Nummer 4: April 2007



Zwarten uit de schaduw
Rembrandt schilderde de eerste zwarte Amsterdammers
Tekst: Ulli Fischer

042007_RembrandtHet Rembrandtjaar is net achter de rug. Toch zijn nog lang niet alle mysteries rond zijn werk ontrafeld. Pas nu krijgt aandacht dat Rembrandt veelvuldig zwarten afbeeldde in zijn werk. De modellen ontleende hij aan zijn eigen buurt, want Amsterdam telde toen al zwarte inwoners. Wie waren zij, waar kwamen zij vandaan?

“Veel mensen denken dat Rembrandt maar twee of drie schilderijen maakte waarop zwarten te zien zijn. Het bekendste van die werken, De twee negers uit ongeveer 1655, hangt in het Haagse Mauritshuis,” vertelt Elmer Kolfin, kunsthistoricus en verbonden aan de Universiteit van Amsterdam. De twee zwarte mannen zijn gehuld in Romeins aandoende kledij. Wie waren zij? Kolfin kan hier geen eenduidig antwoord op geven. Wel vermoedt hij dat de twee mannen in Amsterdam zijn geschilderd. Nieuw onderzoek heeft namelijk uitgewezen dat de stad al zeker vanaf begin 17de eeuw zwarte inwoners kende.
Kolfin die eerder publiceerde over de verbeelding van de slavernij en zich nu bezighoudt met de verbeelding van zwarte mensen in de Europese kunst en cultuur, heeft het oeuvre van Rembrandt zorgvuldig doorzocht. “Het verbijsterende is dat er niet drie, maar ruim twintig werken zijn waarop zwarten staan afgebeeld. Het lijkt erop dat wij daar al die jaren blind voor waren. Soms staan die zwarten in de schaduw, maar soms ook midden in beeld en toch werd het niet gezien.”
Rembrandt van Rijn (1606-1669) was niet de eerste en ook niet de enige kunstenaar van zijn tijd die zwarten uitbeeldde. De Zuid-Nederlandse schilder Peter Paul Rubens – die door Rembrandt bewonderd werd – maakte rond 1615 een studie van het hoofd van een Afrikaanse man dat vanuit vier gezichtspunten is afgebeeld. En de Duitser Albrecht Dürer had al veel eerder, in 1521 toen hij in de Zuidelijke Nederlanden verbleef, de tekening Portret van Katherina gemaakt. Bekend is dat zij een twintigjarige donkere bediende was die behoorde tot het huishouden van een Portugese koopman in Antwerpen. Volgens Kolfin zijn deze werken nog maar een klein deel van het verhaal. “Vanaf de Middeleeuwen zijn zwarte figuren in ruime mate in de Europese kunst te vinden. Wel zijn het vaak bijfiguren die aan de rand van afbeeldingen staan. Ook zijn het vaak clichématige afbeeldingen.”

