemster zou opleveren werd geschat op zo’n 7500 morgens en buitenstaanders konden zich inschrijven voor wat daarvan na de eerste verdeling nog over was. Ook onder deze latere intekenaren waren Amsterdammers goed vertegenwoordigd.
De acht Amsterdamse initiatiefnemers hadden met elkaar gemeen dat ze puissant rijk, zeer machtig of allebei tegelijk waren. De gebroeders Dirk en Hendrik van Os (samen dus 1600 morgens) stuurden hun schepen naar Rusland en het Middellandse-Zeegebied. Ze stonden aan de wieg van de Verenigde Oostindische Compagnie, waarin ze ook een groot financieel aandeel hadden. Ze waren behalve rijk opvallend ondernemend en niet wars van risico. Twee andere broers die deelnamen in de Beemster waren Arent en Jan ten Grotenhuys (samen 575 morgens). Ook zij dreven handel tot in de verre uithoeken van de toen bekende wereld, namen deel in de VOC en vervulden hoge functies in het bestuur van de stad.
Jacob Poppen (450 morgens) was de rijkste man van Amsterdam. Zijn vermogen werd bij zijn overlijden in 1624 gesteld op 920 duizend gulden, waarvan meer dan de helft belegd in grond in de Beemster. Poppen was drie keer achtereen burgemeester. Jan Claasz Crook (400 morgens) was een zeer rijke Amsterdamse goudsmid en deelhebber in de VOC. Pieter Boom (250 morgens) was behalve succesvol koopman ook een aantal malen burgemeester. Barthout Cromhout (100 morgens) ten slotte was ook al een vooraanstaand lid van het Amsterdamse regentenpatriciaat. Hij werd berucht door zijn grondspeculatie bij de stadsuitleg van 1612 (de uitbreiding van Amsterdam met de grachtengordel).
Grond was in deze jaren van economische expansie een schaars goed en door de prijsstijging kon er veel op worden verdiend. In de handelsstad Amsterdam werden enorme winsten gemaakt en de behoefte die duurzaam te beleggen leidde haast vanzelf naar onroerend goed, grondaankoop en uiteindelijk ook landwinning. In Noord-Holland tekenden vooral Amsterdamse particuliere beleggers na de Zijpepolder (droog in 1597) voor een lange reeks droogmakerijen, waarvan de Wieringerwaard (1611), de Beemster (1612), de Purmer (1622), de Wormer (1622), de Heerhugowaard (1630) en de Schermer (1635) de belangrijkste waren.
Bij de bedijking van de Beemster waren de leden van de Compagnie bedacht op de gevaren van grondspeculatie en legden deze nadrukkelijk aan banden. Als buitenstaanders te veel land tegelijk op de markt zouden brengen, kon dit tot prijsdaling leiden wat men uiteraard wilde voorkomen. Daarom hielden de heren alles zoveel mogelijk in eigen hand. Toch is juist door henzelf nog tijdens de inpolderingswerkzaamheden gehandeld in “gronden onder water”. Vanzelfsprekend konden uitstekende prijzen gemaakt worden voor de drooggelegde grond.

Vette ossen
In meerdere opzichten legde de droogmakerij de initiatiefnemers geen windeieren. Als ze zelf boerenbedrijven opzetten, konden ze profiteren van de goed renderende landbouw met “vette ossen, koeien en schapen”, alsmede “overvloedig veel boter en kaas”, aldus Leeghwater. Bij de verkoop van gronden konden ze een stevige winstmarge incasseren, want zelf hadden ze de zaak voor een appel en een ei gekregen. In het octrooi waren namelijk aan de bedijkers allerlei gunsten toegezegd door de Staten van Holland, die later nog zouden worden uitgebreid.
Belangrijk was dat de grond voor vele jaren na de drooglegging vrij zou zijn van verschillende belastingen. Verder hoefden de bedijkers maar een uiterst geringe vergoeding te betalen voor de rechten op het deel van de Beemstergronden dat in eigendom was van de Staten van Holland (ongeveer driekwart van het totaal). Bovendien werden geen problemen gemaakt over de rechten op de overige Beemstergronden, die eigendom waren van de adellijke familie Van Arenberg maar door de Staten verbeurd waren verklaard, omdat deze familie in de oorlog tegen Spanje de kant van de vijand had gekozen. De twijfelachtige regeling die de bedijkers hadden getroffen met een vertegenwoordiger van de familie, zou later nog leiden tot complicaties over de status van deze ‘Arenberger-gronden’. Vooral met deze grond werd tijdens de bedijkingswerkzaamheden al gespeculeerd.
