Nummer 4: April 2007



Rondvliegende stoeptegels en brandende barricaden
Koninginnedag in roerige tijden
Tekst: Theo E. Korthals Altes

042007_Oranje_ComiteKoninginnedag in Amsterdam is nu zo vredig, waar was vroeger het toneel van felle straatgevechten. Rond 1970 bereikten de jaarlijkse rellen een climax. In het Oranje Comité, toch een verzameling gesettelde heren, wist men de psyche van de jongeren te doorgronden. Dankzij hun ingenieuze plan was er in 1971 geen vuiltje meer aan de lucht.

“Na jaren eindelijk een Koninginnedag zonder ongeregeldheden in de Amsterdamse binnenstad. Geen charges, wegvluchtende wandelaars, ingegooide ruiten of brandende barricaden. De Dam en omgeving hadden zowaar een gezellige sfeer. Zonder daar veel ruchtbaarheid aan te geven was een uitvoerig plan de campagne gemaakt om ongeregeldheden te voorkomen. De politie manifesteerde zich niet provocerend. De paraat gehouden mobiele eenheid was aan het oog onttrokken; er was vrijwel uitsluitend soepel reagerend Amsterdams personeel op de been gebracht.”
Aldus een commentaar in Het Parool van 1 mei 1971, dat eindigde met een compliment aan het gemeentebestuur en de politie. De werkelijke hoofdrolspeler was daarmee echter niet genoemd. Niemand heeft ooit enig vermoeden gehad van de sleutelrol van het Oranje Comité, waarvan mijn vader toen voorzitter was. Zelf vond dit bedaagde gezelschap het raadzaam op de achtergrond te blijven.
Het wás inderdaad in alle opzichten onverwachts, de omslag die het comité in 1971 wist te bewerkstelligen. In de tweede helft van de jaren zestig werd Amsterdam juist bij gelegenheden die volgens de autoriteiten feestelijk hadden moeten zijn, geplaagd door hevige rellen. Koninginnedag trof geen beter lot. Dit bezorgde de gevestigde orde flinke kopzorgen. Beelden uit die tijd laten zien hoe de autoriteiten volslagen desperaat en totaal ineffectief reageerden, in feite met dezelfde bruutheid die zij juist wilden indammen.
De provocaties waaraan menigeen van mijn eigen generatie zulke vrolijke herinneringen bewaart, waren voor de generatie van mijn ouders een verschrikkelijke klap in het gezicht. Met geen mogelijkheid konden zij deze losgeslagen boel opvatten als een uitnodiging om de jeugd of hun nieuwe tijd beter te leren begrijpen. Integendeel, alles moest in het werk worden gesteld om het ‘langharig werkschuw tuig’ terug in het hok te krijgen, laat staan dat men wilde ingaan op de roep om inspraak en meer democratie. Die verbeelding kwam pas later aan de macht. Het heeft de keurige en ook zeer vriendelijke burgemeester Gijs van Hall, ooit binnengehaald als representant van het verzet in oorlogstijd, uiteindelijk zijn kop gekost, en in zekere zin werd het de nederlaag van al zijn keurige stedelijke soortgenoten. Daarmee kwam ook een einde aan de overheersend deftige tongval van het Amsterdamse stadsbestuur.