Witte negerin
Van veel zwarte bijfiguren weten wij niet of ze zijn gebaseerd op bestaande personen, of dat ze zijn geïnspireerd door verhalen en tekeningen van ontdekkingsreizigers. Ook kwam het voor dat kunstenaars figuren ontleenden aan het werk van voorgangers. Rembrandt deed dit eveneens. Toch is het onwaarschijnlijk dat de zwarte figuren in zijn werk uitsluitend op deze wijze tot stand zijn gekomen. Een vroege ets van Rembrandt wordt traditioneel betiteld als De witte negerin. Dat wil overigens niet zeggen dat zij een albino was; met een lijntechniek is het nu eenmaal moeilijk een donkere huidskleur weer te geven, legt Kolfin uit. “We kunnen aannemen dat deze vrouw echt heeft bestaan, want ook Rembrandts tijdgenoot Jan Lievens heeft haar geschilderd. Rembrandt en Lievens waren bevriend en deelden in hun jonge jaren een atelier in Leiden. Waarschijnlijk gebruikten ze hetzelfde model. Een zwarte vrouw die zij blijkbaar interessant vonden.”
Rembrandt onderscheidt zich van veel andere kunstenaars uit deze periode doordat hij zwarten natuurgetrouw schildert, als bijfiguur, maar soms ook centraal in beeld. Zijn zwarten dragen historische kostuums. Ze beelden de rol uit van koetsier, soldaat, koning of priester, en maken deel uit van een bijbels tafereel of een historische scène. Toch zijn de zwarten in het werk van Rembrandt nooit eerder onderzocht, tot verbazing van Kolfin. Een voorbeeld is de bekende ets De onthoofding van Johannes de Doper. Aan de rand is een jongetje afgebeeld, de beulsknecht. Hij heeft de schotel in zijn handen waarin het hoofd zal worden opgevangen. Niemand heeft ooit opgemerkt dat dit een zwart jongetje is. Dat geen onderzoek is gedaan naar zulk soort figuren in het werk van Rembrandt, wijt Kolfin aan een “gebrek aan belangstelling voor het motief van de zwarte in de kunst”.
Daarin komt nu verandering. Er is sprake van toenemende aandacht voor zwarte geschiedenis. Dienke Hondius, historica aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, benadrukt dat dit een internationale tendens is. “Ook in de ons omringende landen wordt steeds meer onderzoek gedaan naar het lot van de eerste zwarte mensen in Europa. Een onderwerp dat lange tijd weinig aandacht kreeg, omdat het raakt aan de minder fraaie kanten van het koloniale verleden. De eerste Afrikanen die in Noord-Europa arriveerden, waren meestal slaven of ex-slaven. Dat geldt ook voor de eerste zwarte inwoners van Amsterdam, die werden meegenomen door Portugees-joodse kooplieden.” Met de Spaanse verovering van Antwerpen in 1585 vluchtten veel Portugese joden voor de katholieke inquisitie naar Amsterdam. Maar ook voordien al kwamen Portugees-joodse kooplieden naar de opkomende handelsstad, waarbij echter onduidelijk is of zij ook al zwarte bedienden bij zich hadden.
Binnen Noord-Europa was slavernij verboden. De omvangrijke Nederlandse rol in de slavenhandel voltrok zich grotendeels later, tussen 1621 en 1814, en bleef bovendien buiten de grenzen van de Nederlandse Republiek. In Spanje en Portugal echter kwam slavernij wel voor. Toen zwarte slaven in het voetspoor van de Portugees-joodse kooplieden vanaf eind 16de eeuw in Amsterdam belandden, ondernam het stadsbestuur niets om de onvrije relatie van deze zwarte bedienden tot hun meester ter discussie te stellen, te bevestigen of te verbieden. Hondius: “Officieel kon een slaaf na zes maanden zijn vrijheid opeisen en zich vrijkopen. In de praktijk gebeurde dit zelden. De regelgeving was vaag en niet op schrift gesteld. Het houden van slaven werd dus blijkbaar gedoogd in Amsterdam.”

Ruige buurt
We weten dat Rembrandt vaak buurtgenoten als model gebruikte voor zijn schilderijen. Tussen 1639 en 1658, toen hij op het hoogtepunt van zijn roem verkeerde, woonde de schilder in de Sint Anthoniesbreestraat (of kortweg Breestraat) waarvan het zuidelijkste deel toen in de volksmond Jodenbreestraat ging heten. Die nieuwe naam ontstond doordat hier veel Portugese joden woonden – en dus ook zwarte bedienden. Hondius: “Rembrandt hoefde maar zijn deur uit te lopen om een zwarte buurtbewoner tegen het lijf te lopen.”
In de geschiedenisboeken over Amsterdam is weinig te vinden over hoe het de eerste zwarte inwoners van de stad verging. Hondius gaat ervan uit dat er ten tijde van Rembrandt een gemêleerde groep zwarte mensen in Amsterdam woonde. Het waren niet alleen slaven, maar ook vrije zwarte mensen die hun vrijheid hadden opgeëist of waren vrijgelaten door hun meester. Dat laatste gebeurde soms ook bij testament. Ook waren er zwarte echtgenotes van Portugese kooplieden, die zich dan voor hun huwelijk tot het joodse geloof moesten hebben bekeerd.
Hondius heeft in de archieven vermeldingen gevonden van burenruzies en vechtpartijen. In een kelder in de Breestraat woonde in 1632 een groep van zeven vrije zwarten, bestaand uit mannen, vrouwen en kinderen. Een van de vrouwen was aan haar meester in Hamburg ontvlucht. Er waren spanningen tussen deze zwarte bewoners en de Portugese en Hoogduitse joden in de buurt. Uit een notariële akte blijkt dat er sprake was van prostitutie, geweldpleging en diefstal. Hondius: “Het was een ruige buurt in die tijd. Zwarte mannen en vrouwen hadden geen gemakkelijk bestaan. Ze verrichtten ongeschoold en vuil werk om in leven te blijven. De vrije zwarten hielpen elkaar aan contacten en onderdak.”
Een ander gegeven dat Hondius heeft ontdekt, is dat er 400 jaar geleden al wel veel gemengde huwelijken werden gesloten in de koloniën. Hondius: “Ten tijde van de handelscompagnieën zoals de VOC was het beleid om gemengde huwelijken aan te moedigen tussen blanke mannen en inheemse vrouwen. Men dacht dat dit de onderlinge contacten en daarmee de handel ten goede zou komen. Tegelijkertijd was het beleid dat gemengde gezinnen nooit voet op Nederlandse bodem mochten zetten, vaak tot hun verdriet. De Nederlandse bevolking is zo lange tijd kunstmatig wit gehouden. Pas na de Tweede Wereldoorlog is in Nederland een immigratiestroom op gang gekomen vanuit de voormalige koloniën.”