De coulante afhandeling van de octrooi-aanvraag in Den Haag doet iets vermoeden over het werk dat achter de schermen was verricht door de niet-Amsterdamse leden van de Beemster Compagnie. Dit zevental bestond uit Nicolaas Cromhout (broer van Barthout, raadsheer bij het Hof van Holland), Jan Buijes (ook raadsheer bij het Hof), Rombout Hogerbeets en Jan van Santen (beiden lid van de Hoge Raad), Johan Basius (lid van de Rekenkamer van Holland), Adriaan Teding van Berkhout (stadspensionaris van Monnickendam en later ook raadsheer bij het Hof van Holland) en Elias van Oldenbarnevelt (broer van landsadvocaat Johan van Oldenbarnevelt). Laatstgenoemde nam de octrooi-aanvraag op 9 mei 1607 persoonlijk in ontvangst en twaalf dagen later was alles in kannen en kruiken.
“Naderhand heeft de Almogende God de Beemster van alles zo overvloedig gezegend, dat het nu genoegzaam het grootste lusthof van Noord-Holland is, zo in weiden, bouwlanden, boomgaarden, huizen ende lusthoven.” Leeghwater wordt in zijn Haarlemmeermeerboek niet moe van het bezingen van de lof van de Beemster en het waren de prachtige buitenhuizen die de meeste aandacht trokken. Vooral aan de Volgerweg – vlakbij Purmerend – stak men elkaar de loef af in pracht, praal en toepassing van de laatste inzichten op het gebied van bouwkunst en tuinaanleg.

Perfect geometrisch
Deze paleizen in de modderige polder kregen voor de tijdgenoot een extra allure dankzij het bijzondere, door mensenhand ontworpen landschap waarin ze waren neergezet. Wie een kaart van de droogmakerij bekijkt, wordt nog steeds getroffen door de opvallend symmetrische verkaveling waarbij ernaar gestreefd is het nieuwe land zoveel mogelijk op te delen in zuivere vierkanten. Ook in andere polders kom je een rechthoekige indeling tegen, maar nergens lijken de principes van de rechte lijn en de gelijkzijdigheid zo consequent te zijn toegepast als hier. De verkaveling van de Beemster werd gerealiseerd volgens beginselen die in de Renaissancetijd werden voorgeschreven door vooraanstaande Italiaanse bouwmeesters en in de 17de eeuw ook in de Lage Landen opgang maakten. Dezelfde principes zijn overigens – in minder zuivere vorm toegepast – ook terug te vinden in de Amsterdamse grachtengordel, die tot stand kwam in dezelfde periode. Een vermaarde landmeter en kaartenmaker als Lucas Jansz Sinck was in 1612 betrokken bij de inrichting van zowel de Amsterdamse grachtengordel als de Beemster.
Waarom hebben Amsterdamse kooplieden de Beemster drooggelegd? In de vergunning die ze in mei 1607 kregen, was sprake van het goede werk dat werd verricht door “van water land te maken tot voedsel, bewoning en dienst der mensen”. Hoewel het maatschappelijk nut van de droogmaking niet onderschat moet worden, mogen we intussen toch wel aannemen dat het de heren in eerste instantie te doen was om eigenbelang. Niet alleen vonden ze zo een profijtelijke belegging voor hun enorme kapitalen, maar bovendien konden ze voor zichzelf in het nieuwe land buitenplaatsen laten ontwerpen met wandeldreven en prieeltjes.
Zo leverden Amsterdammers in de 17de eeuw een doorslaggevende bijdrage aan het tot stand komen van de Beemster en hun nakomelingen kunnen nog steeds van hun werk genieten. “Wie Holland op zijn mooist wil leren kennen, moet van de Rijp door de Beemster naar Purmerend gaan,” lezen we in de Rijper Zeepostil (1669), een godvruchtige almanak voor zeevarenden. De hier aanbevolen wandeling leidde in de 17de eeuw via Rijperweg, Middenweg en Volgerweg behalve door een perfect geometrisch landschap langs indrukwekkende herenboerderijen en prachtige buitenhuizen van Amsterdammers. Maar vandaag de dag is er van de ruim vijftig buitens die de Beemster ooit telde, niet één meer terug te vinden. Rond 1800 maakte Nederland een economische terugval door, waardoor veel landgoedeigenaren hun bezit moesten verkopen. Boeren kochten deze gronden op en maakten zowel de buitenplaats als de ooit zo fraaie tuinaanleg met de grond gelijk.
Gebleven echter is het bijzondere landschap van de Beemster. Deze als typisch Hollands ervaren verkaveling is nu een van de belangrijkste toeristische troeven van de Beemsterpolder, die inmiddels de status heeft van Werelderfgoed van de Unesco. Voor diezelfde onderscheiding is de Amsterdamse grachtengordel momenteel ook genomineerd. Als het er onverhoopt niet van komt, kan de stad toch een beetje delen in de eer van de Beemster. Zonder Amsterdam was de polder er met zijn unieke kavelpatroon vast niet in deze vorm gekomen. Met dank aan de Edele Heren Bedijkers.