Potsierlijk gezag
Mijn vader, Philip John Korthals Altes (1922-2000), die geen stadsbestuurder was maar zelfstandig zakenman in het hart van de stad aan het Spui, bleef in deze tumultueuze periode grotendeels onverstoord. Bovendien stond hij ervoor een gezin met zes opgroeiende kinderen draaiende te houden, dus erg veel tijd om zich druk te maken over rellen en vernielingen had hij niet, zelfs niet toen zij ongeveer tot onder het raam van zijn werkkamer aan het Spui waren genaderd. Toch ging de ontwikkeling hem wel aan het hart. En zijn hart was van hetzelfde type dat ook klopte in het fameuze standbeeld aan het Spui, het hart van het Lieverdje – waarop hij dagelijks uitkeek. Intuïtief besefte hij dat een hardhandige, autoritaire reactie op de provocaties alleen maar averechts kon werken. Desondanks ergerde hij zich natuurlijk wild, om het in zijn eigen termen te zeggen, aan de toeslaande wanorde en het gebrek aan wellevendheid van grote horden jongelingen en hun ophitsers in zijn stad.
Het Amsterdam dat hij had geërfd was toch – “verdraaid nog an toe” – de stad van vrijheid: vrijheid van beweging, vrijheid van meningsuiting, vrijheid ook om in opstand te komen, jazeker, maar dan wel voor goed onderbouwde zaken, zoals die er in de loop van de eeuwen met regelmaat waren geweest, bijvoorbeeld tegen het opdringende bevoegde gezag van een jonge onervaren stadhouder Willem II van Oranje die in 1650 zijn maat niet had geweten, of de rellen in de Jordaan, het fameuze Palingoproer, aan het eind van de 19de eeuw, waarbij de gemeente in veler ogen terecht werd gezien als de grote spelbreker, en natuurlijk ook het oorlogsverzet. Men zou toch denken dat die voorgeschiedenis in de sterk vrijzinnige tradities waarin ook nette Amsterdammers waren opgegroeid, ten minste tot enige natuurlijke sympathie zou leiden met jongelui die de potsierlijkheid van het gezag wilden tarten. Maar naar veler gevoel waren de jongeren te ver doorgeslagen, vooral in de vormen die zij hanteerden.
Tekenend is het volgende citaat van mijn vader uit zijn in 1996 opgetekende herinneringen aan 25 jaar voorzitterschap van het Oranje Comité. “In onze jonge jaren zijn we allemaal, net als de jeugd van tegenwoordig, enige tijd in opstand geweest tegen onze ouders. Het was vroeger echter zo dat er met die ouders altijd gemeenschappelijke vijanden waren (de werkloosheid in de crsisjaren, de nazi’s enz.), zodat je in de confrontatie met je ouders immer kon komen tot een werkbaar compromis. Dat veranderde in de jaren zestig toen al die duidelijk gemeenschappelijke vijanden waren opgekrast en de oudere generatie te maken kreeg met de meest onbegrijpelijke, vaak tegenstrijdige protesten, waarbij bovendien de vormen niet meer in acht werden genomen. Dit laatste vooral is heel onverstandig. Ik heb me vaak verzet tegen de inhoud van wat mensen beweerden en elkaar napraatten, maar heb er dan wel voor gezorgd dat ik dat in een net pak en in gepolijst Nederlands bracht, zodat ze me nooit op de vorm konden vangen.”

Herrie tegen herrie
In deze geestesgesteldheid nam mijn vader in het najaar van 1970 de voorzittersrol op zich van het Oranje Comité, met als voornaamste opgave het barre tij van vernielingen op Koninginnedag te keren. In het comité hadden tal van notabelen zitting, onder wie ook de hoofdcommissaris van politie.
In zijn terugblik onthulde mijn vader dat de analyse van politiepsycholoog Fris, die een verhandeling was komen geven voor het comité, voor hen het ei van Columbus was geweest. Volgens Fris heb je altijd een harde kern van onruststokers, dat is nu eenmaal een gegeven. Veel belangrijker is de grote groep die daaromheen zit: de jongeren die mee gaan doen met beginnende relletjes. Zij komen pas echt op stoom als er toeschouwers zijn, ze doen het voor die kick. Zonder publiek is voor hen de lol er gauw af. Het is dus cruciaal, aldus politiepsycholoog Fris, om te zorgen dat er geen publiek op beginnende relletjes afkomt. Daarvoor is het nodig dat de politie tactvol reageert op provocaties – iets waar het tot die tijd bepaald aan ontbrak. Bovendien moet het publiek de handen vol hebben aan andere zaken.
Vooral die laatste raad nam mijn vader zich ter harte. Vandaag de dag is het nauwelijks meer voorstelbaar, maar de hele oranje-mikmak van nu met gek uitgedoste mensen, fluitspelende kinderen, tafeltjes met vreemdsoortige etenswaren en de eindeloze vrijmarkt, was er toen nog helemaal niet. Dat werd dus het eerste actiepunt: het tevoorschijn toveren van zoveel mogelijk onschuldig feestende mensen. In de kern kwam de aanpak van mijn vader erop neer dat hij iedereen wilde mobiliseren – iedereen, met elke denkbare feestelijkheid en elk denkbaar spelletje – om de Dam te bezetten, volledig en volkomen vrij van doorgaand verkeer.
“Laten we het eens één keer proberen, om te bewijzen dat het kan,” zei hij in een van zijn eerste comitévergaderingen, nog enigszins vervuld van onzekerheid over de medewerking die hij hiervoor van alle betrokken instanties zou krijgen. Bij voorkeur zou het één nationaal feest moeten worden op het ene nationale plein. Hij vulde dit onmiddellijk aan met de aanwijzing dat hij er daarbij niet op uit was om het Oranjehuis centraal te stellen. Daar ging het niet om. Bovendien, dat deed de koningin toch zelf, bij haar thuis op Soestdijk. “Doel is vooral de leegte op ons nationale plein, de Dam, te vullen; op nationale schaal, met een feest dat gedragen wordt door het hele land. We moeten Koninginnedag verkopen, niet het Oranjehuis.”
Mijn vader mocht dan enigszins van de oude stempel zijn, de activiteiten die hij bedacht waren zeker niet belegen. In zijn terugblik schreef hij ironisch: “In die tijd van de opkomst van de verdovende middelen hebben we een van de ergste van die middelen gebruikt om het publiek te binden: de popmuziek, er aldus in slagende om herrie met herrie te bestrijden.” Zo werd het popfestival op de Dam geboren. Het zou nog tot 1979 daar plaatsvinden en toverde het eertijdse centrum van de rellen om tot een vredige plek waar veel publiek op afkwam.