Exotisch attribuut
Ook het onderzoek van historica Lydia Hagoort naar de geschiedenis van de Portugees-Israëlitische begraafplaats Beth Haim in Ouderkerk aan de Amstel heeft bewijs geleverd voor de aanwezigheid van zwarte inwoners van Amsterdam in de vroege 17de eeuw. In de periode 1616-1630 zijn daar negen personen begraven die in de registers als slaaf, zwarte of mulat zijn aangeduid. Maar het kunnen er heel goed meer zijn geweest, want zwarte bedienden werden vaak naamloos begraven, met slechts een houten bordje dat snel verging. Er is tot nu toe maar één graf teruggevonden van een zwarte bediende met een echte grafsteen en gelegen op een prominente plek van de begraafplaats: dat van de “goede bediende Elieser”. Hij was tot het joodse geloof bekeerd en in dienst bij een van de stichters van de begraafplaats. Hagoort: “Wellicht verklaart dit waarom hij als enige zwarte in heel West-Europa in deze periode een grafsteen kreeg.”
Er valt nog heel wat speurwerk te verrichten naar de eerste zwarte inwoners van Amsterdam. Zo zijn er verschillende schilderijen van Amsterdamse families waar zwarte bedienden op staan. Van sommige werken vermoedt Elmer Kolfin dat de zwarte bediende die erop staat een verzinsel is: dat hij is geschilderd als exotisch en statusverhogend attribuut. Maar van andere familieportretten is bijna zeker dat de afgebeelde zwarte bediende echt bestond. Kolfin: “Dat laat zich afleiden uit de kleding die realistisch is voor die tijd en uit de individuele gelaatstrekken. Een voorbeeld is het schilderij van de bruiloft van Willem van Loon en Margaretha Bas in 1637.”
Dienke Hondius duikt de komende jaren in het notariële archief van Amsterdam voor onderzoek. Kunsthistoricus Kolfin adviseert vakgenote Esther Schreuder bij het voorbereiden van een tentoonstelling in De Nieuwe Kerk in 2008 over zwarten op Nederlandse schilderijen van de middeleeuwen tot nu. Hondius verheugt zich erop. Ze hoopt van ieder schilderij te achterhalen wie erop staat. Volgens Schreuder die het initiatief voor de tentoonstelling nam, staan er veel meer zwarten op Nederlandse schilderijen dan iedereen denkt. Bovendien verbinden wij zwarten uit die tijd algauw met slachtofferbeelden. We denken aan slavernij en onderdrukking. In de 17de eeuw en eerder werd volgens Schreuder echter niet in die termen gedacht: “Zwart werd juist vaak met kracht en schoonheid verbonden.”
Sprekend in dat opzicht is een bijzonder werk dat het Rijksmuseum in 2005 aankocht, Portret van een Afrikaanse man, geschilderd door de Haarlemmer Jan Mostaert rond 1520-1530. Voorzover bekend is dit het enige geschilderde portret van een zwarte man uit de Renaissance. In het werk van Rembrandt spelen zwarten een rol als historisch figuur, maar hij heeft nooit een portret gemaakt van een zwarte man of vrouw omwille van de persoon zelf. Portretten waren kostbaar en werden alleen in opdracht van de elite geschilderd. De zwarte man van Mostaert moet dus tot de bovenlaag hebben behoord. Hij is conform de geldende conventies geschilderd. In eigen opdracht of in opdracht van een begunstiger? We weten het niet. Uit zijn rijke kleding, het zwaard in zijn hand, de prachtig versierde beurs en het pelgrimsinsigne op zijn muts is af te leiden dat hij een hoogstaand persoon was die zich in hofkringen bewoog, hoogstwaarschijnlijk in de Zuidelijke Nederlanden. Wie was deze man en hoe kwam hij in Europa? Fascinerende vragen waarop wellicht ooit een antwoord komt.