Nummer 4: April 2007



Een huwelijksadvertentie als begin
Amsterdamse voetstappen van danseres en spionne Mata-Hari
Tekst: Jessica Voeten

042007_Mara_HariMata-Hari, ’s werelds beroemdste femme fatale, woonde in drie perioden van haar enerverende leven in de hoofdstad. Als Margaretha Geertruida Zelle werd ze in 1876 geboren in Leeuwarden en stierf ze in 1917 op een executieterrein buiten Parijs. Als Mata-Hari, de exotische danseres die tijdens de Eerste Wereldoorlog in een web van spionage verzeild raakte en dat met de dood moest bekopen, leeft ze voort.

Zonder de interventie van een journalist met een praktische instelling en een behoorlijke dosis humor was Margaretha Geertruida Zelle, de oudste van de vier kinderen van een apothekersdochter en een verwaande hoedenverkoper in Leeuwarden, nooit uitgegroeid tot de roemruchte Mata-Hari. De opzienbarende levensloop van de vrouw wier goedgekozen pseudoniem het internationale zinnebeeld werd voor femme fatale, begon niet in 1905 met haar gewaagde debuut als exotische danseres in de salons van Parijs, maar tien jaar daarvoor op de burelen van het Nieuws van den Dag op de Nieuwezijds Voorburgwal in Amsterdam.
Op zoek naar welingelichte bronnen over schermutselingen op het eiland Lombok was Jan François Leopold de Balbian Verster, verslaggever met als specialiteit Nederlands-Indië, in de loop van 1894 in contact gekomen met een kapitein van het Oost-Indische Leger, die na een lang en slopend verblijf in de kolonie tijdens zijn verlof weer op krachten probeerde te raken. Hij ontmoette deze Rudolph MacLeod, John voor zijn intimi, regelmatig in het American Hotel aan het Leidseplein. Na een van die bijeenkomsten, waarop de kapitein zich had beklaagd over zijn vrijgezellenbestaan, nam De Balbian Verster de vrijheid een huwelijksadvertentie te plaatsen.
De ene na de andere “beschaafde jonge dame, met vriendelijk uiterlijk en zacht karakter”, zoals de advertentie het had geformuleerd, stuurde een brief onder nummer naar de krant. Sommigen beschikten zelfs over “eenig fortuin”, zoals gewenst, maar MacLeod vond de practical joke van zijn nieuwe vriend allesbehalve amusant. Tot hij de brief onder ogen kreeg van een 18-jarige uit Den Haag. Ze had een foto bijgesloten.

Verzot op uniformen
Margaretha woonde bij haar oom Pieter en tante Geertruida Taconis-Zelle aan de Haagse Koningin Emmakade. Haar opleiding aan de kweekschool in Leiden was voortijdig geëindigd toen de directeur van de school, Wybrandus Haanstra, een vooruitstrevend pedagoog die in Nederland het fröbelen introduceerde, meer aandacht aan zijn leerlinge besteedde dan gepermitteerd. Margaretha, lang en aantrekkelijk en verzot op mooie kleren, was al sinds haar veertiende, toen haar moeder was gestorven, uit huis.
Haar vader Adam Zelle had na zijn faillissement en echtscheiding de wijk genomen naar Amsterdam en trouwde er met een weduwe die een zoon had. De opvoeding van zijn eigen dochter en drie zoons liet hij over aan familieleden. De vier kinderen hebben nooit meer bijeen gewoond en het lijkt erop dat Johannes en de tweeling Cornelis en Arie hun zuster zelden of nooit meer hebben gezien. Cornelis woonde in Amsterdam, in de Derde Weteringdwarsstraat 5. Op het moment dat zijn zuster reflecteerde op de advertentie, was hij bediende in een sigarenwinkel.
Margaretha had andere aspiraties. Later heeft ze verklaard dat het in Scheveningen was dat ze verslingerd raakte aan uniformen, of beter: aan mannen in uniform. Officieren met verlof uit Indië waren er bij de vleet. Misschien dat ze daarom de kolommen van het Nieuws van den Dag spelde: de meeste huwelijksadvertenties waren afkomstig van officieren of rijksambtenaren, vaak op verlof in het moederland. Diversen trouwden ‘met de handschoen’: de bruid leerde haar echtgenoot pas in Indië kennen. Een enkeling gaf hoog op van een gunstig uiterlijk, een schitterende carrière, of een ruim traktement. Bij de MacLeods, een familie van aanzien, was Margaretha aan het goede adres. Rudolphs vader John Brienen MacLeod was kapitein geweest, een oom generaal-majoor en een andere oom vice-admiraal.