Klaagmuur
En zo werkte het Comité, dat vaak bij ons thuis aan de Oranje Nassaulaan of in het kantoor van mijn vader aan het Spui vergaderde, de formule voor integrale feestelijkheden met grote ijver en toewijding uit – de hele potpourri van kinderwedstrijden, amateurvoorstellingen, sportvermaak, de vrijmarkt en alle andere ingrediënten van Koninginnedag zoals we die nu kennen. Regelmatig zaten wij in die tijd thuis met ons gezin over de eettafel met de kaart van het centrum van Amsterdam uitgevouwen het Grand Design van het Oranje Comité kritisch door te nemen op mogelijke verbeteringen en verdere uitbreiding van het concept.
Voor een niet onbelangrijk detail had mijn vader trouwens het koningshuis wel degelijk nodig. Want de “klaagmuur” die het potdichte Paleis op de Dam in zijn ogen was tijdens de feestelijkheden, was hem een doorn in het oog. Er kon niet eens een vlag van worden uitgehangen, want het paleispersoneel had altijd een vrije dag. Hoe te zorgen dat het paleis zijn deuren opende? Mijn vader was het liefst daarvoor zelf afgereisd naar paleis Soestdijk, maar daarvoor ontbrak hem als eenvoudig Oranjecomité-voorzitter het mandaat. Burgemeester Samkalden liet het afweten en zo strandde dit plan.
Maar het feest van verdraagzaamheid en absolute vrijheid zoals mijn vader het in gedachten had, is in alle andere opzichten een succes geworden. Wie de foto’s bekijkt van Koninginnedag in Amsterdam ‘voor en na’ 1971 ziet het grote verschil. In plaats van met charges en rookbommen zijn de foto’s sindsdien enkel nog gevuld met opa’s en oma’s, grote en kleine kinderen, draaimolens en suikerspinnen. In plaats van enkele tienduizenden feestgangers trekken nu jaarlijks op 30 april vele honderdduizenden mensen door de binnenstad.
In de loop der jaren werd Koninginnedag voor mijn vader een aangename routine, eerst van de gedreven zakenman die de openbare orde ging redden, en ten slotte van de vriendelijke oude heer die nog graag het spuitbal kwam openen om aldaar een feestelijke natte broek te halen. Toen hij aftrad als voorzitter van het Oranje Comité Amsterdam, kreeg hij de erepenning van de stad. Het openbare leven was in de ogen van mijn vader en de andere comitéleden het dagelijkse product van de gewone burger zelf en niet van politici of ambtenaren. Het was aan mijn vader niet besteed passief te blijven wachten tot ‘de overheid’ het probleem van de relletjes op Koninginnedag zou oplossen.