Verrukkelijke meid
Volgens De Balbian Verster, die vele jaren later over zijn uit de hand gelopen grap vertelde aan Mata-Hari’s biograaf Sam Waagenaar, vond de 39-jarige kapitein de kandidate “een verrukkelijke meid”. De journalist adviseerde een ontmoeting in het Rijksmuseum. Na enig uitstel vanwege MacLeods reumatiek hebben ze elkaar daar voor het eerst gezien op 24 maart 1895, een zondag. Ze hebben geflaneerd en geflirt, rijtoertjes gemaakt en hevig en heftig gecorrespondeerd. Het gedrukte kaartje met het heugelijke feit van hun verloving dateert van zes dagen later.
MacLeod woonde toen nog op de P.C. Hooftstraat 140, vlakbij de Van Baerlestraat, maar kort daarna verhuisde hij naar de Leidsekade 79, het adres van zijn jongere zuster Jeanne, een weduwe met twee dochters. Hun moeder, eveneens weduwe, woonde bij hen in. De ringregisters tonen aan dat Margaretha een kleine maand voor het huwelijk al op dit adres werd ingeschreven, op 17 juni.
Het huwelijk werd voltrokken op 11 juli. Als getuigen tekenden naast twee collega-militairen van MacLeod ook De Balbian Verster en de uitgever H.J.W. Becht, wiens zoon en opvolger later een biografie van Mata-Hari zou publiceren. De vader van de bruid die, net als de minister van Koloniën, toestemming moest verlenen, had zijn eisen gesteld. Woonachtig in de groezelige Lange Leidsedwarsstraat 148-1, verlangde hij dat het aanstaande bruidspaar hem per landauer in plaats van in een gewoon rijtuig kwam bezoeken. Een tafereel dat het gewenste effect bij de buren had: men trad een dag later en masse aan om op de gracht bij het stadhuis de jonggehuwden toe te juichen. Maar Adam Zelle werd geweerd van het aansluitende déjeuner dînatoire in het American Hotel, een feestmaal in de namiddag waaraan de getuigen uiteraard wel aanzaten. Drie advertenties plaatste De Balbian Versters krant de dag erna. Die van papa bevatte de meeste tekst.
Zuster, moeder en nichtjes van MacLeod verhuisden kort voor de bruiloft naar Leidsekade 69, recht tegenover nummer 79, slechts gescheiden door het water van de Leidsegracht. Naar het schijnt bemoeide Jeanne Wolsink-MacLeod zich bij voortduring met het pasgetrouwde stel, tot ergernis van haar schoonzuster.
Hoogtepunt in het prille huwelijksleven moet de 23ste april van het volgende jaar zijn geweest. Koningin-regentes Emma en haar 15-jarige dochter prinses Wilhemina gaven een raout, een deftige avondpartij, in het Paleis op de Dam. Getuige een krantenverslag waren er zelden meer glanzende uniformen en schitterende colliers op decolletés bijeen. De jonge kapiteinsvrouwe MacLeod droeg opnieuw haar zachtgele bruidsjapon. Negen maanden later werd het eerste kind geboren: Norman John. Op zijn geboorteakte staat het adres Jacob van Lennepkade 61-2. Blijkbaar verdroeg Margaretha de bedilzucht van haar schoonzuster niet langer. Het vertrek naar Indië in mei 1897 moet een opluchting zijn geweest, maar het huwelijk met de veel oudere, ongelikte militair vertoonde toen al barstjes.
Vijf jaar later waren ze terug in Amsterdam. Niet meer dan een half jaar hebben ze gewoond in de Van Breestraat 188, een paar huizen van de Emmastraat. MacLeod, gepensioneerd, stond er ingeschreven op de begane grond met Margaretha en hun dochtertje Louise Jeanne. Het zoontje was overleden in Indië, naar verluidt vergiftigd door het personeel. Een paar dagen voor kerstmis verhuisden ze naar een adres dat nu niet meer bestaat: De Ruyterkade 53 naast het Centraal Station. Hoewel MacLeod zich ook hier met vrouw en dochter liet inschrijven, is het niet erg waarschijnlijk dat Margaretha zich bij hem heeft gevoegd op de tweede etage boven café Czaar Peter, dat werd gedreven door de weduwe Altink. De scheiding van tafel en bed was inmiddels uitgesproken.

Extatische bewegingen
“Connaissez-vous Mata-Hari? C’est le dernier joujou de la saison Matahari nous a conquis.” Het Nieuws van den Dag plaatste op 17 april 1905 onder het kopje ‘Een Hollandsche danseres’ dit particuliere schrijven uit Parijs en vroeg zich net als de briefschrijver af wie dit nieuwe talent nu precies was. Twee dagen later antwoordde een lezer dat ze MacLeod heette, geboortig was van Java en met een Britse officier getrouwd. “Nu is ’t ons duidelijk wie de Hollandsche danseres is. Onze landgenoot, die zich terecht mata-hari (het oog van de dag = de zon) noemt, is niet née à Java,” corrigeerde de redactie, al heeft ze “geruimen tijd tusschen de keerkringen vertoefd”. De correctie draagt het handschrift van De Balbian Verster.
Het was ruim een maand na het eclatante debuut in het Parijse Musée Guimet van Mata-Hari. De beau monde van Parijs was vol van de bajadère, de exotische danseres, die slechts gehuld in met juwelen bezette bustehouders en sluiers (en soms zelfs zonder) extatische bewegingen uitvoerde. Nog nooit had men zo’n danseres gezien. Enorm waren haar successen en navenant haar inkomsten (en uitgaven). De Nederlandse primeur van een interview met Mata-Hari was voor Tom Schilperoort, correspondent van de Nieuwe Rotterdamsche Courant – beminnelijk en gracieus presenteerde ze zich als Lady MacLeod.
Een jaar later werd op de huwelijksakte in het bevolkingsregister een toevoeging gepleegd: de echtscheiding was erdoor. Het Nieuws van den Dag berichtte op 2 augustus 1906: “26 april 1906 is het huwelijk ontbonden zonder verzet, tussen Margaretha Geertruida Zelle, Mata-Hari, domicilie Da Costakade 65 Amsterdam, en Rudolph MacLeod, Gep. Maj. I.L.”
Domicilie Da Costakade 65. De ster van Parijs? Het lijkt onwaarschijnlijk dat ze het nieuwbouwpand vlakbij de De Clercqstraat ooit nog heeft bezocht. Ze stond er ingeschreven toen haar vader en stiefmoeder in mei 1902 op de eerste etage kwamen wonen en dat bleef zo, lang nadat ze resideerde in royale hotelsuites in Parijs en andere wereldsteden. Maar ze had een correspondentieadres nodig vanwege de echtscheiding en de voogdijzaak rond haar dochter.

Onridderlijk gedrag
Voor zover bekend keerde Margaretha pas in 1914 als Mata-Hari terug in Amsterdam. Kort na het uitbreken van de Grote Oorlog kwam ze uit Berlijn en nam haar intrek in het Victoria Hotel. Haar vader was in 1910 overleden, in 1913 gevolgd door haar stiefmoeder. Alleen broer Cornelis woonde nog altijd in de stad, maar zal ze hem hebben opgezocht, in zijn kleine optrekje in de Noorderstraat 60, nog altijd inwonend bij diamantwerker Johannes Schoemaker?
Ze had veel aan haar mooie hoofd. Door het uitbreken van de oorlog was haar engagement in Berlijn afgelast. Van haar vergaarde kapitaal was niet veel over en een rijke amant leek niet snel voorhanden. Onwillekeurig kan ze even hebben teruggedacht aan de kamers boven café Czaar Peter achter het Centraal Station waar ze ingeschreven stond voor ze naar Parijs ging, voor ze beroemd werd. Deed ze zich daarom voor als een gevluchte Russin die de stad wilde bezoeken waar tsaar Peter ooit rondliep, toen ze in het Frans werd aangesproken door de bankier Will van der Schalk? Ze bleven in het Frans converseren en ze wist zich van haar onderhoud verzekerd. Zelfs toen haar ware identiteit uitkwam, fourneerde de geachte broer van Henriëtte Roland Holst-Van der Schalk de hotel- en kleedkosten.
Lang woonde ze niet in het hotel, van waaruit ze pogingen deed engagementen te verkrijgen. Mata-Hari’s enige optreden in Nederland zou aan het einde van dat jaar volgen, in de Koninklijke Schouwburg in Den Haag, waar ze naartoe verhuisde en waar haar laatste, beruchte jaren een aanvang namen. Amsterdam speelt nauwelijks een rol in de spionageactiviteiten die zij ontplooide, die haar noodlottig werden en haar legendarisch hebben gemaakt. Drie jaar na haar vertrek uit het Victoria Hotel was ze dood.
Het Nieuws van den Dag was het enige dagblad dat, op 17 oktober 1917, met een vlammend protest kwam tegen het “onridderlijke en barbaarsche gedrag der Franschen tegenover een vrouw”. Het uitvoerige, ongesigneerde artikel op de voorpagina kan van de hoofdredacteur, de sterrenkundige C. Easton, zijn geweest. Maar misschien is De Balbian Verster, inmiddels een man van middelbare leeftijd, in de pen geklommen. Zonder twijfel herinnerde hij zich de 18-jarige bruid. Er werd niet over gerept in het artikel. Noch heeft hij er ooit zelf iets over op papier gezet.
Als vijftien jaar later, in het najaar van 1932, de speelfilm Mata Hari met Hollywood-ster Greta Garbo in de bioscoop komt, spannen de drie broers Zelle een kort geding aan tegen Abraham Tuschinski en diens compagnons wegens karaktermoord. Het dient op de dag af vijftien jaar na de executie van hun zuster. De eis tot verbod wordt niet ontvankelijk verklaard door de Rotterdamse rechter en de film draait maanden lang met veel succes in de grote steden.
Veel rest er niet van Margaretha Zelle in Amsterdam. Of het moest de luxe Mata Hari-suite met kingsize bed, leren zithoek en whirlpool zijn die het American Hotel speciaal voor bruidsparen heeft ingericht. Het past wel bij de ongrijpbare Mata-Hari dat juist het gebouw waar haar geschiedenis begon, er allang niet meer staat.